De werking der wet van Zuid-Carolina toegepast op Tom bij
Legree. Scheiding van ouders en kinderen.
Thans, nu wij gezien hebben hoe ligchaam en leden der slaven beschermd
worden, zal de lezer welligt nieuwsgierig zijn om te weten op welke
wijze de slaaf voedsel en kleeding gewaarborgd zijn en hoe hij tegen
bovenmatigen arbeid gevrijwaard is. Er zijn wel is waar velen in de
Noordelijke Staten, die meenen, dat zulke bepalingen op zich-zelven
reeds overtollig en dwaas zijn: "Hoe!" zeggen zij, "zijn de slaven
dan geen eigendom? en is het denkbaar, dat iemand de waarde van zijn
eigendom opzettelijk zal verminderen door onthouding van voedsel en
kleeding of door bovenmatigen arbeid?" Die redenering schijnt echter
niet zoo overtuigend geweest te zijn voor de wetgevers der Zuidelijke
Staten als voor de bewoners van het Noorden, want, zooals de regter
Taylor zegt: "de wet van 1786 erkent in den considerans het feit,
dat vele personen door wreedaardige mishandelingen hunner slaven, hen
dwingen tot misdaden, waarvoor zij veroordeeld worden," en heldert
die woorden nader op door het volgende: "De wreede behandeling,
hier bedoeld, moet bestaan in het onthouden van voedsel en van de
noodzakelijke levensbehoeften; de misdaden, hieruit voortvloeiende,
strekken om zich de noodige spijzen en kleederen aan te schaffen."
In den Staat Zuid-Carolina bestaat eene wet van 1740, waarin eene
bepaling voorkomt met den volgenden considerans:
"Vermits vele eigenaars van slaven en andere personen, met de zorg,
de oppassing en het toezigt van slaven belast, hen zoodanig tot
onverpoosden en zwaren arbeid dwingen, dat hun de tijd voor eene
noodwendige rust niet gelaten wordt...."
En daarop bepaalt de wet, dat de slaaf des zomers niet meer dan
vijftien en des winters niet meer dan veertien uren zal werken. De
regter Stroud maakt hierbij de opmerking, dat in drie van de
slavenhoudende Staten de werkuren voor veroordeelden, wier straf
bestaat in dwangarbeid, niet meer bedraagt dan tien uren, zelfs in
de zomermaanden.
Dat was dan de beschermende wet van Zuid-Carolina, die strekken
moest om het misbruik van magt te doen ophouden van meesters,
die hunne slaven zoo onafgebroken laten arbeiden, dat hun de tijd
tot noodzakelijke rust ontbreekt! Welk denkbeeld moet ons die
menschlievende bepaling geven van hen, die haar hebben gemaakt. Om
den slaaf te beschermen tegen hetgeen zij bovenmatigen arbeid rekenen,
stellen zij in hunne menschlievendheid vast, dat hij slechts vier of
vijf uren meer zal werken dan de veroordeelden in de tuchthuizen van
den naburigen Staat. Op Jamaica is, behalve op de zon- en feestdagen,
die aan de slaven geschonken worden, tien uren daags het maximum van
den tijd waarin zij gedwongen kunnen worden te werken.
Met betrekking tot de beschermende maatregelen, die den slaaf voedsel
en kleeding moeten verzekeren, geeft de regter Stroud het volgende
uittreksel uit de wetgeving van Zuid-Carolina. De schrijfster deelt
het mede zoo als zij het in de "Schets" heeft aangetroffen.
"Indien iemand, die eigenaar of belast is met de zorg, het
bestuur of het toezigt van den slaaf, weigert, veronachtzaamt of
nalaat aan dien slaaf of die slaven de noodige kleeding of het
noodige deksel en voedsel te geven, zal het ieder vrijstaan, ten
behoeve van dien slaaf of die slaven eene aanklagt in te dienen
bij den eersten regter in het district, waar die slaaf of of
slaven leeft of leven of gewoonlijk werkzaam is of zijn.... en
gezegde regter zal de partij, tegen wie de aanklagt gerigt is,
dagvaarden en de zaak onderzoeken; en indien de regter voornoemd de
gezegde aanklagt waar mogt bevinden, of wanneer de gedaagde zich
niet kan vrijspreken of de beschuldiging afwerpen door zijnen
eed, waartoe gezegde gedaagde vrijheid heeft in ieder geval,
waarin geen regtstreeksch bewijs van zijne schuld aanwezig is,
zal gezegde regter zulke maatregelen nemen ten behoeve van dien
slaaf of die slaven, als hij oorbaar zal achten; en zal hij eene
boete kunnen en mogen opleggen aan den gedaagde, ten bedrage van
eene som twintig pond niet te boven gaande, voor elk der hem ten
laste gelegde feiten."
