Topsy is de vertegenwoordigster eener groote klasse van kinderen, die
onder het stelsel der slavernij opgroeijen--levendig, vlug, slim en
schrander, schijnbaar verstoken van alle geweten en zedelijk gevoel,
scherpzigtig, door een instinct, dat in het kinderlijke gemoed bestaat,
voor de vernedering van hunnen toestand en de volslagene hopeloosheid
om zich daarboven te verheffen; gevoelende dat hunne zwarte huid,
gelijk het teeken van Kaïn, een kenmerk van verworpenheid en schande
is, en door zekere geheime wanhoop aangedreven om "hunne roeping en
verkiezing" in de zonde "zeker te maken."
Christelijke menschen zijn dikwijls zeer verbaasd en ontmoedigd
geworden, even als miss Ophelia was, bij de poging om zulke kinderen
zedelijk en Christelijk op te voeden, onder eenen staat van zaken,
welke elken prikkel wegneemt, dien God bedoelde, dat heilzaam op het
menschelijk gemoed zou werken.
Wij spreken nu niet alleen van de zuidelijke Staten, maar ook
van de Nieuw-Engelsche Stalen; want, hoe vreemd het moge klinken,
de slavernij is in de vrije Staten van het Noorden nog niet geheel
afgeschaft. Het onchristelijkste gedeelte daarvan, dat hetwelk haar
alle bitterheid en scherpte geeft, is grootendeels niet herroepen;
namelijk het daadwerkelijke onthouden van de regten der menschelijke
broederschap aan den Neger. Ten gevolgen daarvan is Topsy een karakter,
dat men zoo wel in het Noorden als in het Zuiden vinden kan.
Bij de besturen der opvoeding van gekleurde kinderen, negers, mulatten
en quadronen, heeft de schrijfster dikwijls deze omstandigheden
opgemerkt:--dat zij voor zekeren tijd en tot op zekeren ouderdom,
gelijk bleven met de blanke kinderen, met welke zij werden onderwezen,
of deze zelfs vooruit kwamen; maar dat er een tijd kwam, waarop zij
onverschillig voor het leeren werden en geene verdere vorderingen
maakten. Dit gebeurde altijd op dien ouderdom, wanneer zij oud
genoeg waren om over het leven na te denken en te bemerken, dat de
maatschappij hun geene plaats had aan te bieden, waarop meer zou
vereischt worden, dan de ruwste en eerste beginselen van kennis.
Laten wij bedenken hoe het met onze eigene kinderen gelegen is; hoe
weinigen van hen uit enkele zucht om te leeren ooit aanmerkelijke
kundigheden of talenten zouden verkrijgen.
Onder den arbeid, noodzakelijk om eene fraaije hand te leeren
schrijven, om zich eigenaardigheden eener taal eigen te maken, of de
moeijelijkheden van wiskundige studiën te overwinnen, hoe dikwijls
verflaauwt dan de volharding van een kind, en moet het door ouders en
meesters worden aangespoord met zulke bedenkingen als deze: "Het zal in
zulken of zulken levensstand voor u noodig zijn, die kundigheid of dat
talent te bezitten. Hoe zoudt gij ooit koopman kunnen worden zonder
het rekenen te verstaan? Hoe zoudt gij aan een vak van geleerdheid
kunnen beginnen, zonder talen te kennen? Als gij onkundig en lomp zijt,
kunt gij in de maatschappij niet den rang van gentleman innemen."
Weet niet iedereen dat, zonder den prikkel dien ouders en meesters
aldus gedurig aanwenden, eene menigte van kinderen nooit zelfs maar
tamelijke vorderingen zou maken? En is het niet het gebrek van al
zulke prikkels, die het negerkind belet eveneens vooruit te gaan?
Het is het geslacht der Negers dikwijls te last gelegd, dat zij
ligtzinnig en ijdel zijn, hartstogtelijk op praal en pronk gesteld,
en alleen in beuzelingen belang stellen. En wie is voor dat alles te
laken? Ontneem eene klasse alle hoogere uitzigten, alle edele eerzucht,
en wat blijft haar over om belang in te stellen dan beuzelingen?
De tegenwoordige Procureur-Generaal van Liberia, Mr. Lewis, is een
man die door zijne talenten en bedrevenheid in zijn vak de hoogste
achting heeft verworven; en toch zegt men dat hij, terwijl hij
in Amerika was, gelijk vele andere jonge kleurlingen, zich alleen
door ligtzinnigheid en zucht voor opschik onderscheidde. Wat bragt
die verandering in Lewis te weeg, nadat hij zich naar Liberia had
begeven? Wie ziet het antwoord niet? Verlangt iemand te weten, wat
er geschreven is op het zegel, dat den grooten steen bewaart boven
het graf van den Afrikaanschen geest? Het is dit--wat de arme Topsy
met zooveel waarheid zeide:--"Niets anders dan een neger."
