DE DRUKPERS.

De New-York Courier and Enquirer van den 5den November bevatte een

artikel, dat voor de schrijfster van zeer veel belang was, omdat

het kort, klaar en duidelijk de voornaamste tegenwerpingen opsomde,

die tegen de Negerhut konden ingebragt worden. Wij willen dat artikel

hier in zijn geheel inlasschen, omdat het den grondslag uitmaakt der

opmerkingen in de volgende bladzijden vervat.

De schrijfster der Negerhut, wordt in dat artikel gezegd, heeft tegen

duizenden en millioenen harer medemenschen valsche getuigenis afgelegd.

"Zij heeft dit gedaan door hun, als slavenhouders, in het oog der

wereld, de schuld te geven van de misbruiken eener instelling,

waaraan zij ten eenemale onschuldig zijn. Haar werk is zoodanig

ingerigt, dat het slechts drie schaduwzijden der slavernij bloot

geeft: vooreerst, de wreede behandeling der slaven; ten tweede,

de scheiding van huisgezinnen; en ten derde, het gemis aan

godsdienstig onderwijs voor slaven.

Om het eerste aan te toonen, laat zij eene belooning uitloven

voor het terugbrengen "dood of levend" van een weggeloopen slaaf,

hoewel men nog nooit van eene belooning met zulk een alternatief

gehoord heeft of heeft kunnen hooren ten zuiden der lijn van Mason

en Dixon, en het herhaaldelijk door de Zuidelijke geregtshoven

is uitgemaakt, "dat een slaaf, die slechts weggeloopen is, niet

mag gedood worden." Zij legt woorden als deze in den mond van

een harer personen: "De eigenaar, die het ergste doet, handelt

nog slechts binnen de perken der magt, die de wet hem toekent;"

terwijl integendeel het Burgerlijk Wetboek van den Staat waarin de

schrijfster zulk een bewering doet uiten--Louisiana--bepaalt, dat:

"De slaaf geheel ondergeschikt is aan den wil van zijn meester,

die hem mag kastijden en straffen, maar niet met overdreven

gestrengheid, of zoodanig dat verlamming of verminking er het

gevolg van kan zijn, of zijn leven in gevaar wordt gesteld of

zijn dood veroorzaakt."

Terwijl dat wetboek eene geregtelijke verkooping vaststelt:

"Wanneer de bewijzen aanwezig zijn, dat de eigenaar zijne slaven

heeft mishandeld en de regter het oorbaar keurt, behalve het

opleggen der voor dat geval vastgestelde straf, ook het in het

openbaar verkoopen van den slaaf te bevelen, ten einde dezen

buiten het bereik te stellen der magt, waarvan de eigenaar misbruik

heeft gemaakt."

"Indien iemand, wie ook, willens en wetens zijn slaaf of den

slaaf van een ander doodt, zal hij, wanneer zijne daad bewezen is,

overeenkomstig de wetten worden behandeld en gestraft."

In het vorige jaar werd door het Hoog Geregtshof in Virginia

aangenomen, in het regtsgeding van Souther tegen den Staat,

dat het dooden van een slaaf door zijn meester en eigenaar,

ten gevolge van zweepslagen op diens last en met overdreven

gestrengheid gegeven, moord is, al mogt ook het oogmerk van den

meester en eigenaar niet geweest zijn den slaaf te dooden! En het

is nog geen zes maanden geleden, dat de Gouverneur van Virginia,

Johnston, een slaaf vrijsprak, die zijn meester, welke hem wreed

had mishandeld, had gedood.

En toch, ondanks zulke wetten en uitspraken, doet Mevrouw

Stowe eene lange reeks van mishandelingen jegens de zwarten

veronderstellen, door haar voorbeeldeloozen held Tom in Louisiana

letterlijk te laten dood geeselen door zijn meester Legree; en deze

feiten, die de wet als misdadig erkent en als zoodanig straft,

beschrijft zij gedurig met de meest afschrikwekkende kleuren,

om de instelling der slavernij te doen kennen!

