MARIE ST. CLARE.

Marie St. Clare is de type eener klasse van vrouwen, die niet bijzonder

aan eenig gewest of eenigen maatschappelijken toestand eigen zijn. Zij

kan in Engeland en in Amerika gevonden worden. In de noordelijke Staten

hebben wij vele Marie St. Clares, meer of minder volkomen ontwikkeld.

Wanneer zij op eene noordelijke breedte wordt aangetroffen, is zij

altijd ontevreden over hare huiselijke omstandigheden. Hare bedienden

doen nooit iets goeds. Vreemd genoeg, zij zijn niet volmaakt, en

dit houdt zij voor zeer schandelijk. Zij is ten volle overtuigd, dat

zij alle zedelijke en Christelijke deugden in hare keuken behoorde

te hebben voor wat minder dan het gewone loon; en wanneer hare

keukenmeid haar verlaat, omdat zij in een naburig huishouden beter

loon voor minder werk kan bekomen, vindt zij dit gedrag ontzettend

baatzuchtig en slecht. Zij is van meening, dat bedienden volmaakt

belangloos behoorden te zijn; dat zij gewillig behoorden te wezen

om de slechtste kamers in het huis met zeer matig loon en bijna

slecht voedsel voor lief te nemen, wanneer zij het elders beter

kunnen krijgen, alleen om haar genoegen te doen. Zij heeft gaarne

vreemde dienstboden, die onze manieren nog niet hebben geleerd, die

gewoon zijn voor gering loon te werken en bijna met alles tevreden

zijn; maar dikwijls hoort men haar klagen, dat zij spoedig bedorven

worden, en zooveel voorregten willen hebben als iemand anders, Marie

wenscht dikwijls, dat zij slaven kon houden, of ergens woonde, waar

de lagere klasse omlaag wordt gehouden, en men dienstboden hunne

plaats leert kennen. Zij maakt altijd jagt op goedkoope naaisters,

en zal u als een geheim vertellen, dat zij eene vrouw heeft ontdekt,

die heerlijk linnen hemden naait, de hals- en mouwboorden dubbel stikt,

en dat alles voor zeven en dertig cents, terwijl vele naaisters er

een dollar voor krijgen; zij zegt dat zij het doet, omdat zij arm is

en geene betrekkingen heeft; maar zij denkt dat gij moet oppassen als

gij met haar spreekt, en haar niet laten merken wat de prijzen zijn,

of anders zal zij bedorven worden--die naaisters zijn zoo inhalig. Als

Marie St. Clare het ongeluk heeft van in een vrijen Staat te wonen,

is er geen eind aan hare rampen. Hare keukenmeid gaat telkens heen

om beter loon en een gemakkelijker dienst te zoeken; hare werkmeid,

vreemd genoeg, heeft geen zin om voor half loon werkmeid en naaister

te gelijk te zijn, en deserteert dus. Marie's keukenkabinet is dus

altijd in een staat van revolutie, en dikwijls verklaart zij, met

aandoenlijken ernst, dat de dienstboden de kwelling van haar leven

zijn. Indien haar echtgenoot bedenkingen wil maken of eene andere

manier van behandeling aanraden, is hij een hardvochtig, gevoelloos

man, hij houdt niet van haar en hij heeft nooit van haar gehouden;

en zoo wordt hij afgescheept.

Doch wanneer Marie onder een stelsel van wetten komt, dat haar eene

volstrekte magt over hare afhangelingen geeft, dat haar in staat

stelt om hen naar haar believen van hunne dierbaarste betrekkingen

te scheiden, of hun de schandelijkste en pijnlijkste straffen op te

leggen, zelfs zonder dat bedwang, hetwelk het zien der uitvoering

daarvan mogelijk zou kunnen te weeg brengen--dan is het, dat dit

karakter tot volle rijpheid komt. De natuur van den mensch is in

het Zuiden niet erger dan in het Noorden; maar de wet in het Zuiden

beschermt en vergemakkelijkt de ergste verkeerdheden, waaraan die

natuur onderhevig is.

Dikwijls veronderstelt men, dat de huiselijke dienstbaarheid in de

slavenstaten eene soort van paradijs is; dat huisbedienden altijd

verwende gunstelingen zijn; dat jonge meesteressen altijd veel van

hare "mammies" houden, en dat jonge meesters altijd even goedhartig

en inschikkelijk als welgemaakt zijn.

