De staat tegen Elisa Rowand.--Het "schild der bescherming" voor
het leven van een slaaf.
"Wij kunnen dat regtsgeding slechts als eene heilzame gebeurtenis
beschouwen." Charleston Courier.
Nu wij een denkbeeld gegeven hebben van den aard der wetten die
omtrent de slavernij bestaan, heeft de lezer regt te vergen dat wij
hem ook met de toepassing er van bekend maken. Wij willen als proeve
een regtsgeding aanhalen, waarvan in den Charleston Courier van den
6den Mei 1847 verslag wordt gegeven. De Charleston Courier is een
der hoofd-organen van de meening in Zuid-Carolina, en het proces
wordt medegedeeld, schijnbaar in het volle bewustzijn dat er niets
in voorkomt, dank zij de naauwgezetste onpartijdigheid des regters,
wat in het minst de eer van den Staat bezwalkt. De Charleston Courier
zendt het verslag dan ook de wereld in onder luid trompetgeschal, als
iets dat voor altijd het zwijgen moet opleggen aan hen, die zeggen,
dat Zuid-Carolina het leven van den slaaf niet beschermt.
Vervolging wegens moord.
"Gisteren was in onze gemeente aller belangstelling opgewekt
en verkeerden allen in eene zekere spanning, door eene zaak
van groot gewigt en geheel nieuw in onze regtspleging. Het gold
eene aanklagt van moord tegen eene dame van aanzienlijken huize,
en moeder eener uitgebreide familie, die beschuldigd werd haar
eigen slaaf of den slaaf van haar echtgenoot om het leven te
hebben gebragt. De geregtszaal was opgevuld met nieuwsgierigen
in deze ongewone zaak, die met onvermoeide aandacht en in
even grooten getale de zitting bleven bijwonen tot het vonnis,
waarbij de beschuldigde vrijgesproken werd, was gevallen. Wij
kunnen dit regtsgeding slechts beschouwen als eene heilzame,
ofschoon op zich-zelf treurige gebeurtenis, daar het de wereld
zal doen zien dat, ofschoon hooggeplaatst door rang en vermogen,
en aanspraak makende op de toegevendheid, die het regt en het
erfdeel der zwakkere sekse is, niemand toch kan dulden, dat zelfs
eene vrouw ontsnappen zou aan de meest stipte regtvaardigheid,
op gevaar af een schandelijken dood te ondergaan, wanneer de
beschuldiging op haar rust, dat zij een slaaf heeft vermoord,
wiens leven onze wet even goed met het schild der bescherming
dekt als dat van den blanke, behalve met betrekking tot den aard
der bewijzen, tot verdediging of overtuiging vereischt. Terwijl
kwalijk gezinden uit deze zaak kunnen leeren, dat hun een streng
onderzoek en eene verdiende straf wacht, wanneer zij, gevolg
gevende aan hunne drift, het leven aan den slaaf ontnemen, kunnen
ook de vijanden onzer staatsinstellingen zien, dat, ondanks hunne
lasterlijke beschuldigingen van het tegendeel, wij in dit opzigt
de pligten, die de wet en de menschlievendheid ons opleggen,
ten volle betrachten."
Wij laten hier het verslag van het proces volgen.
Vervolging wegens moord van een slaaf.
De Staat tegen Eliza Rowand. Voorjaarszitting, 5 Mei 1847.
Regter. O'Neall.
De beschuldigde werd voor de balie gebragt, vergezeld van haar
echtgenoot en hare moeder, en gedurende de zitting met zeer
veel hulpvaardigheid bijgestaan door den sheriff J. B. Irving
Esq. Na de acte van beschuldiging gehoord te hebben, verklaarde
zij onschuldig te zijn, en beriep zich op God en haar land. Na
het verhoor der getuigen (volgen de namen der getuigen), nam de
beschuldigde als leden der jury aan de volgende personen, die,
na behoorlijke eedsaflegging, met de behandeling der zaak belast
waren (volgen de namen der gezworenen).
De acte van beschuldiging luidt als volgt:
De Slaat tegen Eliza Rowand.--Vervolging wegens moord van een
slaaf.
