[1] Op verschillende plaatsen vindt men bij de oude Romeinsche
schrijvers van verveelvoudiging van boeken, soms in duizend en
meer exemplaren, gewag gemaakt, o. a.: Cicero Pro Sulla XV, 42, 43;
Suetonius Div. Aug. c. 31; Plinius Epistolae IV, 7. Ook werden soms
hooge prijzen geboden aan de schrijvers voor hunne manuscripten. Men
zie hierover: Dr. J. Kohler, Das Autorrecht, Jahrbücher f. d. Dogmatik
XVIII, pp. 448 sqq.; en van denzelfden schrijver: Urheberrecht an
Schriftwerken und Verlagsrecht, Stuttgart 1906 pp. 27 sqq.
[2] Men zie voor de vervaardiging en verspreiding van boeken vóór de
uitvinding der boekdrukkunst o. a.: Zur Erinnerung an die Erfindung
der Buchdruckerkunst van Georg Steinhausen in die Nation van 2 Juni
1900, p. 492.
[3] Dit privilegie is in zijn geheel afgedrukt in: Over het kopy-regt
in Nederland door Mr. B. van den Velden, 1835. p. 290.
[4] Privilegiën door Karel V verleend: in 1538 voor Dye Cronijcke van
Hollat, Zeelant en Vrieslant etc. (misschien een overdruk of vervolg
van het zooeven genoemde boek) in: De Amsterdamsche boekdrukkers en
uitgevers in de zestiende eeuw door E. W. Moes, I p. 136. Privilegiën
van 1546 en 1547 in: Memoriael Boeck van den Hove van Holland (het
eerste door den Griffier Jan van Dam gehouden) 1543-1548 fol. 231
en 287.
Privilegiën van Philips II: bij Moes t. a. p. I p. 352, waar melding
wordt gemaakt van een kaart, uitgegeven in 1575 en beschermd door
"Coe. Mats. Octroije" en ibidem II p. 58, waar een werk wordt genoemd
voorzien van "privileg. Reg. Matis. // et Cancellarie Brabantie". In
de Geschiedenis der Nederlandsche Letterkunde van dr. Jan ten Brink
vindt men van verschillende boeken uit dien tijd het titelblad
gereproduceerd, waarvan sommigen met privilegie. Men zie o. a. de
afbeeldingen tegenover de pp. 234, 272, 280 en 282.
[5] Lieuwe van Aitzema, Saken van Staet en Oorlogh in ende omtrent
de Vereenigde Nederlanden (1633-1644) (fol. uitg. bij Joh. Veely,
Joh. Tongerloo ende Jasper Doll 1669) IIde deel p. 552.
[6] Ibid. p. 660.
[7] Men zie hierover: Resolutiën Staten van Holland 1639 pp. 38, 105,
144, 152, 195 en 1641 pp. 160 en 641; Resolutiën Staten-Generaal 23
dec. 1639.
[8] B.v. in een privilegie van 6 Nov. 1656, Resolutiën Staten-Generaal
1656 fol. 719.
[9] T. a. p. p. 552.
[10] Cau en Scheltus, Groot Placaatboek IV p. 361.
[11] Men zie b.v. de Resolutiën der Staten van Holland 23 Sept. 1734
pp. 628, 629 en 29 April 1740 pp. 261, 262. Van de Staten-Generaal
Res. van 29 Oct. en 24 Dec. 1614 in het Archief voor kerkelijke en
wereldsche geschiedenissen, inzonderheid van Utrecht, uitgegeven door
J. J. Dodt van Flensburg VI pp. 360, 361.
[12] Voorbeelden hiervan o.a. in Dodt V pp. 235, 251, 258, 274,
VII p. 2 en Resolutiën Staten van Holland, 18 Jan. 1737 p. 48.
[13] Resolutiën Staten van Holland 13 Maart 1749 p. 163.
[14] Men zie hierover: Robert Fruin, Hugo de Groot's Inleidinge tot
de Hollandsche Rechtsgeleerdheid, Verspreide Geschriften deel VIII
pp. 21 sqq.
[15] Resolutie der Staten-Generaal van 15 Aug. 1614. Dodt VI p. 359.
[16] Dodt V. p. 15. Een dergelijk geval in: Resolutiën Staten van
Holland 17 Jan. 1585 p. 46.