Het is dit, in de ziel gebrand door het brandijzer eener wreede,
onchristelijke verachting, dat eene diepere en ergere wonde is,
dan al de ligchamelijke onheilen der slavernij te zamen.
Nooit was er een slaaf, die dit niet gevoelde. Diep, diep omlaag in
de donkere, stille wateren zijner ziel is de overtuiging, zwaarder
en bitterder dan iets anders, dat hij niet voor een mensch wordt
gehouden. In dit opzigt kan de getuigenis worden aangevoerd van iemand,
die door bittere ondervinding de gal en den alsem der slavernij
heeft gekend. De volgende brief is van Dr. Pennington ontvangen,
tot antwoord op eenige vragen der schrijfster:
New-York, Laurens-street, No. 50, 30 Nov. 1852.
Hooggeachte Mevrouw!
Ik heb uwen vriendelijken brief, tot antwoord op den mijnen van
den 15den dezer, wel ontvangen, waarin gij zegt, "dat gij brandend
nieuwsgierig zijt om te weten, in hoe verre gij het hart van
den slaaf wel hebt geraden." Gij geeft mij uw denkbeeld in deze
woorden: "Er ligt in het hart van den schijnbaar onverschilligen
en dommen slaaf eene bloedende plek begraven, die bloedt en steekt,
hoewel hij naauwelijks zou kunnen zeggen waarom, en deze pijnlijke
plek is het vernederende van zijnen toestand."
Nadat ik van de plantaadje van Dr. Tilghman, in Washington
County, Md. ontsnapte, waar ik als slaaf gehouden werd en als
hoefsmid werkte, kwam ik naar den Staat Pennsylvania, en nadat
ik hier eenige lotwisselingen had ondergaan, waarvan in mijn
gedrukt verhaal gesproken is, ging ik naar den Staat New-York,
in mijn gemoed zeker onbeschrijfelijk gevoel van rampzaligheid
mede nemende. Men plagt op het goed van Dr. Tilghman van mij te
zeggen: "Die smid Jemmy is een schrandere kerel; stille wateren
zijn diep." Maar ik beken, dat de smid Jemmy niet schrander genoeg
was, om de oorzaak van zijne eigene rampzaligheid te begrijpen. De
stroom van het stille water mag diep zijn geweest, maar hij reikte
toch niet tot die geduchte bedding van lava.
Somtijds dacht ik, dat dit gevoel veroorzaakt werd door
eene nog schuilende vrees van verraden te worden. Er was
geene Waakzaamheids-commissie in dien tijd--er waren slechts
anti-slavernijgezinden. Ik was naar het Noorden gekomen met mijn
geheim in mijne eigene borst. Ik had eene vrouw getrouwd, en haar
niet gezegd dat ik een vlugteling was. Niemand van mijne vrienden
wist het. Ik kende de middelen tot beveiliging niet, en was dus
in gedurige vrees van iemand te ontmoeten, die mij verraden zou.
Het duurde twee volle jaren, eer ik mijn hoofd kon ophouden;
maar nog droeg ik dat gevoel met mij om. Toen ik in 1846 mijn
gemoed als vlugteling voor Mr. John Hooker had geopend, vond
ik eene groote verligting in de gedachte: "God dank, er is een
medemensch in het harde, oude Connecticut, die mijnen nood kent."
Toen ik kort daarop naar het eiland Jamaïca overvoer, en daar
aan land stappende, kleurlingen zag in al die rangen van het
burgerlijke en gezellige leven, waar ik in dit land blanken had
gezien, kreeg dat gevoel van rampzaligheid eene aanmerkelijke
verligting, alsof juist de regte soort van balsem op eene pijnlijke
zweer was gelegd. Daar had ik de getuigenis voor mijne oogen,
dat de kleurling meer dan "een Neger" was. Ik ging naar het
"House of Assembly" in Spanish Town, waar vijftien van de vijf en
veertig leden kleurlingen waren. Ik ging naar de geregtshoven,
waar ik in de bank der gezworenen kleurlingen en blanken bij
elkander, en voor de balie gekleurde en blanke advokaten zag. Ik
ging naar den Gemeenteraad van Kingston; daar vond ik mannen van
verschillende kleur. Zoo in al de koopmanskantoren, enz. enz.