Staat Zuid-Carolina.
District Charleston.
In de zitting van het Hoog Geregtshof, aangevangen en gehouden in
en voor het district Charleston in den Staat Zuid-Carolina, te
Charleston, in het district en den Staat voornoemd, op Maandag,
den derden Mei van het jaar onzes Heeren achttien honderd zeven
en veertig,
Verklaren de gezworenen uit en voor het district Charleston
voornoemd, in den Staat Zuid-Carolina voornoemd, onder eede
vergaderd, dat Eliza Rowand, echtgenoot van Robert Rowand Esq.,
niet hebbende de vreeze Gods voor oogen, maar aangezet en verleid
door de inspraken des duivels, op den zesden Januarij van het
jaar onzes Heeren achttien honderd zeven en veertig, met geweld
van wapenen, te Charleston, in het district Charleston en den
Staat voornoemd, op eene zekere slavin van genoemden Robert
Rowand, genaamd Maria, in vrede levende met God en met gezegden
Staat, op tijd en plaats voornoemd, kwaadwillig, opzettelijk,
boosaardig en met voorbedachten rade, een aanval heeft gedaan; en
dat een zekere andere slaaf van gezegden Robert Rowand, genaamd
Richard, op tijd en plaats voornoemd, in tegenwoordigheid en
op last van gezegde Eliza Rowand, met een stuk hout, dat hij,
Richard, in beide handen hield, genoemde Maria op het hoofd heeft
geslagen, en haar door de slagen met gezegd stuk hout verscheidene
doodelijke kneuzingen op de kruin, het achterhoofd en de zijden
van haar hoofd heeft toegebragt, aan welke kneuzingen gezegde
Maria terstond is overleden; en dat Eliza Rowand voornoemd, op
tijd en plaats voornoemd, kwaadwillig, boosaardig, opzettelijk
en met voorbedachten rade aan genoemden slaaf Richard bevolen,
gelast en van hem geëischt heeft gemelden moord op gemelde wijze
te plegen. En dat de gezworenen voornoemd onder eede verklaren,
dat gezegde Eliza Rowand, haar, de slavin Maria voornoemd, op de
gemelde wijze en door de gemelde middelen, kwaadwillig, boosaardig,
opzettelijk en met voorbedachten rade heeft gedood en vermoord,
in strijd met het besluit der Wetgevende Vergadering van gezegden
Staat, voor dat geval gemaakt en aangenomen, en in strijd met de
rust en de waardigheid van den Staat voornoemd.
De gezworenen voornoemd verklaren verder, onder eede, dat
gezegde Eliza Rowand, niet hebbende de vreeze Gods voor oogen,
maar aangezet en verleid door de inspraken des duivels, op den
zesden Januarij van het jaar onzes Heeren achttien honderd zeven
en veertig, met geweld van wapenen, te Charleston, in het district
Charleston, in den Staat voornoemd, op eene zekere slavin van
genoemden Robert Rowand, genaamd Maria, in vrede levende met God
en met gezegden Staat, op tijd en plaats voornoemd, kwaadwillig,
boosaardig, opzettelijk, en met voorbedachten rade, een aanval
heeft gedaan, en dat gemelde Eliza Rowand, met een stuk hout, dat
zij, gezegde Eliza Rowand, op tijd en plaats voornoemd, in beide
handen hield, haar, de meergemelde slavin, genaamd Maria, daarmede
op het hoofd heeft geslagen en door de slagen, met gezegd stuk
hout, verscheidene kneuzingen op de kruin, het achterhoofd en de
zijde van het hoofd heeft toegebragt, aan welke kneuzingen gemelde
Maria, op plaats en tijd voornoemd, terstond is overleden. En dat
de gezworenen voornoemd alzoo onder eede verklaren, dat gemelde
Eliza Rowand, haar, de slavin Maria voornoemd, op de gemelde wijze
en door de gemelde middelen, kwaadwillig, boosaardig, opzettelijk
en met voorbedachten rade, heeft gedood en vermoord, in strijd
met het besluit der Wetgevende Vergadering van gezegden Staat,
voor dat geval gemaakt en aangenomen, en in strijd met de wet en
de waardigheid van den Staat voornoemd."