[17] Resolutie der Staten van Holland van 5 Dec. 1679, geamplieerd
door die van 30 April 1728 (Groot Placaetboek III p. 552 en VI p. 598.)
[18] Groot Geldersch Placaet-boek III p. 644.
[19] Medegedeeld door mr. N. de Ridder in diens proefschrift: Eenige
beschouwingen over kopierecht, Utrecht 1875 p. 31.
[20] Cf. hierover: A. C. Kruseman, Aanteekeningen betr. den Boekhandel
van Noord-Nederland in de 17de en 18de eeuw p. 317.
[21] Resolutiën Staten van Holland 21 Jan. 1580 p. 8 en 9 April 1580
p. 59.
[22] De tekst der Resolutie is te vinden in het Groot Placcaatboek
van Cau en Scheltus V p. 603 en: Wiltens Kerkelijk Placcaat-Boek III
p. 262.
[23] In Venetië, waar de boekdrukkunst al vroeg een hoogen bloei
bereikte, in het jaar 1517 (de Senaat besloot in dat jaar, dat voortaan
uitsluitend privilegiën zouden worden gegeven "pro libris et operibus
novis, nunquam antea impressis, et non pro aliis". D. A. 1889 p. 8),
in Frankrijk sedert 1578; Cf. Kohler Autorrecht p. 85.
[24] Het privilegie is afgedrukt in Groot Placcaatboek I p. 190.
[25] Men zie hierover het placcaat van de Staten van Holland van 19
Maart 1655 in het Groot Placcaatboek II p. 3029.
[26] Res. Staten van Holland 1724 p. 944.
[27] Res. Staten van Holland 29 Sept. 1752 p. 1378.
[28] Amsterdam in de 17de eeuw, Het Muziekleven door D. F. Scheurleer
p. 83.
[29] Res. Staten van Holland 2 April 1746 pp. 217, 218.
[30] Zie o.a. de octrooien der Staten-Generaal van 2 Sept. en 4
Nov. 1615 bij Dodt VI pp. 374 en 380.
[31] Dodt VII p. 22.
[32] Res. St. v. Holl. 3 Sept. 1585 p. 531.
[33] Dodt VI p. 393.
[34] Dodt V p. 2. Zie ook: l'Oeuvre de Willem Jacobsz. Delff par
D. Franken Dz. Amst. 1872 pp. 9, 10.
[35] Dodt V p. 17.
[36] Dodt IV p. 11.
[37] Medegedeeld door dr. A. Bredius in Oud Holland 1890 pp. 75 sqq.
[38] Dodt VII p. 53.
[39] Dodt VII p. 13.
[40] Dodt VII p. 66.
[41] Dodt IV p. 110.
[42] Dodt VI p. 380.
[43] Dodt VII pp. 10, 11.
[44] Res. Staten van Holl. 23 Sept. 1734 pp. 628, 629. Een analoog
geval: ibid 1740 pp. 261, 262.
[45] Resolutie van 15 Mei 1619, Dodt VII p. 64.
[46] Zoo ging het reeds in het oude Rome en later ook o.a. in Engeland
ten tijde van Shakespeare en in Spanje, Frankrijk en Duitschland tot
in de 18de eeuw toe. Cf. Kohler, Autorrecht pp. 463 sqq.
[47] Cf. Dr. J. A. Worp, Geschiedenis van het drama en van het tooneel
in Nederland I p. 172.
[48] Dr. G. Kalff, Literatuur en tooneel te Amsterdam in de zeventiende
eeuw p. 29. Cf. dezelfde schrijver in Amsterdam in de 17de eeuw. De
Letterkunde en het Tooneel p. 16.
[49] Cf. Worp t. a. p. II p. 228.
[50] J. Wagenaar, Amsterdam in zijne opkomst, aanwas, enz. II p. 400.
[51] In: Waerschouwingen aen de... Regenten van de respective
Godshuyzen,... wegens de tegenwoordige directie over den Schouwburg,
enz. van 1699, medegedeeld door Worp t. a. p. II p. 89.
[52] Wagenaar t. a. p. p. 404.
[53] Men zie hierover: D. F. Scheurleer t. a. p. pp. 7 sqq. en 79
sqq. en: Worp t. a. p. II p. 270.
[54] Men zie b.v. in de Res. Staten van Holl. 1580 pp. 79, 113, 146,
166, 197 en 1581 pp. 414 en 570.