Evenzoo handelt zij ten opzigte van het wegnemen van kinderen van

hunne ouders. Een groot deel der intrigue berust op het verkoopen,

in Louisiana, van een kind van Eliza "acht of negen jaar oud"

zonder zijne moeder. Had de schrijfster het wetboek van Louisiana

opgeslagen, zij zou daar het volgende hebben gevonden:

"Een ieder is het volstrekt verboden om, zonder hunne moeders te

verkoopen kinderen, die den vollen ouderdom van tien jaren nog

niet hebben bereikt."

"Terwijl verder wordt vastgesteld, dat, wanneer een of meer

personen de moeder van een of meer slavenkinderen, onder den

leeftijd van tien jaar verkoopen, zonder gezegd kind of gezegde

kinderen, of, bij het leven der moeder, een of meer slavenkinderen,

tien jaren oud of jonger, zonder gezegde moeder verkoopen, zullen

die persoon of personen veroordeeld worden tot eene boete van

duizend tot twee duizend dollars, en eene gevangenisstraf voor

een tijd van zes tot twaalf maanden."

Het gemis aan godsdienstig onderwijs, zoo als Mevrouw Stowe het

voorstelt, is inderdaad ten eenemale ongegrond. De talrijkste

kerkelijke gemeenten in de Vereenigde Staten bestaan geheel

uit slaven. De eerste Afrikaansche kerken te Louisville en te

Augusta, die vijftien honderd en dertien honderd leden tellen,

kunnen daarvan ten bewijze strekken. Onder de groote gemeenten op

de uitgestrektste plantages in de verschillende Staten van het

Zuiden, worden de voorschriften van het Evangelie even goed in

stand gehouden door erkende geestelijken als in andere gemeenten

in het Noorden of Zuiden. Overal is de verhouding tusschen hen

die ledematen en die geene ledematen zijn voor de slaven veel

gunstiger dan voor de blanken. Iedere godsdienstige bijeenkomst in

het Zuiden, in de steden en op het land, bestaat in den regel voor

het meerendeel uit zwarten; terwijl in de kerken in het Noorden

onder de vijftig personen naauwelijks één kleurling gevonden wordt.

Het gansche werk is met de waarheid in strijd, omdat de

schrijfster juist die gevallen, die òf hoogst zeldzaam voorkomen

òf onmogelijk kunnen plaats hebben, ter kenschetsing van het

stelsel bezigt. Op dezelfde wijze, waarop zij te werk is gegaan,

zou het niet moeijelijk zijn een geducht argument zamen te

stellen tegen de betrekking tusschen echtgenooten onderling,

of tusschen ouders en hunne kinderen, of voogden en pupillen;

want duizende vrouwen en kinderen en pupillen zijn mishandeld ja

zelfs vermoord geworden. Het is slecht, onverschoonbaar slecht,

om aan eenige maatschappelijke betrekking die buitensporigheden

ten laste te leggen, die slechts het gevolg zijn van de diepste

verdorvenheid der menschelijke natuur. De geheele roman draagt

van het begin tot het eind de kenmerken van eene belagchelijk

overdreven zucht om alles te generaliseren. De Oom Tom der

schrijfster is een volmaakte engel en hare zwarten zijn over het

algemeen halve engelen; haar Simon Legree is een volmaakte duivel,

en hare blanken zijn over het algemeen halve duivels. Zij heeft

ook een zekeren wrevel tegen de geestelijkheid; en onder de velen,

die zij op verschillende plaatsen op het tapijt brengt, zijn allen,

op één onbeduidend persoon na, farizeën of huichelaars. Iemand,

die de Vereenigde Staten en zijne bewoners niet anders kende

dan uit hetgeen hij uit de Negerhut mogt bijeenzamelen, zou het

voor de eene of andere streek op de grenzen van het Rijk der

Duisternis moeten houden. Wij zeggen niet, dat Mevrouw Stowe door

kwade drijfveren tot het schrijven van haar werk werd aangespoord,

maar wij houden het er voor, dat zij een kwaad heeft gedaan, dat

geene onkunde kan verontschuldigen en geen berouw kan goed maken.

