LEGREE.

Gelijk St. Clare en de Shelby's vertegenwoordigers eener klasse van

meesters zijn, zoo is Legree de vertegenwoordiger eener andere;

en gelijk niet alle goede meesters even verlicht, edelmoedig en

weldenkend zijn als St. Clare en Mr. Shelby, of even zorgvuldig en

gelukkig aan de godsdienstige opleiding hunner slaven arbeiden als

Mrs. Shelby, zoo vereenigen niet alle slechte meesters de uitwendige

afschuwelijkheid, de gemeenheid en profaniteit van Legree.

Legree is afgeschilderd niet om de meesters als eene klasse te

schandvlekken, maar om aan de achtenswaardige mannen in het Zuiden, die

meesters zijn, een zeer gewigtigen trek van het stelsel der slavernij

onder de aandacht te brengen, waarover zij misschien nog nooit hebben

nagedacht. Het is deze: dat geene wet in het Zuiden eenige proeve van

het karakter vordert van den man, wien de absolute magt van meester

wordt toegestaan.

In het tweede gedeelte van dit boek zal aangetoond worden, dat

de wettige magt des meesters zich uitstrekt tot eene volstrekte

dwingelandij over ligchaam en ziel; dat het leven en de leden van

den slaaf, zijne familiebetrekkingen, zijn geweten, ja nog meer,

zijne eeuwige belangen, door niets beschermd kunnen worden, dan door

het karakter van zijnen meester.

De Eerw. Charles C. Jones, van Georgia, zegt, in zijne aanspraak aan

meesters, dat zij de magt hebben om het koningrijk des hemels voor

hunne slaven te openen of te sluiten; (Religious instruction of the

Negroes, p. 158), en een Zuid-Caroliniër, in een artikel onlangs in

het Frazer's Magazine geplaatst, erkent, naar het schijnt in eenen

zeer ernstigen geest, aldus het feit dezer geduchte magt: "ja, wij

zouden het geheele Zuiden willen doen gevoelen, dat de ziel van den

slaaf in zekeren zin in de hoede van zijnen meester is, en hiernamaals

tot zijne verantwoording zal gesteld worden."

Nu wordt het eerbiedig onder de aandacht gebragt dier hooggeplaatste

mannen, die de wetmakers zijn, of deze geduchte magt om te binden

en los te maken, om het koningrijk der hemelen te openen en te

sluiten, aan ieder man in de maatschappij behoorde toevertrouwd te

worden, zonder eenige andere bevoegdheid dan het vermogen om te

koopen. Laat die heer uit Zuid-Carolina zijne oogen in de wereld

laten rondgaan. Laat hij eene week door eenig gewest, hetzij in het

Noorden of het Zuiden reizen, en dan zichzelven vragen, hoe velen van

de menschen die hij ontmoet geschikt zijn om met deze magt vertrouwd

te worden--hoe velen geschikt zijn om met hunne eigene zielen, veel

minder met die van anderen, vertrouwd te worden.