Laat iedereen in Oud-Engeland of Nieuw-Engeland onder zijne

onmiddellijke bekenden rondzien, en vragen hoe velen er zijn, die

een volstrekte despotieke magt in een huisgezin zachtzinnig zouden

gebruiken, vooral over eene klasse, door dienstbaarheid verlaagd,

onkundig, traag, bedriegelijk, onbeschaamd, gelijk slaven bijna

noodwendig zijn en altijd moeten zijn.

Laat hij in zijn eigen hart zien en zichzelven vragen of hij

zich met zulk eene magt zou durven vertrouwen. Vindt hij in

zichzelven geene verzoeking om onbillijk te zijn voor zijne minderen

en afhangelingen? Vindt hij zichzelven niet genegen om heftig en

wrevelig te worden, wanneer de dienst in zijn huis achteloos wordt

verrigt? En indien hij de magt had om wreede straften aan te doen,

of te doen aandoen door den schuldige naar eene plaats van tuchtiging

te zenden, zou hij dan niet in verzoeking komen om van die vrijheid

gebruik te maken?

Wat die vernederende straffen aangaat, welke aan vrouwen opgelegd

worden, door haar naar geeselaars van beroep te zenden, of zulke

lieden aan huis te laten komen--gelijk John Caphart getuigt, dat te

Baltimore met hem dikwijls het geval was--wat kan er gezegd worden van

haren invloed, zoowel op de hoogere als op de lagere klasse? Het is

inderdaad pijnlijk, dit onderwerp te beschouwen. Het gemoed deinst

onwillekeurig er voor terug; maar het is toch eene zeer ernstige

vraag of het niet onze pligt is dat pijnlijke door te staan, ten

einde ons medelijden tot levendiger werkzaamheid op te wekken. Om

deze reden deelen wij hier de getuigenis van eenen heer mede, wiens

naauwkeurigheid niet zal betwijfeld worden, en die zichzelven aan de

pijniging onderwierp van in de "calaboose" te Nieuw-Orleans van zulk

een tooneel getuige te zijn. Gelijk de lezer uit het verhaal zal zien,

was het een zoo dikwijls voorkomend tooneel, dat het geene bijzondere

aandacht trok, of eenige uitdrukking van medelijden uitlokte bij

menschen van denzelfden staat en dezelfde kleur als de lijderes.

Toen onze zendelingen voor het eerst naar Indië gingen, werd het

onder de Christenvolken een pligt geacht zich bekend te maken met

de wreedheden en gruwelen der afgodendienst, als een middel ter

verlevendiging van onzen ijver om hun het Evangelie te zenden.

Indien het gezegd wordt, dat wij in de vrije Staten geen zoodanig

belang bij de slavernij hebben, daar wij die niet ondersteunen en

wij geene magt hebben om die te verhinderen, is het antwoord, dat de

slavernij bestaat in het district Columbia, hetwelk aan de geheele

Vereenigde Staten behoort; en dat de vrije Staten voor God schuldig

zijn aan de misdaad van haar daar te laten bestaan, indien zij niet

opregtelijk doen wat in hun vermogen is om haar uit te roeijen.

Het onderstaande berigt is geschreven door den menschlievenden

Dr. Howe, wiens arbeid ten behoeve der blinden zijnen naam aan

de menschheid dierbaar hebben gemaakt, en werd in eenen brief aan

Mr. Charles Sumner gezonden. Indien iemand denkt, dat het te pijnlijk

is om te lezen, dan vrage hij zichzelven, of God hen schuldeloos

zal houden, die een stelsel laten bestaan, waarvan de bijzonderheden

zelfs niet gelezen kunnen worden. Dat hier een in de calaboose gewoon

tooneel beschreven wordt, zullen wij straks door andere getuigen

laten bewijzen:

Ik heb tien dagen te New-Orleans besteed, niet nutteloos vertrouw

ik, aan het bezigtigen der openbare inrigtingen--der scholen,

asylums, gasthuizen, gevangenissen, enz. Met uitzondering van de

eersten is er weinig beterschap te hopen. Ik weet niet hoeveel

verdienste er in hun stelsel mag wezen; maar dit weet ik, dat er

in de uitvoering van het strafwetboek verfoeiselen zijn, welke

het lot van Sodom over de stad moesten brengen. Indien Howard of

Mrs. Fry ooit zulk een slecht beheerd dieven-hol ontdekten als

de gevangenis te New-Orleans, zij hebben het ten minste nooit

beschreven. In de Neger-afdeeling zag ik veel om mij te doen

blozen, dat ik een blanke was, en dat voor een oogenblik een

boozen geest in mijne dierlijke natuur wekte. Toen ik op een

groot bestraat binnenplein kwam, waar omheen galerijen liepen,

gevuld met slaven van verschillenden ouderdom, sekse en kleur,

hoorde ik het kletsen eener zweep, waarvan elke slag als een

knallend pistoolschot klonk. Ik draaide mijn hoofd om en zag een

tooneel, dat mij letterlijk tot in het gebeente deed koud worden,

en mij voor de eerste maal in mijn leven het gevoel gaf, dat mijne

haren te berge rezen. Daar lag een zwart meisje plat voorover op

eene plank, hare twee duimen zamen gebonden en aan het eene einde

vastgemaakt, hare voeten insgelijks gebonden en strak naar het

andere einde getrokken, terwijl een riem, over haren rug gaande en

om de plank bevestigd, haar vast daartegen aandrukte. Beneden den

riem was zij geheel naakt. Naast haar, op eenen afstand van zes

voet, stond een reusachtige Neger, met eene lange zweep, welke hij

met schrikkelijke kracht en verbazende juistheid aanwendde. Elke

slag nam eene streep vel mede, die aan de zweep vastkleefde of

lillend op de steenen viel, terwijl het bloed daarop volgde. Het

arme schepsel kromp en gilde, en met eene stem, die te gelijk

hare vrees voor den dood en hare schrikkelijke pijn deed blijken,

schreeuwde zij tot haren meester, die bij haar hoofd stond: "O,

spaar mijn leven! Sla mij de ziel niet uit!" Maar de zweep bleef

neêrdalen; streep op streep werd van hare huid afgestroopt; kerf op

kerf werd in het levende vleesch gesneden, tot het een wankleurige,

bloederige klomp raauwe, lillende spieren werd. Het was met de

grootste moeite, dat ik mij weêrhield van op den pijniger toe te

springen en zijne zweep te stuiten; maar helaas! wat kon ik anders

doen dan mij omkeeren, om mijne tranen voor de lijderes en mijne

schaamte over het menschdom te verbergen? Dit was in eene openbare,

geregeld georganiseerde gevangenis; de straf was eene zoodanige,

die door de wet erkend en toegelaten was. Maar denkt gij, dat de

rampzalige een gruwelijk misdrijf had gepleegd, daarvan overtuigd

en tot de zweep veroordeeld was? Geenszins. Zij was door haren

meester gebragt om door den gemeenen beul gegeeseld te worden,

zonder proces, regter of jury, alleen op zijn wenk of knik,

voor een of ander wezenlijk of vermeend misdrijf, of om zijne

grilligheid of boosaardigheid te voldoen. En hij mag haar, zonder

eenige reden op te geven, dag aan dag daar brengen, en zooveel

slagen laten geven als hij verkiest, beneden de vijf en twintig,

indien hij het loon maar betaalt. Of indien hem dit belieft,

kan hij aan zijn eigen huis eene geeselplank houden, en zich

daar tot een barbaar maken. Eene stuitende bijzonderheid dezer

gruwelijke strafoefening was de openbaarheid daarvan, gelijk

ik gezegd heb. Het gebeurde op een binnenplein, met galerijen

omringd, die met kleurlingen van verschillende seksen waren gevuld:

weggeloopene slaven, aangeklaagde misdadigers en slaven, die te

koop waren. Men zou natuurlijk denken, dat zij naar voren drongen

en met ontzetting het barbaarsche schouwspel beneden aanzagen;

maar dit deden zij niet; velen van hun merkten het naauwelijks op,

en velen waren er geheel onverschillig voor. Zij gingen voort met

hunne kinderachtige tijdkortingen, en sommigen op een afgelegen

gedeelte der galerijen lachten luidkeels. Zoo laag kan de mensch,

naar Gods beeld geschapen, in barbaarschheid verzinken!

De Slavernij: Vervolg en Sleutel op De Negerhut · 第 26 / 220 题