Van een zeer geacht correspondent te Richmond, Virginia, ontving de

schrijfster het volgende:

Ik wil dezen morgen u eenige weinige opmerkingen mededeelen,

die bij mij zijn ontstaan met betrekking tot volgende uitgaven

van uw werk "de Negerhut," dat, naar ik hoop, al den invloed zal

uitoefenen, waartoe het, dank zij uw talent, in staat is, niet

enkel buiten maar ook in den kring der slavernij zelven, waaruit

het tot nog toe wordt geweerd. Het beantwoordt wel door zijne

schoonheden aan de vereischten der kunst, en doet het menschelijk

gevoel eer aan, maar het zou, met opzigt tot de naauwkeurigheid

der feiten, die er in worden aangetroffen, kunnen verbeterd

worden, zonder dat het werk daardoor zou lijden. Zoo doet gij,

bij voorbeeld, het grootste onregt aan de stellige wetten der

Zuidelijke Staten, wanneer gij meer vertrouwt dan noodig is dat

het menschelijk gevoel van het publiek of van bijzondere personen

het kwaad zal verzachten, dat de wet veroorlooft.

Ik sluit hierin het volgende uittreksel uit een onzer zuidelijke

dagbladen:

"Dat zal ik wel beschikken. Zij zijn nog jong in het vak,

en zullen wel begrijpen, dat zij goedkoop moeten werken,"

antwoordde Marks, terwijl hij stil voortlas. "Drie ervan zijn

gemakkelijke karreweijen, want al wat zij te doen hebben is ze

dood te schieten, of te zweren dat zij doodgeschoten zijn; en

daar kunnen zij natuurlijk niet veel voor rekenen."

De lezer ziet dat in dit kostelijk gesprek twee aantijgingen

tegen het Zuiden liggen opgesloten;--vooreerst, de gewoonte

der slavenhouders in het zuiden om voor het terugbrengen van

gevlugte slaven, "dood of levend" eene belooning uit te loven; en

ten andere, dat de vervolgers in den regel hen doodschieten. En

daar dit dan ook de gemakkelijkste wijze is om de belooning te

verwerven, zouden wij ook wel geneigd zijn te gelooven, dat het

doodschieten in die gevallen de meest gebruikelijke is. Maar

wanneer een slavenhouder in het zuiden eene premie uitlooft voor

zijn weggeloopen slaaf, doet hij dit, omdat hij een zeker gedeelte

van zijne bezitting, vertegenwoordigd door den neger, dien hij

wenscht terug te bekomen, verloren heeft. Welke man uit Vermont,

wiens os of ezel is weggeloopen, zou terstond de halve waarde van

het dier uitloven, niet voor het doode ligchaam, dat nog tot eenig

nuttig doel zou zijn aan te wenden, maar tot voldoening zijner

wraakzucht? En toch staan die twee gevallen volkomen gelijk. Wat

aangaat de bewering, dat het in het Zuiden geoorloofd is met

geweren met twee loopen uit te gaan, om op gevlugte negers te

schieten, liever dan hen te vangen, wij kunnen alleen zeggen,

dat dit even slecht en baldadig als belagchelijk zou zijn. Er

kunnen deugnieten geweest zijn als Marks en Loker, die op zulk

eene baldadige wijze negers hebben gedood; maar zoo zij aan de

galg zijn ontkomen, zal men hen waarschijnlijk moeten zoeken in

onze tuchthuizen, waar op staatskosten behoorlijk voor hen gezorgd

wordt. De wetten der Staten van het Zuiden, die, even als bij alle

wel geordende Staten, de bescherming van personen en eigendommen

ten doel hebben, zijn niet zoo onoordeelkundig ontworpen, dat

zij haar doel missen daar waar persoon en eigendom één zijn.

"De wet betreffende het dooden van weggeloopen slaven is met

zooveel helderheid en juistheid uitgelegd door een regter in

Zuid-Carolina, dat wij niet kunnen nalaten zijne uitspraak, die

hier juist ter snede komt, mede te deelen. In de zaak van Witsell

tegen Earnest en Parker, drukte de regter Colcock volgenderwijze

het oordeel van het Hof uit:

"Volgens de wet van 1740 mag de blanke zijn slaaf kastijden of in

ligten graad straffen, wanneer hij wordt aangetroffen buiten de

plantage, waarop hij werkzaam is; en indien de slaaf den blanke

aanvalt, mag hij hem dooden; maar een slaaf, die slechts gevlugt

is, mag niet gedood worden. Wanneer wij den neger als persoon

beschouwen, hebben de beschuldigden ook de gewone wet tegen

zich; want zij worden door die wet niet gemagtigd hem als een

misdadiger te behandelen, en zonder die magt mogen zij hem het

leven niet ontnemen."