Nu staat in de geheele theorie van regering, gelijk zij in dit land

bestaat, tot de uitgebreidheid der magt de stiptheid in evenredigheid,

waarmede de waarborg voor de behoorlijke uitoefening daarvan wordt

gevorderd. De geneeskundige mag zich niet met het ligchaam bemoeijen,

om voor deszelfs kwalen middelen voor te schrijven, zonder een

certificaat, dat hij daartoe behoorlijk bevoegd is. De regter

mag niet wettig beslissen over zaken, die het eigendom betreffen,

zonder eene langdurige opleiding en voorbereiding. Het is alleen

deze post van meester, welke de magt verleent om te binden en los

te maken, om het koningrijk der hemelen te openen en te sluiten, en

verantwoordelijk stelt voor de ziel zoowel als voor het ligchaam,

die aan iedereen en zonder onderzoek naar iemands karakter wordt

verleend. Iemand mag al zijn geld door zeeroof hebben gewonnen,

gelijk wij in het geval van Legree hebben voorgesteld, en er is geene

wet hoegenaamd om hem te verhinderen dit geld zoodanig te beleggen,

dat hij daardoor eene onbeperkte magt verkrijgt over de zielen en

ligchamen zijner medemenschen. Aan den half razenden dronkaard, aan

den man befaamd door hardvochtigheid en wreedheid, aan den man geheel

beneden de publieke opinie gezonken, aan den bitteren ongeloovige

en godslasteraar, vertrouwt de wet deze magt even ruimschoots als

aan den achtenswaardigsten en godsdienstigsten man op aarde. En

toch denken de menschen, die deze wetten maken en in stand houden,

dat zij schuldeloos zijn voor God, omdat zij niet persoonlijk het

onregt plegen, dat zij anderen toelaten te plegen.

Aan den zeeroover Legree geeft de wet eene magt, tot welker uitoefening

geen man uit eene vrouw geboren, Een uitgezonderd, ooit goed genoeg

was.

Zijn er veel zulke menschen als Legree? Laat iemand in de achterbuurten

en holen van New-York gaan, of in sommige stegen en gangen van Londen,

en zullen zij daar niet vele Legrees zien? Neen, neem het zuiverste

district van Nieuw-Engeland, en laat men zijn geheugen raadplegen,

en zien of daar niet vele menschen zijn geweest, hardvochtig, gemeen,

gevoelloos, barbaarsch, die, indien zij de volstrekte magt van Legree

hadden bezeten, haar op dezelfde wijs zouden gebruikt hebben; en

dat er in de zuidelijke Staten vele Legrees moeten zijn, is niets

anders gezegd dan dat de menschelijke natuur daar dezelfde is als

elders. Het eenige verschil is dit, dat in vrije Staten Legree door

de wet geboeid en bedwongen wordt; in de slavenstaten maakt de wet

hem tot eenen absoluten, onverantwoordelijken despoot.

Het is eene stuitende taak, dit gedeelte van het verhaal der

schrijfster met feiten te staven. Men mag die taak wel met vreezen

en beven naderen. Het is treurig te denken, dat de mensch, naar Gods

beeld geschapen, en door zijne menschelijke geboorte een broeder

van Jezus Christus, zoo laag kan zinken en zulke dingen kan doen,

dat de ziel bij het beschouwen daarvan siddert; en te denken, dat de

man, die zoo verzinkt, onze broeder is, vatbaar, gelijk wij, voor

de vernieuwing door den Geest der genade, door welke hij naar het

beeld van Christus herschapen en aan de Engelen gelijk gemaakt kon

worden. Zij, die de wetten in stand houden, welke deze geduchte magt

verleenen, hebben nog eene andere zware verantwoordelijkheid, waarvan

zij weinig droomen. Hoe vele zielen van meesters zijn daardoor verloren

gegaan! Hoe veel goddeloosheid heeft dit onbeperkte gezag uitgelokt

en ontwikkeld, die misschien anders gesmoord zou zijn geworden! Hoe

velen zijn in het eeuwige verderf gestort over dit struikelblok van

onverantwoordelijke magt!

Welke feiten brengen regtsgedingen in de slavenhoudende Staten

somtijds aan den dag! Welke gruwelijke verhalen bevlekken de

bladen der processtukken, ongehoorde martelingen beschrijvende,

gepleegd in deze negentiende eeuw der Christelijke jaartelling, door

den onverantwoordelijken despoot, die eigenaar is van ligchaam en

ziel! Laat iemand, indien hij kan, de drie en negentigste bladzijde

lezen van Weld's "Slavernij gelijk zij is," waar de Eerw. Mr. Dickey

berigt geeft van eene teregtstelling in Kentucky voor een bedrijf

van bloedige barbaarschheid, te stuitend voor de menschelijkheid om

hier beschreven te worden. De schuldige werd overtuigd en ter dood

veroordeeld. Mr. Dickey's verslag van den afloop luidt aldus:

Het Hof zat--Isham werd in de zaak van George aan eene halsmisdaad

schuldig verklaard. Hij zou te Salem gehangen worden. De dag was

bepaald. Mijn goede oude vader bezocht hem in de gevangenis--sprak

en bad twee- of driemaal met hem; ik bezocht hem eens zelf. Wij

hoopten, vertrouwelijk, dat hij opregt boetvaardig was. Eer de dag

der teregtstelling kwam, werd Isham vermist. Hij was door een of

ander middel weggekomen, hoe heb ik nooit geweten. Omtrent twee

jaren later vernamen wij, dat hij naar Natchez was gegaan en met

eene vrome dame van eenige beschaving getrouwd was. Ik zag hare

brieven aan hare zusters, die waardige leden waren van de kerk,

waarvan ik leeraar was. De laatste brief meldde zijnen dood. Hij

was in het leger van Jackson, en sneuvelde in het vermaarde

gevecht van New-Orleans.

Ik ben, mijnheer, uw vriend,

Wm. Dickey.

Doch de lezer zal maar al te veel reden hebben, om de mogelijkheid van

het bestaan zulker lieden als Legree niet te betwijfelen, wanneer hij

in het tweede gedeelte de verslagen van regtsgedingen en regterlijke

uitspraken leest.

Laat het zuidelijke land niet gesmaad worden als het eenige land op

de wereld, dat zulke menschen voortbrengt; laten wij met smart en

nederigheid toestemmen, dat zulke menschen overal gevonden worden;

maar laat het zuidelijke land de geduchte beschuldiging niet ontkennen,

dat het zulke menschen met eene volstrekte, onverantwoordelijke magt

bekleedt, over beide ligchaam en ziel.

Wat betreft het afgrijselijke stelsel om menschen in een gegeven

tijd op te werken, hetwelk Legree gezegd wordt op zijne plantaadje

te volgen, is er ongelukkig maar al te veel reden om te weten, dat

het is aangewend en nog aangewend wordt.

In het boek van Mr. Weld, "De Slavernij gelijk zij is," onder het

hoofdstuk van den "Arbeid," pag. 39, worden verscheidene uittrekselen

van verschillende documenten gegeven, om te toonen, dat dit stelsel

op sommige plantaadjes in zulk eene mate werd gevolgd, dat het leven

der slavenbevolking daardoor verkort en haar aanwas verhinderd werd,

zoodat zij, indien zij niet jaarlijks werd vernieuwd, van zelf zou

uitsterven. Van deze stukken deelen wij het volgende mede:

De Landbouw-Maatschappij van Baton Rouge, La., geeft in haar

verslag van 1829 eene uitgewerkte begrooting van het bedrag

der onkosten gevorderd voor het onderhouden eener "welgeregelde

suikerplantaadje." In deze begrooting wordt het jaarlijksche verlies

van slaven, boven de vermeerdering door voortplanting, op twee en een

half percent bepaald! Wijlen Josiah S. Johnson, lid van het Congres

voor Louisiana, rigtte in 1830 eenen brief aan den secretaris van

de Tresorie der Vereenigde Staten, welke eene dergelijke begrooting

bevatte, die naar het scheen met groote zorg was vervaardigd en tot in

kleine bijzonderheden ging. Vele posten dezer begrooting verschillen

van de vorige; maar de schatting der jaarlijksche afneming van de

slaven op eene plantaadje was dezelfde--twee en een half percent!

In September 1834 had de schrijver een onderhoud met Mr. James

G. Birney, die toen in Kentucky woonde, daar hij het jaar te voren

met zijne familie uit Alabama verhuisd was. Eenige uren vóór dat

onderhoud, en in den ochtend van denzelfden dag, had Mr. Birney

een paar uren met Mr. Henry Clay, op zijn buitengoed bij Lexington,

gesleten. Mr. Birney merkte aan, dat Mr. Clay hem verhaald had, dat

hij onlangs reden had gevonden om zekere schattingen van de toeneming

der slavenbevolking in het verre zuidwesten te wantrouwen--schattingen,

welke hij, naar ik meen, in eene rede voor de Kolonisatie-Maatschappij

had medegedeeld. Hij geloofde nu, dat de geboorten onder de slaven in

die streken niet tegen de sterfgevallen opwogen; en dat dus natuurlijk

de slavenbevolking, ongerekend den invoer uit de slaven verkoopende

staten, zichzelve niet onderhield.