[55] Zie speciaal voor de Deventer Almanak: Dodt IV p. 124, VI p. 358,
VII pag. 71; Res. Staten v. Holl. 1749 pp. 122, 123, 1750 pp. 888,
976. Het is duidelijk, dat de privilegiën waarvan hier sprake is, nog
iets anders gaven dan alleen het kopierecht. Het was er niet zoozeer om
te doen, dat zulk een almanak niet werd nagedrukt, dan wel dat anderen
niet eene onderneming in denzelfden geest op touw zouden zetten.
[56] Res. Staten v. Holl. 1582 p. 575.
[57] Ress. St. v. Holl. 6 Juli 1585 pp. 339, 340.
[58] Dodt V p. 262.
[59] Resolutie der Staten-Generaal van 7 Maart 1619, Dodt VII p. 57.
[60] Of dit, ten aanzien van het privilegie der Staten-Generaal, een
goed voorbeeld is van geldige overdracht moet ik betwijfelen, daar
onder het hier bedoelde octrooi in de Resolutiën der Staten-Generaal
staat bijgeschreven: "Bij resolutie van den 23 Febr. 1657" (dus vóór
de overdracht aan Blaauw) "is het octroy in dese resolutie genoemd
ingetrocken." (Res. St.-Gen. 6 Nov. 1656 fol. 719.)
[61] Dodt V pp. 22, 23.
[62] Res. Staten v. Holl. 16 Juli 1749 pp. 537 sqq.
[63] Het privilegie staat afgedrukt in: Oeuvres de Nicolas Boileau
Despréaux avec des Eclaircissemens historiques donnez par lui-même,
à Amsterdam chez François Chanquion MDCCXXIX, Tome Ier.
[64] Hollandse Consultatien en Advysen III p. 509, Consult CLXXXVII, 1
[65] Voorbeelden hiervan: Res. St. v. Holl. 4 April 1737 pp. 191,
192, 4 Aug. 1746 p. 452, 20 Nov. 1750 p. 887.
[66] T. a. p. p. 16. Dezelfde onjuiste meening bij de Ridder
t. a. p. p. 29; J. H. Kok, Auteursrecht en Berner Conventie. Rotterdam
1905 p. 18.
[67] Men zie de hierboven (p. 17) genoemde privilegiën voor den
Deventer almanak en dat voor de staatstukken aan den drukker der
Staten van Holland.
[68] Cf. J. H. W. Unger, Bibliographie van Vondels
werken. Amst. Fred. Muller 1888 pp. 10, 11.
[69] Cf. L'Oeuvre de Willem Jacobsz. Delff p. 12.
[70] J. T. Bodel Nyenhuis, De wetgeving op drukpers en boekhandel
in de Nederlanden tot in het begin der XIXde eeuw, (vertaling
van: Dissertatio historico-juridica de juribus typographorum et
bibliopolarum in regno Belgico, Leid. 1819), p.2.
[71] Uit het reeds genoemde privilegie van Karel V.
[72] Res. St. v. Holl. 1612 p. 192.
[73] Priv. v. d. St. v. Holl, voor G. Brandts Historie der Reformatie.
[74] Priv. v. d. Staten v. Holl. van 1687 voor D. R. Kamphuyzens
Stichtelijke Rijmen.
[75] Cf. de voorrede van den uitgever Lodewyx van der Plasse in het
Groot Liedboeck van G. A. Bredero (uitg. 1622).
[76] T. a. p. p. 53.
[77] T. a. p. p. 33.
[78] Zie o.a.: dr. Kalff in Amsterdam in de 17de eeuw, t. a. p. p. 17.
[79] De gedichten van Constantyn Huygens, uitgeg. door dr. J. A. Worp
1892 p. XXII. Huygens zelf schijnt ook den nadruk geen zeldzaam
verschijnsel te hebben gevonden; in een "Aen den Drucker" vóór zijn
"Hofwyck" zegt hij:
"Van dusend tegen een
De nadruck sal ons beurt zijn."
[80] Cf. Scheurleer in Amsterdam in de 17de eeuw t. a. p. p. 85.
[81] Zie het bovengenoemde voorbericht van zijn Groot Liedboeck.
[82] Men zie het "Berecht aen den Lezer" in: Gedichten van Hubert
Kornelisz. Poot, 2de druk 1724 (te Delf bij Reinier Boitet).