Verder leest men in den Roman:

"Men denkt gewoonlijk dat het eigenbelang in zulke gevallen

een voldoende waarborg is. Wanneer iemand verkiest zijne

eigene bezittingen te vernielen, weet ik niet wat er aan te

doen is. Het schijnt dat die arme vrouw eene diefegge en aan

den drank was, en dus kan men niet hopen, dat men iemand zal

kunnen bewegen om zich aan haar te laten gelegen liggen."

"Het is ontzettend--het is afschuwelijk, Augustine! Het zal

zeker eens oordeel over u brengen."

"Lieve Nicht, ik heb het niet gedaan en ik kan het niet

verhelpen; ik zou wel willen, als ik maar kon. Als gemeene,

ruwe kerels, naar hunnen aard willen handelen, wat zal

ik er dan aan doen. Zij hebben onbeperkte magt; zij zijn

onverantwoordelijke despoten. Het zou niet baten zich met

hen te willen bemoeijen; er is geene wet, die in zulk een

geval van wezenlijke hulp is. Het beste, dat wij kunnen doen,

is oogen en ooren sluiten, en het maar zoo te laten. Dat is

het eenige wat ons overschiet."

En verder zegt St. Clare in hetzelfde gesprek.

"Uit barmhartigheid, uit schaamte, omdat wij menschen zijn,

uit vrouwen geboren en geene wilde dieren, willen velen van

ons niet, durven velen van ons niet--achten wij ons te goed,

om de volle magt te gebruiken, die onze gruwelijke wet in onze

handen stelt. En hij, die het verste gaat en het ergste doet,

gebruikt nog maar met mate de magt, die de wet hem geeft."

Mevrouw Stowe zegt ons door den mond van St. Clare; dat er geen

wet is die in zulke gevallen voorziet, en dat hij, die het verste

gaat en het ergste doet--dat is hem een oog of een ligchaamsdeel of

zelfs het leven ontneemt,--nog maar de magt gebruikt die de wet hem

geeft. Dit is eene schrikkelijke, eene vreeselijke beschuldiging,

die ligtvaardig en zonder bewijzen daar neer geworpen, op hem, die

ze uitspreekt, eene groote verantwoordelijkheid doet rusten. Gaan

wij na hoe het Wetboek van Louisiana over dit punt spreekt. Wanneer

de lezer het Burgerlijke Wetboek van dien Staat inziet, zal hij

in het derde hoofdstuk, art. 173, deze algemeene verklaring vinden:

"De slaaf is geheel ondergeschikt aan den wil van zijn meester,

die hem mag kastijden en straffen, maar niet met overdreven

gestrengheid, of zoodanig, dat verlamming of verminking er het

gevolg van kan zijn, of zijn leven in gevaar wordt gesteld of

zijn dood veroorzaakt."

Op eene volgende bladzijde van hetzelfde deel en hoofdstuk, onder

art. 192, vinden wij een maatregel tot bescherming van den slaaf

tegen mishandelingen van zijn meester, in de bepaling welke een

van de twee gevallen aangeeft, waarin een eigenaar gedwongen kan

worden zijn slaaf te verkoopen. Daar staat:

"Wanneer de bewijzen aanwezig zijn, dat de eigenaar zijne slaven

heeft mishandeld en de regter het oorbaar keurt, behalve het

opleggen der voor die gevallen vastgestelde straf, ook het in

het openbaar verkoopen van den slaaf te bevelen ten einde dezen

buiten het bereik te stellen der magt, waarvan de eigenaar misbruik

heeft gemaakt."

