James Steward."

Het schijnt dat deze landbouwkundige verklaart dezen buitengewonen

uitslag te hebben verkregen, met wat hij het uitschot van een troep

noemt; en om zijnen roem daarop des te hooger te verheffen, berigt hij

het publiek omstandig, dat er geene "able bodied" arbeiders gebezigd

werden; dat deze geheele triomf behaald werd met vrouwen en kinderen

en twee zieke mannen; met andere woorden, hij roemt er op dat hij uit

vrouwen, kinderen, zwakken en zieken 4880 pond schoon geplukt katoen

op eenen dag heeft gehaald; en dat hij een van deze arbeiders 1900

pond schoon katoen in eene week heeft doen plukken! en voegt er met

zelfvoldoening bij, dat wanneer een zijner landbouwkundige vrienden

dit overtreft, in denzelfden tijd en onder zonneschijn, hij "nog eens

zal beproeven."

Zal nu een onzer lezers het opgebruiken der arbeiders op de plantaadje

van Legree nog voor eene overdrijving houden? En zie met hoe veel

voldoening dit verslag door den redacteur wordt aangekondigd, als

iets zeer prijselijks en lofwaardigs.

"Ziet het loon der werklieden, die uwe landen gemaaid hebben, hetwelk

van u verkort is, roept; en het geschrei dergenen, die geoogst hebben,

is gekomen tot in de ooren van den Heere Sabaôth."

Dat de beschrijvingen van het huis, de manier van huishouden

en kortom het geheele leven op de plantaadje van Legree, geene

fabelachtige verdichtselen of overdrevene schilderingen van slechts

bij uitzondering voorkomende gevallen zijn, daarvan heeft de wereld

overvloedige getuigenissen, en heeft deze reeds een aantal jaren

gehad. Laat de lezer de volgende getuigenis aangaande de woningen

der Negers overwegen, welke de wereld in het werk van Mr. Weld eenige

jaren onder de oogen heeft gehad. Daaruit blijkt de staat van zaken

in dit opzigt, ten minste tot aan het jaar 1838.

Mr. Stephen E. Maltby, inspecteur van levensmiddelen, Skaneateles,

New-York, die in Alabama heeft gewoond.--"De hutten, waarin

de slaven sliepen, hadden doorgaans maar een vertrek, en dat

zonder vloer."

Mr. George A. Avery, ouderling van de vierde Presbyteriaansche

kerk, Rochester, New-York, die vier jaren in Virginia heeft

gewoond.--"Onder al de negerhutten, die ik in Virginia zag, kan

ik er mij niet een herinneren, waarin een andere vloer was dan

de aarde, of iets, dat een noordelijk arbeider of handwerksman,

blank of gekleurd, een bed zou noemen, of eene enkele afschutting

tot afzondering der seksen."

Mr. William Ladd, Minot, Maine, president van het Amerikaansche

Vrede-genootschap, voorheen slavenhouder in Florida.--"De woningen

der slaven waren hutten, door hen zelven van palen en staken

gebouwd en met palmbladeren gedekt. De deur, als zij er een

hadden, was van dezelfde stoffen, somtijds van planken op den

oever gevonden. Zij hadden geene vloeren, geene afzonderlijke

vertrekken; behalve dat de Guinesche Negers somtijds eene kleine

afsluiting voor hunne "god-huizen" hadden. Deze hutten bouwden

de slaven zelven, na hunne taak en op Zondag."

De Eerw. Joseph M. Sadd, leeraar der Presbyteriaansche kerk,

Castile, Greene County, New-York, die voor 1837 vijf jaren in

Missouri leefde.--"De slaven leven algemeen in ellendige hutten,

die zonder vloeren zijn, en hebben slechts een enkel vertrek,

waarin beide seksen door elkander opeengepakt zijn."