Eene wet van bijna gelijken inhoud bestaat in Louisiana.
Nu zou men welligt uit de ernstige en plegtige bewoordingen dier wet
afleiden, dat zij althans tot iets moest leiden. Wij willen met een
enkel voorbeeld aantoonen wat er door bereikt werd, Angelika Grimké
Wild, eene zuster van Sarah Grimké, die wij zoo straks noemden, deelt
het volgende mede omtrent den toestand van slaven op plantages. [10]
"En ik moet hier verklaren, dat de behandeling van slaven op
plantages niet bekend is aan de arme lijders zelven en hunne
opzigters en drijvers. Meestal kan zelfs de eigenaar zeer weinig
van den toestand zijner slaven te weten komen, en zijne vrouw
en dochters nog veel minder. Een paar voorbeelden uit mijn
eigen familiekring zal dit bewijzen. Onze vaste woonplaats
was te Charleston; ons buitenverblijf te Bellemont, op twee
honderd mijlen afstand in het noordwestelijk gedeelte van den
Staat, waar vroeger ons gezin jaarlijks eenige weinige maanden
plagt door te brengen. Onze plantage was drie mijlen van die
buitenplaats verwijderd. Daar leefden en werkten de slaven voor
den veldarbeid. Nu en dan--eens in de maand misschien--ging de een
of ander van ons eens naar de plantage; maar ik voor mij bezocht
nimmer de velden, waarop de slaven arbeidden, en wist bijkans
niets van hun toestand; dit echter weet ik, dat de menschen, die
met het opzigt over hen waren belast, over het algemeen ruwe en
gewetenlooze mannen waren. Maar het doet mij genoegen te weten,
dat de wijze, waarop gewoonlijk de slaven in die streek behandeld
worden, veel minder streng is dan op de plantages, die zuidelijker
zijn gelegen.
"De planters der oostelijke en in het midden gelegen deelen van
den Staat wonen slechts zelden op hunne plantages. Zij hebben
meest allen, bijna zonder uitzondering, twee woonplaatsen,
en brengen minder dan de helft van het jaar op hunne goederen
door. En zelfs wanneer zij zich dáár ophouden, nemen staatszaken,
jagt-partijen, wedrennen, speculaties, reisjes, bezoeken, omgang,
letterkundige studiën, enz. zooveel van hun tijd weg, dat zij,
ten opzigte van den toestand hunner slaven, bijna geheel moeten
afgaan op de rapporten van hunne opzigters. Ik deel dit mede, omdat
die slavenhouders (de aanzienlijken onder hen), naar ik geloof,
de eenigen zijn, die met hunne huisgezinnen in het Noorden komen;
en de meeningen omtrent de slavernij in het Noorden zijn meestal
op hun getuigenis gegrond."
De mededeeling van Miss Grimké omtrent de opzigters kan worden
aangevuld door hetgeen de eigenaars in het Zuiden van die klasse
van menschen weten. De heer Wirt noemt hen in zijn "Leven van
Patrick Henry" de laagste en diepstgezonkene van alle standen
in de maatschappij, een uitvaagsel, eene zeer verdorven, diep
gevallen en gewetenlooze klasse van menschen." Denken wij ons thans,
terwijl de eigenaar te Charleston zich bezig houdt met letterkundige
uitspanningen, de slaven op eenig Belmonte of andere plantage, die
het honger lijden en de koude moede, eene vergadering houden om te
zien, op welke wijze eenige verandering in hun toestand kan worden
gebragt. Een breedgeschouderde, stoutmoedige knaap, dien wij Tom
zullen noemen, zegt dat het te erg loopt, dat hij het niet langer wil
verdragen; en daar hij op de eene of andere wijze bekend is geworden
met die menschlievende wet ter zijner bescherming, besluit hij bij
de wetgeving hulp te zoeken. Tom spreekt met stoutheid, want hij is
slechts kort geleden aangekocht en heeft het tot dus verre elders
beter gehad. De vrouwen en kinderen bewonderen hem, maar de ouden
der plantage,--Sambo, Cudge, Pomp en de oude moeder Dinah,--geven
hem te kennen dat hij zich moet in acht nemen en beter deed zich
er niet mede te bemoeijen. Maar Tom is jong en voortvarend en slaat
geen acht op die lessen der voorzigtigheid; hij is vastbesloten om,
indien er iets is dat men regt noemt, regt te krijgen. Na lang zoeken
vindt hij eindelijk een blanke in de nabuurschap, die belangeloos
genoeg is om de klagt voor hem in te dienen.