Eene wet, welke op die wijze waakt voor de veiligheid van lijf

en leven des negers beperkt zich niet tot loutere voorschriften,

maar spreekt ook straffen uit voor het geval, dat daarop inbreuk

wordt gemaakt. In den Code Noir van Louisiana, wordt, onder het

hoofdstuk misdaden en misdrijven, no. 55, § XVI gezegd:

"Indien iemand, wie ook, willens en wetens zijn slaaf of den

slaaf van een ander doodt, zal hij, wanneer zijne daad bewezen is,

overeenkomstig de wet worden behandeld en gestraft.

"En omdat een neger niet als getuige voor de Regtbank kan optreden,

en het bewijs van zulke misdaden dus moeijelijk zou te leveren

zijn, is verder bepaald, dat:

"Indien een slaaf verminkt, geslagen of mishandeld is, in strijd

met de bedoeling van deze wet, zonder dat daarbij eenige getuige

aanwezig is, zal in dat geval de eigenaar, of ieder ander persoon,

die over den aldus verminkten slaaf gesteld was, verantwoordelijk

voor en schuldig aan die daad verklaard worden en zonder verder

bewijs worden veroordeeld, tenzij gezegde eigenaar of persoon

voornoemd, het tegendeel kan aantoonen door middel van een goed

en deugdelijk bewijs, of zich zelven van de beschuldiging kan

zuiveren door eenen eed, welken eed elke Regtbank, die met het

onderzoek en de behandeling van zulk eene misdaad belast is,

door deze wet gemagtigd wordt af te nemen."

Dit zij genoeg om de valschheid der stelling te bewijzen, die

de schrijfster St. Clare in den mond legt, dat wreede meesters

onverantwoordelijke dwingelanden zijn; althans in Louisiana. Het

zou ons overzigt te uitgebreid maken, indien wij ons ten taak

stelden al de wetten mede te deelen, die in elk der Zuidelijke

Staten met betrekking tot het dooden van slaven bestaan. Die

misdaad is zeldzaam en het is dan ook slechts bij uitzondering

dat men in de dagbladen daarvan vindt melding gemaakt. Wij kunnen

echter van twee gevallen spreken. In de zaak van Fields tegen

den Staat Tennessee was de appellant door de regtbank van Maury

beschuldigd van moord op een negerslaaf; ofschoon hij de misdaad

ontkend had, was hij schuldig verklaard aan het opzettelijk en

misdadig dooden van den slaaf. Van dit vonnis was hij in appel

gekomen, maar het appel werd verworpen en het Hof bekrachtigde

het vonnis in eersten aanleg gewezen. De uitspraak van het Hof,

bij monde van den regter Peek, getuigt voor den verlichten geest

en het menschelijk gevoel des regters. De conclusie luidt aldus:

"Zeer juist heeft een der regters in Noord-Carolina gezegd, dat

de eigenaar het regt heeft om door zijn slaaf meer arbeid te

doen verrigten, en de slaaf geen regt heeft zich daartegen te

verzetten; maar dit geeft den meester geen regt over het leven

van den slaaf. Bij de uitspraak van dien regter voeg ik nog dit,

dat de wet, die zegt: "gij zult niet doodslaan", ook den slaaf

beschermt en hij door de letter zelve gedekt wordt. De wet, de

rede, de Christelijke leer, en de menschelijkheid stemmen hierin

allen overeen."

Door het Hoog Geregtshof van Virginia werd in 1851, in de zaak

van Souther tegen den Staat, uitgewezen, dat het dooden van een

slaaf, door opzettelijk en wreedaardig geeselen, manslag is,

al mogt het oogmerk van den eigenaar ook niet geweest zijn den

slaaf te dooden."

De schrijfster legt dus volstrekte onkunde met de wet en de

contracten in het Zuiden, die over slaven handelen, aan den dag,

wanneer zij George door zijnen meester uit de fabriek doet nemen,

zonder de toestemming van den eigenaar. George is, krachtens

het contract waarbij hij is verhuurd, het eigendom geworden van

den eigenaar voor den bij het contract bepaalden tijd, en zijn

meester kan hem evenmin met geweld terugnemen als de eigenaar van

een huis in Massachusetts den huurder daaruit kan doen zetten uit

louter willekeur of grilligheid. Er is geene regtbank in Kentucky,

die de regten van den huurder niet in dit opzigt zou handhaven.