Onder andere daadzaken, door Mr. Clay gemeld, was de volgende, welke

wij woordelijk afschrijven van eene aanteekening, in der tijd door

Mr. Birney gemaakt, en welke hij ons vriendelijk heeft verschaft.

"16 Sept. 1834.--Mr. H. Clay onderrigtte mij, in een gesprek

aan zijn eigen huis over het onderwerp der slavernij, dat

Mr. Outerbridge Horsey--voorheen senator in het Congres uit den

staat Delaware en eigenaar eener suikerplantaadje in Louisiana--hem

verklaarde dat zijn opzigter zijne arbeiders zoo strikt liet

werken, dat eene der vrouwen een kind ter wereld bragt, terwijl

zij op het veld aan den arbeid was.

"Insgelijks, dat hij eenige jaren geleden in eene steenbakkerij

in den omtrek van New-Orleans was, waarin 100 arbeiders werden

gebezigd; daaronder waren van twintig tot dertig jonge vrouwen

in het best van het leven. De eigenaar zeide hem, dat er onder

deze in de laatste twee of drie jaren geen kind geboren was,

hoewel zij ieder een man hadden."

Wijlen Mr. Samuel Blackwell, een hoog geacht burger van Jersey

City, tegenover de stad New-York, en lid van de Presbyteriaansche

kerk, bezocht eenige jaren geleden vele suikerplantaadjes in

Louisiana; en daar hij vele jaren lang eigenaar eener groote

suikerraffineerderij in Engeland en naderhand in dit land was

geweest, werden hem door de planters niet alleen alle gemakken

verschaft om den arbeid van het suikermaken in allen deele

te bezigtigen, maar ontving hij ook van hen de openhartigste

mededeelingen ten aanzien van de behandeling hunner slaven. Na

zijne terugkomst, gaf de heer B. aan heeren van zijne kennis

dikwijls de volgende verklaring:--Dat de planters hem algemeen

verklaard hadden, dat zij genoodzaakt waren om hunne slaven in

het saizoen van het suikermaken (van acht tot tien weken lang)

zoodanig te overwerken, dat zij hen in zeven of acht jaren

opgebruikten. Want, zeiden zij, nadat het werk begonnen is, moet

het zonder ophouden nacht en dag worden voortgezet, en wij kunnen

het niet bekostigen een genoegzaam aantal slaven te houden om het

extra werk in den tijd van het suikermaken te doen, daar wij hen

het overige van het jaar niet voordeelig konden gebruiken.

Dr. Demming, een zeer achtenswaardig persoon, te Ashland, Richland

County, Ohio wonende, verklaarde aan professor Wright van New-York:

Dat hij onlangs op eene reis naar het Zuiden, terwijl hij met de

stoomboot "Fame" de Ohio-rivier opvoer, gelegenheid had om met

Mr. Dickinson, een inwoner van Pittsburg, te spreken, in gezelschap

met een aantal katoenplanters en slavenhandelaren van Louisiana,

Alabama en Mississippi. Mr. Dickinson verklaarde het voor eene

daadzaak, dat de suikerplanters op de suikerkust in Louisiana

ondervonden hadden dat, daar het gewoonlijk noodig was om gedurende

den kooktijd tweemaal zoo veel arbeiders te gebruiken, als in den

groeitijd vereischt werden, zij door geweldig drijven nacht en dag,

gedurende den kooktijd, in staat waren om het werk met een troep

arbeiders te verrigten. Door deze handelwijs te volgen, konden

zij het bekostigen eens in de zeven jaren een troep arbeiders op

te offeren! Hij verklaarde verder dat dit afgrijselijke stelsel

thans door een aanmerkelijk getal van planters werd aangewend! De

juistheid dezer opgave werd in de hoofdzaak door de slavenhouders

aan boord toegestemd.