Doch er bleef nog dit bezwaar. Iemand zegt: "Dit is niets anders
dan een neger-eiland." Nu is dus mijn oud verdriet teruggekomen,
"een Neger onder Negers, is nog maar een Neger."
In 1849, toen ik mijn tweede bezoek van Groot-Brittanje ondernam,
besloot ik mijne reis en mijnen omgang met de beste klasse van
menschen te verlengen en voort te zetten, om te beproeven of ik dat
oude, lastige spooksel geheel uit mijn gemoed kon verbannen. In
Engeland, Schotland, Wallis, Frankrijk, Duitschland, België en
Pruissen, heb ik al mijne krachten met inspanning op dit eene
doel gerigt: "Ik wil een mensch wezen, en dezen vijand dooden,
die mij langer dan twintig jaren heeft vervolgd." Ik geloof
dat mij dit grootendeels gelukt is; ten minste ik heb nu geene
moeite meer, om mij met blanken als mensch op gelijken rang te
plaatsen. Mijne Europesche reis was zeker nuttig, omdat ik op
een onpartijdige en vereerende proef werd gesteld. Ik had over
niets te klagen. Ik kreeg wat men eenen mensch verschuldigd was,
en men verwachtte dat ik doen zou, wat de mensch aan den mensch
verschuldigd is. Ik zocht niet als een lievelings-diertje behandeld
te worden. Ik spande mij in het gareel en arbeidde mannelijk op
de eerste predikstoelen en op de tribunes van vrede-congressen,
vergaderingen, feesten enz.," en met al deze oefeningen kwam dat
oude, roestige ijzer uit mijne ziel, en bleef er uit.
Gij zegt dat gij nooit een slaaf hebt gezien, hoe onbezorgd en
vrolijk ook, die deze pijnlijke plek niet had, en niet huiverde
of kwaad werd, als daarop een vinger werd gelegd. Ik zie dat gij
het neger-karakter naauwkeurig hebt waargenomen.
Zoo ver ik uw denkbeeld begrijp, gevoel ik dat gij volkomen
gelijk hebt.
O, Mrs. Stowe! de slavernij is een geducht stelsel! Het neemt
den mensch, gelijk God hem geschapen heeft, het vergruist hem en
herschept hem dan tot een wanschepsel!
U gezondheid wenschende en voorspoed in uw moeijelijk werk,
ben ik met hoogachting de uwe,
J. W. C. Pennington.
Menschen van verstand, die het opzigt over slaven hebben gehad, hebben
dikwijls tegen de schrijfster aangemerkt: "Zij zijn een zonderling,
grillig volk; gij kunt veel meer met hen doen, door sommigen van
hunne vooroordeelen te vleijen, dan door hun de gewigtigste wezenlijke
gunsten te bewijzen." Op de vraag, welke vooroordeelen dit waren, was
dan het antwoord: "Zij hebben gaarne, dat hunne bruiloften met pracht
gevierd worden, en dat men veel werk maakt van hunne begrafenissen,
en zij gaan gaarne naar gezelschappen, gekleed als blanken, om zich
daar geheel als blanken te houden; en zij willen dikwijls ligchamelijke
ongemakken voor lief nemen en zeer zwaar werken, als men hun in deze
opzigten hunnen zin geeft."
Kan iemand zonder medelijden hieraan denken? Arme zielen, gewillig
om zooveel te dragen, alleen voor deze geringe erkentenis hunner
gemeenschappelijke menschheid. Hunne bruiloften en begrafenissen
te vereeren, is in zekere mate te erkennen, dat zij menschen zijn,
en daarom stellen zij prijs daarop. Hier zien wij de reden der
hartstogtelijke gehechtheid, welke een getrouwe slaaf dikwijls
voor een goed meester toont. Het is als het ware een overgeven
zijner persoonlijkheid aan den meester. Eene strenge wet en
eene onchristelijke publieke opinie hebben zijn geboorteregt van
menschelijkheid weggenomen, zijn naam op de lijst der menschen
doorgehaald en hem tot een basterdschepsel gemaakt--noch mensch
noch beest. Wanneer een goed meester zijne menschelijkheid erkent,
en hem als een nederig medgezel en vriend behandelt, is de dankbare
gehechtheid, welke hij daardoor opwekt, eindeloos. Hij is voor den
slaaf een verlosser van den vloek, die op geheel zijn ongelukkig
geslacht rust. Beroofd van alle wettige regten en vrijheden, van
alle gelegenheid of hoop van persoonlijke verheffing of eer, stort
hij als het ware geheel zijn aanzijn in dat van zijnen meester over,
en eigent zich zoo zijne regten, zijnen stand, zijne eer toe; en
aldus geniet hij zeker teruggekaatst gevoel van wat het wezen zou,
zelf een mensch te zijn. Van daar dat men zich zelden vruchteloos op
de edelmoedige zijde van het negerkarakter beroept.