Nog lezen wij:

"Neen. Mijn vader kocht haar eens, toen hij te Nieuw-Orleans

was, en bragt haar mede als een presentje voor mijne

moeder. Zij was toen omtrent acht of negen jaar oud. Vader

wilde moeder nooit zeggen, wat hij voor haar gaf; maar toen ik

later zijne oude papieren nazag, vond ik den koopbrief. Hij

had inderdaad eene buitensporige som voor haar betaald,

waarschijnlijk om hare ongemeene schoonheid."

"George zat met zijn rug naar Cassy en lette niet op de

vurige belangstelling, die haar gelaat uitdrukte, toen hij

deze bijzonderheden vermeldde.

"Nu stiet zij hem aan den arm en zeide, bleek van aandoening

en angstige spanning: "Weet gij ook van wien hij haar kocht?"

"Een man die Simmons heette was, geloof ik, de principaal

bij den verkoop, ten minste dat was, als ik mij wel bedenk,

de naam die onder den koopbrief stond."

"O, mijn God!" zeide Cassy, en zonk bewusteloos op den grond."

Kortom, Eliza blijkt Cassy's kind te zijn, en wij worden dan ook

spoedig getuigen van de ontmoeting der bloedverwanten te Montreal,

waar George Harris, vijf of zes jaar na het tijdstip, waarop de

roman aanvangt, in ruime omstandigheden leeft.

Nu zal het misschien den lezer verwonderen, wanneer hij verneemt,

dat het verkoopen van Cassy zonder Eliza, waarop dit verhaal

geheel berust, eene gebeurtenis is, die nimmer in Louisiana kon

plaats hebben, en dat de verkoop-acte van Eliza de waarde zelfs

niet had van het papier, waarop zij geschreven was. En wel om de

volgende reden. George Shelby verhaalt, dat Eliza acht of negen

jaar oud was, toen zijn vader haar te New-Orleans kocht. Slaan

wij nu nogmaals een blik in het wetboek van Louisiana.

In den Code Noir vinden wij:

"Aan een ieder is het volstrekt verboden om, zonder hunne moeders,

kinderen te verkoopen, die niet den vollen leeftijd van tien jaar

bereikt hebben."

En deze menschlievende bepaling wordt nog versterkt door eene wet,

waarvan een der bepalingen aldus luidt:

"Terwijl verder wordt vastgesteld, dat, wanneer een of meer

personen de moeder van een of meer slavenkinderen onder den

leeftijd van tien jaar verkoopen, zonder gezegd kind of kinderen,

of, bij het leven der moeder, een of meer slavenkinderen, tien

jaren oud of jonger, zonder gezegde moeder verkoopen, zal op

die persoon of personen de straf van toepassing zijn in de zesde

afdeeling van deze wet omschreven.

Deze straf bestaat in eene boete van duizend tot twee duizend

dollars, en eene tuchthuisstraf van zes tot twaalf maanden. Zie

Wetten van Louisiana, Iste zitting, 1828, 1829, no. 24, afdeeling

XVI."

De schrijfster moet hier eene opmerking invoegen. In alle deelen der

Zuidelijken Staten treft men slavenhouders aan, die het alleen in

naam zijn. Zij zijn niet met het stelsel ingenomen; zij beschouwen

het als ten eenemale verkeerd, en toch houden zij er zich aan, alleen

omdat zij nog niet weten op welke wijze zij het best dat stelsel

veranderen en den toestand verbeteren kunnen van de slaven, die in

hun bezit zijn. De zoodanigen zijn de ijverigste kampvechters voor

de vrijmaking der slaven, en de vrienden van al wat, met zuivere

bedoelingen geschreven, daartoe strekt. Van deze ontvangt de

schrijfster steeds gaarne beoordeelingen van haar arbeid.

Zij heeft getracht op de meest volledige wijze alles openbaar te maken

wat tegen haar werk kan worden aangevoerd, opdat beide partijen de

gelegenheid mogten hebben om door onpartijdigen te worden gehoord.