Mr. George W. Westgate, lid der Congregationale kerk, Quincy,

Illinois, die een aantal jaren in de slavenstaten heeft

doorgebragt.--"Op oude plantaadjes zijn de negerkwartieren van

latten en planken gemaakt, die zelden eene genoegzame beschutting

voor wind of regen geven; hunne grootte verschilt van acht bij

tien, tot tien bij twaalf voet, en zes of acht voet hoogte;

somtijds is er een gat voor een venster uitgezaagd, maar nooit

zag ik er raam of glas in. In het nieuwe land en in de bosschen

zijn de kwartieren doorgaans van boomstammen gebouwd en van

dezelfde afmetingen."

Mr. Cornelius Johnson, lid der Christelijke kerk te Farmington,

Ohio, die in 1837-38 in Mississippi woonde.--"Hunne huizen

waren gewoonlijk van boomstammen gebouwd; somtijds hadden zij

ramen, dikwijls geen vloer; sommigen hebben twee vertrekken,

doch gewoonlijk maar een; elk van deze vertrekken bevatte een

huisgezin. Somtijds bestonden deze huisgezinnen uit man, vrouw en

kinderen, terwijl in andere gevallen personen van beide seksen

bij elkander gestopt werden, zonder op familiebetrekking acht

te geven."

De "Western Medical Reformer" spreekt in een artikel over de

"Cachexia Africana" door een geneesheer uit Kentucky, aldus over

de hutten der slaven: "Zij zijn bij elkander gedrongen in eene

kleine hut, die somtijds een onvolkomenen, somtijds geen vloer

heeft, zelden boven den grond verheven, zonder versche lucht en

omringd met vuilnis."

Mr. William Leftwich, een inboorling van Virginië, maar die het

grootste gedeelte van zijn leven in Madison County, Alabama, heeft

gewoond.--"De woningen der slaven zijn hutten van boomstammen,

van tien tot twaalf voet in het vierkant, dikwijls zonder vensters,

deuren of vloeren; zij hebben stoelen, tafel noch bedstede."

Reuben L. Macy, van Hudson, New-York, lid van de Godsdienstige

Societeit der Vrienden. Hij woonde in Zuid-Carolina in

1818-19.--"De huizen voor de veldslaven waren omtrent veertien

voet in het vierkant, op de ruwste wijze gebouwd, met eene kamer

zonder schoorsteen of vloer, met een gat in het dak om den rook

uit te laten."

Mr. Samuel Sapington, van Lancaster, Pennsylvania, geboortig van

Maryland, voorheen een slavenhouder.--"De beschrijvingen doorgaans

van negerkwartieren gegeven zijn juist; de kwartieren zijn zonder

vloer, en niet voldoende om de guurheid van het weder af te weren;

zij zijn "uncomfortable" zoowel des zomers als des winters."

De Eerw. John Rankin, inboorling van Tennessee.--"Wanneer zij des

nachts naar hunne ellendige hutten terugkeeren, vinden zij daar

geen middel tot gemakkelijke rust, maar moeten zonder deksel op

den kouden grond liggen en huiveren terwijl zij slapen."

Philemon Bliss, van Elyria, Ohio, die in 1835 in Ohio woonde:

"De woningen der slaven zijn gewoonlijk kleine, opene hutten

van boomstammen, met slechts een vertrek en zeer algemeen zonder

vloer."--Slavery as It is, p. 43.

De Eerw. C. C. Jones, van wien wij reeds gesproken hebben,

neemt, wanneer hij den toestand der Negers als een veld voor den

zendelingsarbeid beschouwt, al de omstandigheden van hun uiterlijk

leven in aanmerking. Hij spreekt van een gedeelte van Georgia, waar

men zooveel aandacht voor het welzijn der Negers heeft gehad als in

eenig gedeelte der Vereenigde Staten. Hij geeft het volgende tafereel:

Hunne manier van leven is over het algemeen ruw en gemeen. Vele

negerhuizen zijn klein, laag bij den grond, zwart berookt, dikwijls

met vloeren van vuilnis, en huisraad van de geringste soort. Op

sommige goederen hebben de huizen ramen, en zijn zij net gewit,

groot genoeg en in alle opzigten gerijfelijk. De verbetering in de

grootte, de bouwstoffen en den bouw der negerhuizen breidt zich

uit. Nu en dan vindt men er een van baksteen gebouwd. Religious

Instruction of the Negroes, p. 116.