De volgende getuigenis van den eerw. Dr. Channing, van Boston,

die eenigen tijd in Virginië woonde, bewijst dat het overwerken

van slaven in zulk eene mate dat het leven daardoor verkort wordt

en eene afname van bevolking ontstaat, niet tot het verre zuiden

en zuidwesten beperkt is.

"Ik hoorde van eene plantaadje door een persoon beheerd, die

voor bijzonder voorspoedig werd gehouden, en die in staat was

om de slaven te regeren zonder de zweep te gebruiken. Ik was

verlangend om hem te zien, en vertrouwde dat ik eene voor de

menschheid gunstige ontdekking had gedaan. Ik vroeg hem hoe hij

in staat was om ligchamelijke straf achterwege te laten. Hij

antwoordde mij met een zeer strakken blik: "De slaven weten dat

het werk moet gedaan worden, en dat het beter is het zonder straf

te doen dan met straf." Met andere woorden, de zekerheid van en

de vrees voor straf waren hun zoodanig ingeprent, dat zij zich

nooit daaraan blootstelden.

"Toen bevond ik dat de slaven dezer welbestuurde plantaadje

in getal afnamen. Ik vroeg naar de oorzaak. Hij antwoordde met

volkomene rondborstigheid: "De troep is niet groot genoeg voor

het goed." Met andere woorden zij waren niet berekend voor het

werk op de plantaadje, en toch moesten zij het doen, hoewel met

de zekerheid van hun leven te verkorten.

"Op deze plantaadje waren de hutten buitengemeen gemakkelijk. Er

bestond een ongewoon voorkomen van netheid. Een oppervlakkig

opmerker zou de slaven gelukkig genoemd hebben. En toch leefden zij

onder eene strenge, drukkende tucht en werden zoodanig overwerkt,

dat dit hun leven verkortte."--Channing on Slavery, pag. 162,

first edition.

Een vriend der schrijfster, de Eerw. Mr. Barrows, thans geplaatst als

onderwijzer in het Hebreeuwsch in het Andover Theological Seminary,

verklaarde, in een gesprek met haar, het volgende:--dat hij, terwijl

hij, eenigen tijd geleden, te New-Orleans was, door eenen planter

werd uitgenoodigd om zijn goed te bezoeken, daar hij dit voor een

model hield. Hij vond goede woningen voor de slaven, overvloedige

levensmiddelen aan hen uitgedeeld, alle wreede straffen door redelijke

en billijke vervangen, en wekelijks een halven dag aan de negers

toegestaan om hunne eigene gronden te bebouwen. Er was ook voor hun

zedelijk en godsdienstig onderwijs gezorgd. Mr. Barrow vroeg toen

den planter:

"Houdt gij uwe plantaadje voor eene proef van den algemeenen

toestand?"--De planter antwoordde: "er worden twee stelsels onder

ons gevolgd. Het eene is, in eenige jaren alles uit een neger te

halen, wat wij kunnen, en dan een ander in zijne plaats te koopen;

het andere is, hem te behandelen gelijk ik doe. Mijn buurman op de

naaste plantaadje volgt het tegenovergestelde stelsel. Zijne slaven

moeten zwaar werken en worden karig gevoed; en zij zijn wel bij mij

gekomen en hebben mij op hunne knieën gebeden om hen te koopen."

Mr. Barrow zegt, dat hij vervolgens die plantaadje voorbij kwam, en

dat het jammerlijke, neerslagtige voorkomen der arbeiders dit berigt

ten volle bevestigde. Hij zegt ook, dat de heer, die zoo menschlievend

handelde, hem zeide: "Ik trek niet veel geld uit mijne slaven."

Het zal gemakkelijk zijn aan te toonen, dat dit de aard der slavernij

is, en dat de verzoekingen der meesters zoo groot zijn, dat zulke

welgeregelde plantaadjes slechts uitzonderingen moeten wezen.