[83] Dr. J. ten Brink t. a. p. p. 478.
[84] Men zie b.v. over de herhaalde nadrukken van H. de Groot's
Inleidinge tot de Hollandsche Rechtsgeleerdheid: Rob. Fruin, Verspreide
Geschriften VIII pp. 26 sqq.
[85] Kruseman t. a. p. p. 526. Zie ook voor andere gevallen van nadruk:
ibid. pp. 346, 80 sqq.
[86] T. a. p. p. 63.
[87] Men vindt den tekst dezer overeenkomst in: Bouwstoffen voor een
geschiedenis van den Nederlandschen boekhandel door A. C. Kruseman
I p. 821.
[88] Kruseman, Aanteekeningen etc. p. 471.
[89] Medegedeeld door: Kruseman, Aanteekeningen etc. p. 86.
[90] "Scripsit ad me Trajecto Jacobus Petitius... volare per manus
multorum nostras Institutiones Juris Batavici; in exquirendo eius
plagii fonte ... se tibi adiutorem fore... etc." Cf. hierover:
R. Fruin, Hugo de Groot's Inleidinge tot de Hollandsche
Rechtsgeleerdheid, Verspreide Geschriften VIII pp. 16 sqq. In
denzelfden bundel (p. 272) maakt Fruin melding van een soortgelijk
geval ruim honderd jaar vroeger aan Erasmus overkomen. In het
voorbericht van zijn De contemptu mundi schreef deze: "Typographi
palam minitabantur sese edituros, nisi ederem ipse."
[91] Scheurleer t. a. p. p. 85.
[92] Gedichten van Hubert Kornelisz. Poot, 2de druk 1724, bij Reinier
Boitet te Delf, "Berecht aen den Lezer."
[93] Res. St. van Holland 1728 pp. 438 sqq. Het placcaat is ook te
vinden in: Kerkelijk Placaatboek II pp. 522 sqq.
[94] J. v. Vondel tegens de valsche druckmunt gangbaer op zijnen naem,
gestelt voor den Hollantschen Parnas. (De werken van Vondel in verband
gebracht met zijn leven door mr. J. v. Lennep IX p. 143.)
[95] Medegedeeld door dr. Hermann Ortloff, Das Autor- und Verlagsrecht
als strafrechtlich zu schützendes Recht. Jahrbücher für die Dogmatik
V p. 295.
[96] Zie hierover en over de ontwikkeling van het begrip "geestelijke
eigendom" in Duitschland: "Die Idee des geistigen Eigenthums" door
dr. J. Kohler in Archiv für die civilistische Praxis, Band 82 pp. 166
sqq. Men zie ook: Paul Laboulaye, Etude sur le droit de propriété
littéraire en Allemagne. Paris 1855 pp. 9 sqq.
[97] O.a. in een bekend arrest van het Conseil du roi van 14
Sept. 1761, waarbij aan de kleindochters van La Fontaine het kopierecht
op de werken van hun grootvader werd toegekend. Men zie hierover o.a.:
mr. J. Heemskerk, Voordragten over den eigendom van voortbrengselen
van den geest. Haarlem 1856 p. 53.
[98] Hollands Rykdom door mr. Elias Luzac (de Nederl. vertaling,
Leiden 1781) II p. 530.
[99] T. a. p. p. 529.
[100] Scheurleer t. a. p. p. 75.
[101] Te vinden in: Fruin, Verspreide Geschriften VII p. 401.
[102] Max Rooses, Christophe Plantin, Imprimeur Anversois, 2me
ed. Anvers 1890, pp. 228 sqq.
[103] Brieven van Maria van Reigersbergh, uitg. door mr. H. Vollenhoven
en dr. G. D. J. Schotel. Middelburg 1857 p. 35.
[104] T. a. p. p. 42.
[105] In: Amsterdam in de XVIIde eeuw, t. a. p. pp. 14 en 16, alwaar
ook het bovengeciteerde vers van de Decker wordt vermeld.
[106] Cf. Max Rooses, Christophe Plantin, imprimeur Anversois, 2me
ed. p. 133.
[107] T. a. p. p. 27 noot 2.
[108] Dodt V p. 15.
[109] Res. der Staten-Generaal 1703 deel II fol. 244 en 361. Zie ook
Res. Staten v. Holl. 1703 p. 472.