Wanneer wij nu toegeven wat Mr. Jones zegt, namelijk, dat er wat

de huisvesting der Negers betreft, onder verlichte en Christelijke

menschen gedurige verbeteringen gemaakt worden, moet men toch in

overweging nemen, hoe vele menschen er zijn, die noch verlicht, noch

Christelijk zijn, hoe weinig voordeel al deze verbeteringen voor den

meester opleveren, en hoe zij dus geheel de gevolgen van natuurlijke

grootmoedigheid of Christelijk gevoel moeten zijn, zoodat de lezer

veilig mag besluiten, dat deze verbeteringen veeleer de uitzondering

dan de regel zijn.

Een vriend der schrijfster, in de vorige maand in Georgia reizende,

schrijft aldus:

Op de lange rij van rijst- en katoenplantaadjes, die zich langs

den spoorweg van Savannah naar deze stad uitstrekt, bevatten

de neger-kwartieren naauwelijks eene enkele hut, welke een

noordelijk landman geschikt tot schuilplaats voor zijn vee zou

achten. Zij zijn allen van staken gebouwd, zoo weinig sluitende,

dat zij bijna overal open zijn, zonder een enkel glas-venster,

en met slechts een enkelen leemen schoorsteen voor elke groep

van vier tot acht hutten. En toch weidden onze medereizigers op

hun gemak uit over het vreemde, dat de Negers zoo slecht in staat

zijn om koud weder te verdragen.

Men vergelijke dit tafereel uit den tegenwoordigen tijd met het

berigt, door den Eerw. Horace Moulton gegeven, die tusschen 1817

en 1824 vijf jaren in Georgia doorbragt, en men zal zien, dat er in

dezen Staat ten minste eenige gelijkenis bestaat tusschen het oudere

en het nieuwere gebruik:

De hutten der slaven zijn meestal van de armoedigste soort. Zij

zijn niet zoo goed als die tijdelijke lootsen, die bij spoorwegen

worden opgeslagen. Zij worden van palen en planken gebouwd,

met weinig of geen balkwerk er aan. Zij hebben geene kagchels of

schoorsteenen; sommigen hebben aan het eene einde iets dat naar

eene stookplaats gelijkt, en aan dien kant zijn dan een paar

planken uit den wand of van het dak genomen, om den rook uit te

laten. Deze gebouwen hebben maar één vertrek; de plaats waar men

in en uitgaat, dient tot deur en venster tegelijk; de wanden en

het dak zijn met ruwe, in vele gevallen oude afgekeurde planken

gedekt. Bij warm weder, vooral in de lente, houden de slaven

den geheelen nacht rookend vuur aan, om de muggen en moskieten

te verdrijven, die in het geheele lage land van het Zuiden zeer

lastig zijn; zoo zeer dat de blanken onder stellaadjes slapen

met netten er over, zoo fijn geknoopt dat de moskieten er niet

door kunnen vliegen.--(Slavery as It is, p. 19).

Dezelfde Mr. Moulton geeft het volgende berigt van het voedsel der

slaven, en de wijze van handelen op de plantaadje, waarop hij werkzaam

was. Het moet hier gemeld worden, dat hij in den tijd toen hij zich

in het Zuiden bevond, in zekere handelsbetrekkingen was, welke hem

gelegenheid gaven om dikwijls verschillende plantaadjes te bezoeken

en velen der slaven onder zijn gezag te hebben. Zijne gelegenheden

tot waarneming waren dus zeer gunstig. Er is eene eenvoudigheid en

droogheid in zijnen stijl, welke de gedachte verwijdert, dat hij uit

zijne verbeelding zou schetsen:

Het was een algemeen gebruik, overal waar ik geweest ben, dat de

meesters elk hunner slaven, mannen en vrouwen, een "peck" koren in

de week tot voedsel gaf. Dit tegen vijftig cents per bushel--en

het was niet meer waardig zoolang ik daar was--zou voor den kost

op twaalf en een halven cent per hoofd in de week komen.