H. Baily.
Procureur-Generaal.
Voor die lezers, die misschien te vergeefs zouden trachten
eenigen gezonden zin of inlichting te putten uit de zoo omslagtige
bewoordingen van zulke stukken, moet schrijfster dezes hier bijvoegen,
dat de strekking der medegedeelde acte is, mevrouw Eliza Rowand
te beschuldigen hare slavin Maria te hebben gedood op een van de
twee volgende wijzen, òf door haar op het hoofd te slaan met eigen
handen òf door dit, op haar bevel, te doen verrigten, door haar slaaf
Richard. De beschuldiging was al dus geformuleerd. Om nu den lezer
de verdere argumenten duidelijk te doen begrijpen, moeten wij hem
herinneren, dat de wet van 1740, zoo als wij hierboven reeds zeiden,
den moord van een slaaf slechts strafte met eene boete en verlies van
burgerregten, terwijl de wet van 1821 op die daad de doodstraf stelt.
"Op verzoek van den heer Petigru werd aan de gevangene toegestaan
zich van de balie te verwijderen en zich bij haar raadsman neder
te zetten; de regter stond het verzoek toe, onder nadrukkelijke
verklaring, dat hij dit deed omdat de beschuldigde eene vrouw was,
maar dat nooit aan een man zulk een voorregt zou worden verleend.
"De Procureur-Generaal, Henry Bailey Esq., stond toen op
en voerde ongeveer op de volgende wijze het woord voor den
Staat. Hij zeide, dat, na maanden angst en spanning, eindelijk de
gordijn was opgetrokken, en hij en de jury op het punt stonden
hun treurige rol in dit drama van het werkelijk leven, dat zoo
lang de aandacht van het publiek had gaande gehouden, op zich
te nemen. Hij zoowel als de jury was geroepen tot de vervulling
van een gewigtigen, moeijelijken en ernstigen pligt. Zij moesten
vonnis vellen tusschen de beschuldigde en den Staat--in eene zaak,
waarbij het leven gemoeid is; van hunne uitspraak hing het leven
of de dood, de eer of de schande der beschuldigde af; maar hij
vertrouwde, dat hij en de gezworenen kracht en helderheid van
geest zouden hebben, om hunne taak getrouw te vervullen; en wat
ook de uitslag wezen mogt, hun geweten zou door dat bewustzijn
getroost en gerustgesteld worden. Hij verzocht de jury wel in
het oog te houden en te overwegen, welke eene gewigtige taak en
heilige verpligtingen zij thans ten uitvoer moesten brengen. De
grondwet van den Staat bekleedde hen met eene magt over het leven
en al wat dierbaar was aan het gezin van de ongelukkige vrouw,
over wie zij oordeelen moesten. Maar aan hen was ook opgedragen
de heilige zorg voor de handhaving der wetten van het land; en aan
hunne uitspraak was eene der ernstigste vraagpunten, die ooit aan
de beslissing eens menschen onderworpen worden, overgelaten. Zij
moesten den weg der regtvaardigheid volgen, zonder om te zien,
zonder noch ter regter, noch ter linker af te wijken, en zich niet
laten leiden, noch door eenig vooroordeel jegens de beschuldigde,
noch door eene zwakke toegefelijkheid ten haren opzigte. Sommigen
hunner mogten welligt persoonlijk onbekend zijn met den pligt, die
hun te wachten stond, maar zij waren allen bekend met de wet, en
ook op hen rustte thans de verantwoording als gezworenen. Het was
naauwelijks noodig hun te zeggen, dat, indien de schuld bewezen
was, zij niet mogten aarzelen het "schuldig" uit te spreken,
al moesten zij dan ook dat schuldig nederschrijven in bloedige
tranen. Geen ongeoorloofd medelijden, geene zwakke teêrgevoeligheid
mogt hen weerhouden, wanneer het doodvonnis geëischt werd, in
het vervullen hunner duidelijk omschreven taak. Zij moesten eene
wet toepassen, geene wet maken; zij waren geroepen om de wet