Toen de schrijfster aan haar Negerhut arbeidde, onbewust van het gewigt

dat aan hare mededeelingen en denkbeelden zou worden gehecht, trachtte

zij, uit liefde voor de waarheid, zich eenige kennis te verwerven

van de wetten, betreffende de slavernij. Zij had tot hare dienst den

Code Noir van Louisiana en een overzigt over de slavenwetten in de

verschillende Staten, door den regter Stroud van Philadelphia. Dit

werk, dat met groote zorg is zamengesteld naar de laatste uitgaven

der wetboeken van de verschillende Staten, achtte de schrijfster een

voldoende gids bij het schrijven van een roman.

Daar evenwel de juistheid van verscheidene mededeelingen, de

slavenwetten betreffende, betwist is, heeft de schrijfster zich in

een grondiger onderzoek begeven. Onder leiding en bijstand van eenige

hooggeplaatste regterlijke ambtenaren, heeft zij de opgaven van Stroud

nagegaan met het oog op de bestaande wetten en in verband beschouwd

met de regterlijke uitspraken daarop gegrond. De uitslag daarvan

is geweest, dat zij nog versterkt is geworden in hare overtuiging,

dat de feiten, aan het werk van Stroud ontleend, juist waren, en zij

kan slechts de woorden van St. Clare herhalen, als de meest volmaakte

uitdrukking van de gevoelens en zienswijze, welke die studie bij haar

heeft opgewekt.

"Die vervloekte zaak, vervloekt door God en menschen, wat is

zij? Ontruk haar alle optooisel, zoek naar haren kern en haren

wortel, en wat is zij dan? Wel, omdat mijn broeder Quashy onkundig

en zwak is, en ik schrander en sterk ben--omdat ik weet hoe ik dat

kan doen en de magt heb--daarom mag ik alles stelen wat hij heeft,

het behouden, en hem alleen zooveel geven als mij belieft. Al wat

te zwaar, te vuil en te onaangenaam voor mij is, mag ik Quashy

laten doen. Omdat ik niet gaarne werk, zal Quashy werken. Omdat

de zon mij zengt, zal Quashy in de zon staan. Quashy zal het

geld verdienen, en ik zal het verteren. Quashy zal zich in een

modderplas leggen, opdat ik er droogvoets kan overstappen. Quashy

zal mijn wil doen en niet den zijnen, al de dagen van zijn leven

op de aarde, en eindelijk alleen zooveel kans op den hemel hebben,

als mij gelegen komt. Dit houd ik ten naastenbij voor hetgeen

de slavernij is. Ik tart iedereen uit, om ons slavenwetboek te

lezen, gelijk het in onze wetten staat, en er iets anders van

te maken. Men praat van misbruiken der slavernij! Draaijerij! De

zaak zelve is een gruwelijk misbruik. En de eenige reden, waarom

het land er niet onder verzinkt, gelijk Sodom en Gomorra, is omdat

zij oneindig beter wordt gebruikt dan zij is, uit barmhartigheid,

uit schaamte, omdat wij menschen zijn, uit vrouwen geboren, en

geene wilde dieren, willen velen van ons niet, durven velen van

ons niet--achten wij ons te goed, om de volle magt te gebruiken,

die onze gruwelijke wet in onze handen stelt. En hij, die het

verste gaat en het ergste doet, gebruikt nog maar met mate de magt,

die de wet hem geeft."

Nog blijft schrijfster dezes bij hare meening, dat de slavernij zelve

als in de wetboeken aangenomen en gehandhaafd door de uitspraak der

regtbanken, reeds misbruik en de aanleiding tot misbruik is; en nog

koestert zij de hoop, dat er velen zijn in het Zuiden, die oneindig

beter zijn, dan de wetten, waaronder zij leven; en wanneer de lezers al

de uittreksels gelezen hebben, welke zij voornemens is te maken, zullen

zij ter wille der gansche menschheid hetzelfde hopen. De schrijfster

moet hier, ten aanzien van eenige aanhalingen, de verklaring afleggen,

dat sommige regtsgedingen haar zoo ongeloofelijk voorkwamen, dat zij

ze niet heeft willen aannemen op het gezag van de eene of andere

verzameling, maar met eigen hand ze heeft overgeschreven uit de

laatste uitgave van het wetboek, waarin zij te vinden waren en nog

te vinden zijn.

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut · 第 54 / 220 题