Mij kostte mijne tafel toen ik in het Zuiden was, door elkander

genomen, een dollar daags;--den prijs van veertien bushels

koren in de week. Dit zou mijn kost in prijs gelijk doen staan

met den kost van zesenveertig slaven! Dit is alles wat goede of

slechte meesters op de plantaadjes in den omtrek van Savannah

hunne slaven toestaan. Een peck koren moet elken slaaf eens in

de week worden uitgemeten. Een man met wien ik werkte, echter

verlangend zijnde om van zijne arbeiders (omtrent vijftig in getal)

eer ik vertrok, zoo veel werk gedaan te krijgen als mogelijk was,

kocht voor hen elke week, of tweemaal in de week, een ossenkop op

de markt. Hiervan maakten zij eene soep in een grooten ijzeren

ketel, waarom heen de arbeiders op etenstijd kwamen, en de soep

uitscheppende, mengden zij die met hun meel, en aten het alsof het

een feestmaal was. Deze man vergunde zijne slaven tweemaal daags

te eten, terwijl ik eene karrewei voor hem deed. Hij beloofde

mij een kastoren hoed en zulk een goed pak kleeren als er in de

stad gekocht kon worden, als ik zoo veel voor hem wilde afmaken

eer ik naar het Noorden terugkeerde, en gaf mij daartoe volle

magt over zijne slaven. Zoo kan men zien, welke verzoekingen

opzigters somtijds hebben, om zoo veel werk als zij kunnen uit de

arme slaven te halen. Het bovenstaande is eene uitzondering op

den algemeenen regel van voeding; want op alle andere plaatsen,

waar ik werkte en die ik bezocht, kregen de slaven niets van

hunne meesters dan het koren, of eene daarmede gelijk staande

hoeveelheid rijst of aardappelen; en daarvan mogten zij slechts

eenmaal daags gaan eten. De gewoonte was des morgens vroeg op den

horen te blazen, als een sein voor de arbeiders om op te staan en

naar het werk te gaan. Eens begonnen bleven zij werken tot omtrent

elf uur, wanneer, op het sein, allen ophielden en naar de hutten

gingen, hunne vuren aanlegden, hun meel tot koek maakten, aten,

en dan weder op het sein van den horen naar hun werk gingen,

en bleven doorwerken tot aan den nacht, of tot dat hunne taak

gedaan was. Sommigen maakten hun ontbijt op het veld onder het

werk gereed. Ieder slaaf moet met een handmolen zijn eigen koren

malen, nadat hij des avonds zijn werk gedaan heeft. Doorgaans is

er op elke plantaadje één handmolen ten gebruike der slaven.

Sommige planters hebben geen koren, andere komen dikwijls te

kort. In plaats daarvan geven zij dan rijst of zoete aardappelen,

die geen van beiden zoo goed voor de slaven zijn als koren. Zij

klagen meer over flaauwheid, wanneer zij met rijst of aardappelen,

dan wanneer zij met koren gevoed worden. Ik was eenige weken bij

een man, die mij zijne arbeiders gaf om eene karrewei te doen,

en om den tijd te besparen, kookte een voor al de anderen. Hierbij

werd op de volgende wijs gehandeld: Twee gevorkte stokken werden

in den grond gestoken, en een korten staak over de vorken gelegd

hebbende, hingen zij een ketel daaraan; dan maakten zij vuur

onder den ketel en kookten den brij; wanneer deze gereed was,

werden zij om den ketel geroepen met hunne houten borden en

lepels. Zij schepten uit en aten, om den ketel staande, of

op den grond zittende, gelijk hun best gelegen kwam. Als zij

aardappelen hadden, haalden zij die met hunne handen er uit en

aten ze zoo.--Slavery as It is, p. 18.