Eene bekende der schrijfster was met een heer in Louisiana getrouwd,
die eigenaar van over de acht honderd slaven was. Natuurlijk had hij
een grooten stoet van huisbedienden. Toen zij hare taak zou aanvaarden,
werd haar gewaarschuwd, dat de bedienden allen zoo diefachtig waren,
dat zij, even als alle andere huishoudsters, verpligt zou zijn om
alles achter slot te houden. Zij gaf echter haar voornemen te kennen,
om hare bedienden zoodanig te behandelen, dat dit onnoodig was. Men
lachte om hare hersenschimmige gedachten, maar zij besloot toch die
ten uitvoer te brengen. Hare handelwijs was de volgende:--Zij riep al
de huisbedienden bijeen, zeide hun, dat het een groote last voor haar
zou zijn, als zij genoodzaakt was, om alles voor hen weggesloten te
houden; dat zij gehoord had, dat zij niet allen te vertrouwen waren,
maar dat zij niet nalaten kon te hopen, dat zij veel beter waren,
dan men hen aan haar had voorgesteld. Verder zeide zij hun, dat
zij overvloedig in al hunne behoeften zou voorzien, en dat zij hare
provisie ongesloten zou laten en op hunne eer vertrouwen.
Het denkbeeld, dat men hen in staat achtte om eer te hebben,
roerde eene nieuwe snaar in ieders hart. De bedienden schenen zeer
dankbaar voor dit vertrouwen, en de opgewektheid onder hen was groot
en algemeen; de oudsten en ernstigsten gaven zich moeite, om over
de kinderen te waken, opdat er niets gedaan mogt worden, dat dezen
nieuw gevonden schat van eer weder deed verloren gaan.
Eindelijk ontdekte de dame evenwel, dat er door het jeugdige gedeelte
van het huishouden roof van haren koek werd gepleegd; zij liet dus
al de bedienden weder bijeenkomen, en deelde hun deze omstandigheid
mede. Zij merkte aan, dat het niet om de waarde van den koek was, maar
dat het haar speet, daar zij wel gevoelen moesten, dat het haar niet
aangenaam zou zijn, wanneer die door dezen en genen betast en beduimeld
werd, en dat zij daarom een stuk koek op eene tafel of andere gelegene
plaats zou zetten, en iedereen, die trek daarin had, zou verzoeken om
daar te gaan en zich er van te bedienen, en het overige onaangeroerd
in de kast laten blijven. Zij verklaart, dat de koek op de tafel
bleef staan en verdroogde, zonder dat er een brokje van genomen werd,
en dat zij naderhand nooit eenigen last in dit opzigt had.
Eenigen tijd later werd er een nieuw rijtuig gekocht, en op een
nacht werd de lederen koffer vermist. Eer haar echtgenoot tijd had,
om te dien aanzien eenigen maatregel te nemen, hadden de huisbedienden
onder elkander eene vergadering belegd en naar het misdrijf onderzoek
gedaan. De koffer werd gevonden en spoedig teruggebragt, hoewel zij
aan hunnen meester en meesteres den naam des schuldigen niet wilden
openbaren.
Eene andere anecdote, door deze dame verhaald, geeft een voorbeeld
van die bijzondere gehechtheid van eenen slaaf aan eenen goeden
meester, waarvan boven melding is gemaakt. Haar echtgenoot kwam
door een plotseling ongelukkig toeval aan zijnen dood. Hij had een
persoonlijk vertrouwd bediende, die van zijne kindschheid af met hem
was opgegroeid. Deze bediende was zoo zeer door smart overstelpt,
dat hij bijna versuft was. Op den dag der begrafenis vroeg hem de
broeder van zijnen overleden meester, of hij zekere boodschap voor
zijne meesteres had verrigt. De bediende antwoordde, dat hij het
vergeten had. Niet bemerkende wat de man op het oogenblik gevoelde,
zeide de heer: "Het verwondert mij, dat gij een bevel van uwe meesteres
verzuimt, nu zij in zulke droefheid is."