De Eerw. Charles C. Jones, een man van het edelst menschelijk

gevoel, en vele jaren lang ijverig werkzaam ten behoeve der slaven,

zelf eigenaar eener plantaadje en daarom wel bevoegd om volgens

ondervinding en waarneming te oordeelen, zegt, nadat hij over de

groote onachtzaamheid der negers, door de slavernij voortgebragt,

gesproken heeft:

"En voor eens en altijd, moet ik hier zeggen, dat de verliezen

van dit stelsel zoo groot zijn, waarbij de wisselvalligheid der

prijzen van de voornaamste artikelen op de markt komt, dat het

moeijelijk, ja onmogelijk is, groote onkosten aan plantaadjes te

besteden, en ze op den duur voordeel te doen geven."--Religious

Instruction, p. 116.

Indien zelfs de godsdienstige en menschlievende meester de

moeijelijkheid gevoelt van groote zorg voor het welzijn van den slaaf

met voorzigtigheid en spaarzaamheid te vereenigen, hoe gemakkelijk

moet het zedelijke vraagstuk dan worden opgelost door gemoederen van

die ruwe denkwijs, welke wij bij Legree ondersteld hebben.

"Ik plagt, toen ik pas begon, mij veel moeite te geven, om ze wat

langer te doen uithouden--met hun medicijnen te geven als zij ziek

waren en kleeren en dekens en wat niet al, om hen zoo als men

zegt fatsoenlijk en comfortabel te houden. Maar och Heere! het

baatte niet: ik legde er geld bij toe en had nog veel moeite

bovendien. Nu, ziet ge, zet ik hen maar aan, ziek of gezond. Als

de eene Neger dood is, koop ik een ander; en ik vind dat dit in

alle opzigten goedkooper en gemakkelijker uitkomt."

Hierbij komt, dat de arbeid op de suikerplantaadjes van zoodanigen

bijzonderen aard is, dat de meester in zekeren tijd van het jaar zijne

slaven moet overwerken, of hij moet gezind zijn een groot financiëel

verlies te beloopen. In die zeer sierlijk geschrevene verdediging der

slavernij, Professor Ingraham's "Reizen in het Zuidwesten," wordt de

volgende beschrijving van het suikerbereiden gegeven. Wij halen hem aan

bij voorkeur boven iemand anders, omdat hij als lofredenaar spreekt,

en de zaak met de sierlijkheid van een Mr. Skimpole beschrijft.

Wanneer het malen eens begonnen is, wordt het werk niet gestaakt,

voor dat het is afgedaan. Van het begin tot het einde ziet men

hetzelfde drukke, vrolijke tooneel. De negers "wier zware taak den

zondag niet van de week afscheidt," werken van achttien tot twintig

uren, "en maken den nacht medearbeider met den dag" hoewel, om

den last zoo veel mogelijk te verligten, de troep in twee wachten

wordt verdeeld, waarvan de eene het eerste, de andere het laatste

gedeelte van den nacht neemt; en in weerwil van dezen aanhoudenden

arbeid, verbetert het voorkomen der Negers en schijnen zij vet en

frisch. Zij drinken vrijelijk van het suikersap, en de ziekelijken

onder hen herleven en worden sterk en gezond.

Nadat het malen is afgedaan, hebben de Negers verscheidene

feestdagen, wanneer zij volle vrijheid hebben om te dansen en zich

vrolijk te maken, zoo veel zij verkiezen; en het rietlied--dat

door een van den troep wordt geïmproviseerd, terwijl de anderen

in een lang en onverstaanbaar koor invallen--klinkt nacht en dag

in de ooren, met "muzikale en zwaarmoedige" toonen.

Het bovenstaande wordt medegedeeld als een voorbeeld hoe gemakkelijk de

gruwelijkste omstandigheden in de aardigste en zachtste bewoordingen

kunnen verhaald worden. In een werk, getiteld "Reizen in Louisiana

in 1802," is het volgende uittreksel (zie Weld's Slavery as It is,

p. 134) waaruit blijkt, dat deze vrolijke manier van nacht en dag te

werken drie maanden duurt.

"Bij het persen der suiker, een tijdperk van twee tot drie maanden,

werken zij (de slaven in Louisiana) nacht en dag. Hun slaap wordt

zoodanig verkort, dat zij gedurende dien geheelen tijd naauwelijks

te rust gaan."