Mr. Thomas Clay, een slavenhouder van Georgia en een zeer menschlievend

man, die met zeer goed gevolg is werkzaam geweest om de verbetering der

Negers te bevorderen, zegt in zijne rede voor het Georgia Presbytery

1833, van hun voedsel: "De hoeveelheid volgens gebruik toegestaan,

is een peck koren in de week."

De Maryland Journal and Baltimore Advertiser, 30 Mei 1788, zegt:

"Een enkel peck koren, of dezelfde maat rijst, is het gewone rantsoen

voor eenen zwaar werkenden slaaf, waarbij nu en dan, hoewel zelden,

eene kleine hoeveelheid vleesch gevoegd wordt."

Kapitein William Ladd, van Minot, Maine, voorheen een slavenhouder in

Florida, zegt: "Het gewone rantsoen was een quart koren daags aan een

slaaf, die volle taak werkte, met eenig zout: goedertierene meesters

gaven een peck koren in de week."

De wet van Noord-Carolina bepaalt, dat de meester zijnen slaaf een

quart koren daags zal geven, hetwelk in de week een quart minder is

dan een peck.--Haywood's Manual, 525; Slavery as It is, p. 29. De

meester, die een peck in de week gaf, zou dus denken, dat hij boven

de wet ging, en een quart uit edelmoedigheid gaf.

Deze staat van zaken zal veel waarschijnlijker voorkomen in dat

gedeelte des lands, waar de geschiedenis geplaatst is. Dit is in de

zuidwestelijke Staten, waar geene levensbehoeften op de goederen worden

geteeld, maar al de voorraad voor de slaven uit de meer noordelijk

gelegene Staten wordt gekocht.

Laat de lezer zich nu de verschillende verzoekingen verbeelden, die

onder deze omstandigheden kunnen ontstaan om het rantsoen der slaven

te verkorten;--schaarschte van geld, financieele ongelegenheden,

hooge prijs van levensmiddelen en verschillende andere oorzaken van

dien aard hebben eenen grooten invloed op den meester of opzigter.

In den tijd toen er over gehandeld werd of de Staat Missouri als een

slavenstaat zou worden toegelaten, werd deze maatregel, gelijk alle

maatregelen ter bevordering van dit gruwelijke stelsel, verdedigd onder

het goede oude voorwendsel van menschelijkheid voor de Negers. Zoo

zegt Mr. Alexander Smyth in zijne rede over de slavernij questie,

21 Januarij, 1820:

Door de slaven tot de zuidelijke Staten te beperken, waar producten

voor den uitvoer worden verbouwd, en brood en vleesch gekocht

worden, veroordeelt gij hen tot schaarschte en hongersnood. Het

wordt voorgesteld om de zwarten op te sluiten, waar zij slecht

gevoed worden.--(Slavery as It is, pag. 28.)

Dit is eene duidelijke erkentenis van den staat van zaken waarvan

wij gesproken hebben. Met dezelfde strekking zegt Mr. Asa A. Stone,

een theologisch student, die in 1835 bij Natchez, Mississippi, woonde:

Op bijna elke plantaadje lijden de arbeiders in sommige saizoenen

van bijna ieder jaar meer of minder honger. Er wordt altijd veel

honger geleden. Op vele plantaadjes, inzonderheid in Louisiana,

zijn de slaven gedurende een groot gedeelte van het jaar in eenen

toestand van bijna volslagen hongersnood.--Slavery as It is, p. 28.

Mr. Tobias Baudinot, St. Albans, Ohio, lid der Methodistische kerk,

die eenige jaren lang schipper op de Mississippi was, zegt:

De slaven beneden langs de Mississippi zijn half uitgehongerd,

Wanneer de schuiten des nachts stil liggen, komen er gedurig

slaven aan boord, die om iets te eten bedelen.--Ibid.