te handhaven, door het vervullen van den hoogsten pligt jegens
God en hun land. Indien iemand hunner hieromtrent twijfelde of
aarzelde, zou spreker niet kunnen veronderstellen, dat hij onder
de gezworenen zou hebben plaats genomen. De wet eischt den dood
als de verdiende straf voor de misdaad, waarvan hier sprake is,
en de jury heeft gezworen de wet te handhaven. Die wet is ook
in volkomene overeenstemming met de Heilige Schrift, die ons
leert "dat het land niet gezuiverd zal worden van het bloed,
dat er in vergoten is, uitgezonderd van het bloed van hem,
die het vergoten heeft." Hij was dus overtuigd, dat zij allen
zouden bezield zijn met het standvastig besluit, om in deze te
handelen naar hetgeen een gezond oordeel, en een rein geweten hun
bevolen. De beschuldigde echter had ook regt daarop zoowel als het
vaderland; zij had aanspraak of eene regtvaardige en onpartijdige
behandeling. Volgens de wijze en menschlievende beginselen onzer
wet, waren zij verpligt de beschuldigde voor onschuldig te houden,
en zij stond schuldeloos voor hen, tot dat de schuld wettig,
deugdelijk en voldoende zou zijn bewezen. Doof voor de stem
eener toegevende menschlievendheid en van een blind vooroordeel,
moesten zij hunne taak aanvaarden met een volkomen onbevangenen
en onbevooroordeelden geest; zij moesten de omstandigheden wegen
met naauwgezetheid en zorgvuldigheid, en wanneer door een wettig,
grondig en voldoend, ofschoon geen stellig bewijs, de schuld
bewezen was, moesten zij zonder aarzelen, zonder vrees en opregt
voor hunne overtuiging uitkomen. Daarna herinnerde hij hen aan het
onderscheid in sommige opzigten door de wet gemaakt; maar liet
de feiten geheel daar: de mededeeling daarvan liet hij over aan
de getuigen, die hij in geenen deele door zijne opmerkingen wilde
leiden. De beschuldigde was aangeklaagd wegens moord op een slaaf
gepleegd. Dit werd, volgens de gewone wet, geacht geen moord te
zijn. Het was ook geen moord volgens de vroegere wet; maar de wet
van 1821 heeft het dooden van een blanke en van een zwarte gelijk
gesteld. Hierop las hij de wet van 1821 voor, waarin gezegd wordt,
dat "hij die kwaadwillig, opzettelijk en boosaardig een slaaf
vermoordt, wanneer de daad bewezen is, den dood zal ondergaan,
zonder bijstand van een geestelijke." De regels, die ten aanzien
van moord in de gewone wet voorkomen, zijn echter ook in dit geval
van toepassing. Het in te stellen onderzoek moest voornamelijk
loopen over twee vragen: 1o. Heeft de beschuldigde een moord
gepleegd? hetgeen uit de bewijzen duidelijk moest blijken. Indien
zij niet daaraan schuldig was, zou het proces ten einde zijn;
en 2o. Van welken aard is die moord, of die misdaad? was zij
gepleegd met voorbedachten rade? "Kwaadwilligheid (malice)"
ging de Procureur voort, "is het criterium van misdaad. Waar
moord gepleegd is, wordt kwaadwilligheid verondersteld, ten
zij het tegendeel blijke; en dit moet uitgemaakt worden door de
bijkomende omstandigheden." Kwaadwilligheid is een woord, dat in
de regtspleging eene eenigzins andere beteekenis heeft dan in
het dagelijksch leven. "Volgens den geleerden Michael Foster,
bestaat het niet in kwaadwilligheid jegens den een of ander,"
het beteekent niet haat tegen een bijzonder persoon; maar het is
algemeen in zijne beteekenis en uitwerking. Want even als doodslag,
zonder oogmerk om den doodslag te plegen, niet altijd moord is;
en er verschoonbare redenen kunnen bestaan, die den moord in eene
opwelling van drift of in toorn gepleegd slechts manslag doen zijn;
zoo kan er ook moord gepleegd worden zonder kwaadwilligheid jegens