Laat nu iemand eens de bijzondere geschiedenis schrijven van zeven

honderd zwarten--mannen en vrouwen--genoodzaakt om drie maanden lang

nacht en dag onder de zweep des drijvers te werken.

Mogelijk, indien de heer die het berigt schreef, zelf met zijne

vrouw en kinderen in dit "vrolijke tooneel" van arbeid gebezigd

werd--indien hij de vrouw die hij beminde, de dochter die zijne

ziel dierbaar was, gedwongen zag om met den grooten troep te

deelen in het werk, "dat den zondag niet van de week afscheidt,

en den nacht mede-arbeider van den dag maakt," zou hij eene andere

meening van de vrolijkheid daarvan hebben; en het zou zeer heilzaam

kunnen zijn, indien elk verdediger der slavernij voor een saizoen

dit voorregt genoot, vooral daar Mr. Ingraham zoo zorgvuldig is om

ons te zeggen, dat de werking daarvan op de algemeene gezondheid

zoo uitmuntend is, dat het voorkomen der Negers verbeterd, en zij

vet en frisch schijnen, en dat de ziekelijken onder hen herleven

en sterk en gezond worden. Men zou het bijna verwonderlijk vinden,

dat, indien het werkelijk zulke heilzame gevolgen heeft, wanneer

men de slaven nacht en dag laat werken en suikersap te drinken

geeft, dit gebruik niet het geheele jaar door wordt voortgezet;

hoewel misschien in dat geval de Negers zoo vet zouden worden,

dat zij daardoor buiten staat zouden zijn om te werken. Misschien

is het ook dewijl die gezonde arbeid niet langer wordt voortgezet,

dat de Landbouw-maatschappijen van Louisiana genoodzaakt zijn om

het jaarlijksche verlies van slaven op de suikerplantaadjes op twee

en een half percent te schatten. Philantropen moesten eens daarover

denken. Misschien zou het kwaad verholpen kunnen worden, door hen

zes maanden lang des nachts te laten werken, in plaats van drie.

Deze tijdelijke drang van arbeid is echter niet tot de suikerbereiding

beperkt. Er is ook eene drukte in het katoen-saizoen, gelijk iedereen

kan opmerken, die de zuidelijke nieuwsbladen leest. In zekeren tijd

van het jaar wordt de geheele belangstelling van het publiek op de

inzameling van den katoenoogst gevestigd. Dienaangaande zegt Mr. Weld

(Slavery as It is, p. 34):

In de katoen- en suikergewesten wordt een roekeloos wedspel

gespeeld, waarbij, hoewel er schijnbaar slechts eene verbeurte

van geld wordt gewaagd, eigenlijk menschenlevens op het spel

staan. De hoogte, waartoe deze wedijver in het Zuiden en Zuidwesten

gedreven wordt, de menigte van planters, die daaraan deelnemen,

en de onverschilligheid voor het menschelijk leven, waarmede bij

dit moorddadige spel wordt gehandeld, kan iemand, die niet in

het midden daarvan geleefd heeft, zich niet wel verbeelden. De

winzucht is slechts eene der beweegredenen, die hen aansporen;

de éclat van met een gegeven aantal arbeiders den grootsten

oogst verkregen te hebben, is insgelijks een krachtige prikkel;

de zuidelijke nieuwsbladen doen in den oogsttijd zorgvuldig

verslag van den "katoen-bluf," het "puik van katoen plukken," het

"voorbeeldeloos drijven" enz. Zelfs de uitgevers van zoogenaamd

godsdienstige bladen moedigen de melée aan, en zingen den lof des

overwinnaars. Daaronder herinneren wij ons den Eerw. J. N. Maffit,

redacteur van een godsdienstig blad te Natchez, Mississippi,

waarin hij zorg droeg "DEN KATOEN-BLUF" eene in het oog loopende

plaats in kapitale letters te geven.

Als een voorbeeld van dezen wedijver uit den jongsten tijd, deelen

wij het volgende mede uit den "Fairfield Herald," Winsboro' S. C. 4

November 1852.

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut · 第 31 / 220 题