Over het geheel, terwijl men gaarne en met blijdschap toestemt,

dat vele personen hoogst loffelijke verbeteringen hebben gemaakt,

wat de voorziening voor het ligchamelijk welzijn der slaven betreft,

is het toch nog te vreezen, dat het tafereel der omstandigheden

op de plantaadje van Legree maar al te dikwerf getrouw zou worden

bevonden. Opdat echter de schrijfster niet verdacht worde van

iets terug te houden, hetwelk dienen kan om licht over de zaak te

verspreiden, deelt zij de voorstellingen van de andere zijde mede,

uit de pen van den talentrijken professor Ingraham. In hoe verre

men deze als gevallen van uitzondering, of als schilderingen van

de algemeene behandeling der slaven moet beschouwen, kan veilig aan

het gezond verstand des lezers worden overgelaten. De anecdoten des

professors zijn de volgende:

"Wat kunt gij met zoo veel tabak doen?" zeide een heer die mij

de omstandigheid verhaalde, toen hij hoorde, dat een planter,

wien hij bezocht, zijn voerman last gaf om twee okshoofden tabak

van de "landing" naar de plantaadje te halen.

"Ik koop die voor mijne Negers; het is een onschuldig genot,

en het doet mij genoegen hun dat te verschaffen."

"Waarom doet gij de moeite en kosten om ledekanten met hooge

stijlen voor uwe Negers te laten maken?" zeide een heer uit

het Noorden, toen hij door het fraaije "kwartier" of slavendorp

wandelde, dat toen op eene plantaadje in Natchez werd gebouwd--tot

den eigenaar.

"Om hunne gordijnen aan te hangen, opdat zij niet door moskieten

geplaagd worden."

"Meester, wilt ge mij, als het u belieft, een stukje galerij voor

mijn huis laten maken!"

"Waartoe, Peter?"

"Omdat, meester, de zon te heet is aan dien kant (eene zonderlinge

reden om door een Neger gegeven te worden,) en als het regent

kunnen wij de deur niet open houden."

"Wel, als de timmerman wat tijd over heeft, zult gij er een

krijgen."

"Eenige weken daarna was ik op de plantaadje, en op een zondag

ochtend het kwartier voorbij rijdende, zag ik Peter, met zijne

vrouw en kinderen, en zijn ouden vader, onder de nieuwe galerij

in den zonneschijn zitten."

"Missus, gij hebt mij een kerspresent beloofd."

"Wel Jane, daar hebt gij een nieuwen chitsen japon."

"Dat heel mooi, Missus," zeide Jane, den japon op een afstand

bekijkende zonder er aan te raken; "maar ik heb liever mouseline,

als het u belieft. Mouseline is de mode dezen kersmis."

"Wel nu goed, Jane, kom morgen maar terug, dan zult ge mousseline

hebben."

De schrijfster zou er niet aan willen denken om de waarheid dezer

anecdoten tegen te spreken. Elke waarschijnlijke hoeveelheid van

ledekanten met hooge stijlen en moskietengordijnen, van uitgedeelden

tabak, en van veranda's door leegloopende timmerlieden en ten gemakke

van weelderige Negers gemaakt, kan toegegeven worden; zij benadeelen

in geenen deele de waarheid der andere feiten. Wanneer de lezer

bedenkt, dat de "troep" van sommige rijke eigenaren tusschen de 500

en 700 arbeiders beloopt, behalve de kinderen, kan hij oordeelen

met welke ruimte deze gerijfelijkheden waarschijnlijk verschaft

zullen worden. Laat men ze gerust op de rekening stellen voor wat ze

waardig zijn.

In allen gevalle is het een genoegen zulk een onaangenaam hoofdstuk

met eenige meer aangename schilderingen te kunnen besluiten.

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut · 第 33 / 220 题