een bepaald persoon, ja, bij volkomen onverschilligheid omtrent
den verslagene, zoo als, wanneer de roover iemand doodt om zijne
misdaad geheim te doen blijven. Kwaadwilligheid is die verdorven
eigenschap van het hart, die iemand zijn maatschappelijken
pligt doet vergeten, en hem tot misdaad aanzet. Zij is ook dan
aanwezig, wanneer men zonder zich om de wet of het leven zijns
naasten te bekommeren onder eene menigte volks schiet, en op
die wijze moord pleegt op een, misschien aan den dader onbekend,
persoon. Zulk eene eigenschap keurt de wet af, en straft haar,
wanneer zij tot daden leidt, met den dood, omdat zij in strijd is
met de bestaande wetten der maatschappij. Men kan zulk eene daad
ook plegen zonder nog juist de wet te verachten; maar wanneer zij
gepleegd is, zonder dat men de gevolgen heeft berekend, en zij den
dood na zich sleept, is zij moord in het oog der wet. "Wanneer
de feiten, die bij het onderzoek aan het licht moesten komen,
niet aan deze voorwaarden beantwoorden, noodigde hij de jury
uit de beschuldigde vrij te spreken, hetgeen zij aan hun pligt
en aan de regtvaardigheid verschuldigd waren. Elk feit moesten
zij met een naauwlettend oog beschouwen en daaruit besluiten of
het noodlottig gevolg het uitvloeisel is eener onbedachtzame
handeling of van eene te voren beraamde wraak, hetgeen de wet
met den naam van kwaadwilligheid bestempelt. Verder zou hij zich
van voorafgaande opmerkingen onthouden, maar overgaan tot het
blootleggen der feiten, door de getuigen zelven mede te deelen."
Verklaring der getuigen onder eede.
J. Porteous Deveaux, coroner in het district Charleston, hield de
lijkschouwing den 7den Januarij laatstleden, van het ligchaam der
gedoode Maria, slavin van Robert Rowand, in de woning van mevrouw
T. C. Bee (de moeder der beschuldigde), in de Logan-street. Het
ligchaam bevond zich in een aangebouwd vertrek, eene keuken; het
was het ligchaam van een oud en uitgeteerd persoon, tusschen de
vijftig en zestig jaren oud; het werd in zijne tegenwoordigheid
niet onderzocht door geneesheeren; hij zag eenige weinige schrammen
op het gelaat; het werd naar het stadhuis gebragt. Mevrouw Rowand
werd verhoord; hare verklaring was geschreven; zij werd hier
overgelegd en luidt als volgt:
"Mevrouw Eliza Rowand. Verklaring onder eede. Gezegde Maria is hare
min, en heeft zich gisteren morgen misdragen; de ondergeteekende
zond Maria naar het huis van den heer Rowand, om gekastijd te
worden door Simon; de ondergeteekende zond Maria van huis omstreeks
ten zeven ure, des morgens; zij keerde terug tegen negen ure;
kwam in hare kamer; Simon is niet in de kamer geweest vóór den
dood van Maria; de ondergeteekende verklaart, dat Maria in de
kamer nederviel; de ondergeteekende heeft haar doen oprigten
door Richard, die toen in de kamer was, en de ondergeteekende
gaf haar eenig duivelsdrek; toen verliet de ondergeteekende
de kamer; Richard kwam bij haar en zeide dat Maria dood was;
de ondergeteekende verklaart, dat Richard Maria niet geslagen
heeft, en dat niemand anders haar geslagen heeft in de kamer der
ondergeteekende. Richard verliet onmiddellijk het vertrek na de
ondergeteekende; Maria was ongeveer twee-en-vijftig jaar oud;
de ondergeteekende liet Maria door Richard naar Simon brengen,
in het huis van den heer Rowand, om gestraft te worden; de heer
Rowand was niet in de stad; Maria stierf omstreeks ten twaalf
ure. Richard en Maria stonden met elkander op goeden voet; de
ondergeteekende was in de kamer gedurende al den tijd dat Richard
en Maria te zamen waren.