De opzigter Legree wandelt op een mooijen zomerschen morgen naar
den een of anderen regter, Dogberry zullen wij hem heeten, om zich
te zuiveren van de beschuldiging dat hij zijn negers geen voedsel en
deksel genoeg geeft. Wij willen den onnoozelen blanke, die de dwaze
taak op zich genomen heeft, Shallow noemen. Verbeelden wij ons nu
het volgende tooneel: Legree staat onverschillig met zijne handen in
de zakken, terwijl hij een pruim tabak in den mond houdt; de regter
Dogberry, zit in volle regterlijke waardigheid, die verhoogd wordt
door een flesch brandewijn, waarom eenige glazen geschaard staan, om
het verstand voor te lichten en te verhelderen in die duistere zaken.
Regter Dogberry. Kom aan mijne heeren, neemt eerst eenige
versterking.--Zet u, mijnheer Legree, zet u, mijnheer...., hoe is uw
naam als ik vragen mag?--Shallow.--De heeren Legree en Shallow nemen
stoelen en drinken eens van hun brandewijn. Na eenige onverschillige
praatjes, begint de regter de zaak, waarom het te doen is, aldus:
"Nu van die negers. Mijne heeren, gij kent de wet van--hum hum! waar
duivel is die wet? (Hij bladert intusschen in een oud wetboek). Hoe
drommel komt het toch, dat gij ooit van die wet hebt gehoord,
Shallow? ik ben zeker dat ik alles er van vergeten ben; o hier is
zij. Welnu, mijnheer Shallow, de wet zegt dat gij een bewijs moet
leveren, dat weet ge."
Shallow (stamelend en aarzelend). Wel nu kom aan! ziet dan niet
iedereen, dat die negers uitgehongerd zijn? Zie maar eens welke lompen
zij aan hebben!
Regter. Ik kan het niet zeggen voor zoo ver ik althans het gezien
heb. Zij schijnen heel tevreden.
Shallow. Vraag het maar eens aan Pomp of Sambo of Dinah of Tom!
Regter. (Met waardigheid). Ik sta verbaasd over u, mijnheer
Shallow! Wilt gij dan een neger tot getuige roepen? Ik vertrouw de
wet beter te kennen. Wij moeten een regtstreeksch bewijs hebben,
dat weet ge.
Shallow zweeg; Legree neemt met een veelbeteekenenden blik nog een
glas brandewijn met water, en regter Dogberry kuchte herhaaldelijk. Na
eenige oogenblikken herneemt de regter:
"Welnu, mijnheer Legree zal, denk ik, in ieder geval wel geen bezwaar
maken om zich door een eed te zuiveren, dan is alles gedaan, zoo als
ge weet." Daar zweren juist datgene is, wat het meest tot de gewoonten
van den heer Legree behoort, kan er voor hem geene betere afdoening van
zaken te denken zijn; en hij zweert dus zoo veel en zoo breedvoerig
als men verlangt; en op die wijze is de zaak ten einde gebragt. Maar
zij is niet ten einde gebragt voor Tom of Sambo, Dinah of wie ook,
die voor den regterlijken ambtenaar zijn genoemd. Wat er met hen zal
gebeuren, wanneer Legree te huis komt, laten wij aan het oordeel van
de lezer over.
In den aanvang van ons Tweede Gedeelte haalden wij eenige gezegden aan,
waarin beweerd werd dat er in Louisiana nadrukkelijke verbodsbepalingen
bestaan tegen de scheiding van jonge kinderen van hunne ouders. Hij,
die dit aangevoerd heeft, schijnt in eene zoete onkunde te verkeeren
van en een onbeperkt vertrouwen te stellen in hetgeen de menschen
al zoo verrigten, dat zeker over het algemeen, zeer prijzenswaardig
is. Want omtrent eene scène in de Negerhut, waarbij verhaald wordt
dat aan Cassy hare dochter ontrukt is, maakt hij de volgende naïve
aanmerking:
"Nu zal het misschien den lezer verwonderen, wanneer hij verneemt,
dat het verkoopen van Cassy zonder Eliza, waarop het verhaal
geheel berust, eene gebeurtenis is, die nimmer in Louisiana kon
plaats hebben, en dat de verkoop-acte van Eliza de waarde zelfs
niet had van het papier, waarop zij geschreven was. En wel om de
volgende reden. George Shelby verhaalt, dat Eliza acht of negen
jaar oud was, toen zijn vader haar te New-Orleans kocht. Slaan
wij nu nogmaals een blik in het wetboek van Louisiana.