Dit gezegde was de laatste droppel in den vollen kelk. De arme man zonk
geheel bewusteloos op den grond neer, en men moest bijna twee uren
lang alle mogelijke middelen aanwenden om hem tot het leven terug te
brengen. De geneesheer verklaarde zijnen toestand door te zeggen, dat
al het bloed in zijn ligchaam zoodanig naar het hart was gestroomd,
dat dit orgaan werkelijk in gevaar was geweest van te barsten--hij
zou dan letterlijk aan een gebroken hart gestorven zijn.
Miss Ophelia's gemoedelijke maar mislukte pogingen ter opvoeding van
Topsy kunnen aanleiding tot eenige overwegingen geven.
De maatschappij heeft nog groote behoefte aan veel verlichting ten
aanzien van de middelen om ondeugenden en bedorvenen tot de deugd
terug te brengen.
Men heeft verkeerdelijk ondersteld, dat bij verbasterde en
verdierlijkte karakters alleen grove en geweldige middelen konden
baten; en toch hebben zij, die in dit opzigt de meeste ervaring
bezitten, bevonden, dat het slagen hunner pogingen onder deze
klasse der maatschappij in juiste evenredigheid heeft gestaan met de
kieschheid en vriendelijkheid hunner behandeling.
Lord Shaftesbury, die zulk eene eervolle vermaardheid heeft verworven
door zijne menschlievende belangstelling in de pogingen tot verbetering
der verbasterde lagere klassen van zijn eigen land, zegt in eenen
brief, dien de schrijfster onlangs van hem ontvangen heeft:
Wat Topsy aangaat hebt gij gelijk; onze havelooze scholen
kunnen u vele voorbeelden leveren van kinderen, verhard door
kwade behandeling en verwaarloozing, die door het eerste woord
van vriendelijkheid tot tranen bewogen en gezeggelijk gemaakt
werden. Zulk een woord schept nieuwe aandoeningen, ontwikkelt als
het ware eene nieuwe natuur, en brengt den rampzaligen balling
tot het geslacht der menschen terug."
Pogingen welke onlangs onder ongelukkige vrouwen in de ergste wijken
van New-York zijn aangewend, toonen hetzelfde. Wat is het dat het
diepste in de borst eener gevallene vrouw kankert, dat haar zoo
hopeloos en onverbeterlijk maakt? Het is het brandende gevoel van
vernedering, dat ondragelijker is dan koude of honger, en haar doet
huiveren voor het gezigt van eenen zendeling of philantroop. Zij
die deze verblijven van wanhoop en ellende hebben bezocht, hebben
geleerd, dat zij de gebrokene harp der menschelijke ziel zacht moeten
behandelen, als zij haar weder tot hemelsche muziek willen besnaren;
dat zij gevoel van eigenwaarde en hoop moeten opwekken, of de banden
des doods kunnen nooit verbroken worden.
Laten wij het Evangelie van Christus onderzoeken en zien door
welke middelen het ons noodigt en dringt. Van welken aard zijn
de beweegredenen, die ons hart vermurwd en onzen wil vernieuwd
hebben? Zijn zij geene opwekkingen der beste en edelste aandoeningen
van ons gemoed? Hooren wij niet, van Eenen, schooner dan de zonen
der menschen--van Eenen, heerschende in onsterfelijkheid, die ons
zoo lief had, dat hij smart, gebrek en schande, ja zelfs den dood om
onzentwil dragen kon?
Wanneer Christus tot de ziel spreekt, smoort hij dan een van hare
edelste vermogens? Verwijt hij ons smalend onze vernedering, onze
eigenliefde, de bekrompenheid onzer begrippen, de zwakheid van ons
verstand, met de zijne vergeleken? Is het niet waar, dat hij ons
niet alleen van onze zonden verlost, maar ons ook verlost op de
bedachtzaamste, teederste, ons gevoel en leed meest verschoonende
wijze? Zegt de Bijbel ons niet, dat hij, om zijne taak van Verlosser
des te volkomener te vervullen, den staat der menschheid op zich nam
en de smarten, behoeften en verzoekingen van een sterfelijk aanzijn
verdroeg, opdat hij voor ons een verschoonend vriend zou zijn,
"die medelijden kon hebben met onze zwakheden," en ons vriendelijk
aanmoedigt op den moeijelijken weg om tot de deugd terug te keeren?
O, wanneer zullen wij, die zoo veel van Jezus Christus ontvangen
hebben, leeren dit te vergelden met daden van liefde voor onze arme
broederen! Wanneer zullen wij Christelijk worden en niet menschelijk,
in onze pogingen om gevallenen en afgedwaalden teregt te brengen!