In den Code Noir vinden wij:
"Aan een ieder is het volstrekt verboden om, zonder hunne moeders,
kinderen te verkoopen, die niet den vollen leeftijd van tien
jaren bereikt hebben."
En deze menschlievende bepaling wordt nog versterkt door eene wet,
waarvan eene der bepalingen aldus luidt:
Terwijl verder wordt vastgesteld, dat, wanneer een of meer personen
de moeder van een of meer slavenkinderen, onder den leeftijd van
tien jaar verkoopen zonder gezegd kind of gezegde kinderen, of,
bij het leven der moeder, een of meer slavenkinderen, tien jaren
oud of jonger, zonder gezegde moeder verkoopen, op die persoon of
personen de straf van toepassing zal zijn in de zesde afdeeling van
deze wet vermeld. Deze straf bestaat in eene boete van duizend tot
twee duizend dollars, en eene tuchthuisstraf van zes tot twaalf
maanden. Zie wetten van Louisiana, 1e. zitting 1828, 1829, no. 24,
afdeeling XVI.
Welk eene treffende onnoozelheid moeten wij uit die verklaring
afleiden: Iets kan niet plaats hebben in eenigen Staat, omdat het
door eene wet verboden is.
Werd er niet twee jaren geleden eene wet uitgevaardigd, waarbij
verboden werd vlugtelingen te herbergen of hunne gevangenneming te
beletten? en is het niet waarschijnlijk, dat dit nogtans ieder jaar
gedaan wordt? Wat beteekent eene wet wanneer zij de gansche publieke
opinie tegen zich heeft? en zal iemand kunnen beweren, dat de publieke
opinie in Louisiana door daden getoond heeft tegen die scheiding van
huisgezinnen te zijn?
Maar laat ons een enkel geval meer bijzonder beschouwen, met het oog
op de twee groote grondbeginselen der slaven-regtspleging: vooreerst
dat een slaaf in geen geval in regten kan ageren, dan tot het erlangen
zijner persoonlijke vrijheid en dit moet nog in sommige Staten door
een blanke geschieden; en ten tweede dat een slaaf geen getuige kan
zijn in eene zaak, waarbij blanken zijn betrokken.
Veronderstellen wij dat Butler Cassy's negenjarig kind wil
verkoopen. Er is eene wet die het verkoopen van kinderen beneden de
tien jaar verbiedt; wat staat Cassy nu te doen? Zij kan geene actie
instellen. Zal de Staat zelf dat doen? Nemen wij dit eens aan--wat
dan? Welnu, Butler, zegt dat het kind tien jaren oud is. Als hij wil,
kan hij zeggen, dat het tien en een half of elf jaar is. Wat zal Cassy
daartegen aanvoeren? Zij kan niet als getuige optreden; bovendien
zij is geheel in Butlers magt. Hij dreigt haar dat, indien zij zich
eenigzins in de zaak durft mengen, hij haar kind zal doen geeselen,
dat er geen duim breed ongeschonden blijft; en zij weet dat hij het
doen kan, en dat er geen hulp mogelijk is; hij kan haar opsluiten in
een kerker, haar naar eene verwijderde plantage zenden, of haar op
eenige andere wijze als hem goed dunkt zijne tirannij doen gevoelen,
en daar is niemand die tusschen beiden kan treden.
Wat beteekent nu die beschermende bepaling voor Cassy? zij kan als
eene waarschuwing misschien strekken voor het algemeen, of als eene
officiële uitdrukking van de meening des wetgevers; maar men zou met
evenveel vrucht kunnen beproeven om den loop der Mississippi te stuiten
met een riethalm, als den stroom van den handel in menschelijke wezens
met zulk een maatregel.
Thans gelooven wij wel, dat de lezer met ons zal erkennen, dat hoe
minder de voorstanders der slavernij van beschermende bepalingen
spreken, zooveel te beter dit voor hen is.