[110] Res. St. v. Holl. 20 Nov. 1745 pp. 937, 938.
[111] Res. Staten v. Holl. 18 Maart 1722 pp. 131, 132.
[112] Res. St. v. Holl. 17 Aug. 1730 p. 718.
[113] Res. St. v. Holl. 5 Oct. 1735 p. 572.
[114] Res. St. v. Holl. 4 April 1737 pp. 191, 192.
[115] Res. St. v. Holl. 17 Dec. 1738 p. 704.
[116] Ik doorzocht o.a. zonder resultaat de correspondentie der
Nederlandsche gedelegeerden met de Staten-Generaal en den Stadhouder
en die tusschen den Nederlandschen gedelegeerde Bentinck en den
griffier Fagel, berustende in het Rijksarchief te 's Gravenhage
(Legatie-archief nos. 85, 86, 87). De oudste bron, die ik ervoor
genoemd vond, is: Pütter, Der Büchernachdruck, Göttingen 1774 p. 117.
[117] De tekst is te vinden in: Decreeten van de vergadering van het
provinciaal bestuur van Holland, 6 Dec. 1796-6 Jan. 1797 p. 21. Ook
bij van den Velden t. a. p. p. 294.
[118] T. a. p. 47 noot 1.
[119] De wet is in haar geheel afgedrukt bij van den Velden
t. a. p. pp. 308 sqq. en de Ridder t. a. p. pp. 266 sqq.
[120] Consideransen tot de wet van 3 Junij 1803, geopperd door het
Staatsbewind der Bataafsche Republiek bij missive van 10 Januarij
1803 aan het wetgevend Ligchaam van het Bataafsch Gemeenebest. Te
vinden bij Bodel Nyenhuis t. a. p. pp. 353 sqq.
[121] Men zie hierover: van den Velden t. a. p. pp. 83 sqq.
[122] Zie hierover ook de juiste uitspraak van de
Arrondissements-Rechtbank te Amsterdam van 27 December 1843. In:
Het Letterkundig Eigendomsregt in Nederland, wetten, traktaten,
regtspraak enz. 's Gravenhage 1865 pp. 135 sqq.
[123] Cf.: Evertsen de Jonge, Verhandeling over de regten van
schrijvers en kunstenaars op hunne werken. Utrecht 1853 pp. 83 sqq.
[124] O.a. door: Evertsen de Jonge t. a. p. pp. 168 sqq., de Ridder
t. a. p. p. 125, mr. J. Heemskerk t. a. p. p. 56 en in een arrest
van den Hoogen Raad van 22 Mei 1850 (Weekbl. v. h. Recht no. 1136).
[125] W. v. h. R. no. 122.
[126] Men zie hierover de beslissingen van de Arr. Rechtb. te Tiel
van 13 Febr. 1840 en van het Hof van Gelderland van 12 Maart 1840,
alsmede de adviezen van de rechtsgeleerden Mrs. Dirk Donker Curtius,
W. C. B. Wintgens en S. P. Lipman in: Het Letterkundig Eigendomsregt
in Nederland II pp. 73 sqq. Voorts een geschrift van mr. S. P. Lipman,
Onderzoek omtrent de wettigheid der koninklijke besluiten van 2 en
30 Juli 1822 en 18 Juni 1829. Cf. ook: G. K. van Hogendorp, Bijdragen
tot de Huishouding van Staat, 2de uitg. VIII pp. 282, 283.
[127] Het belangrijkste hiervan is medegedeeld in: Het Letterkundig
Eigendomsregt in Nederland II pp. 138 sqq.
[128] Men zie hierover o.a. het advies van de advocaten mrs. J. van der
Linden, M. C. van Hall, N. Sinderam, S. A. E. Verburg en F. A. van Hall
van 31 Maart 1817 in: Het Letterk. Eigendomsregt pp. 83 sqq. en een
arrest van den Hoogen Raad van 10 December 1839 in W. v. h. R. no. 67.
[129] Zie hierover: van den Velden t. a. p. pp. 94 sqq.
[130] Cf. Kruseman, Bouwstoffen enz. II pp. 578 sqq.
[131] Beiden te vinden in: Het Letterk. Eigendomsregt pp. 247 sqq.
[132] Hand. Staten-Generaal 1876-1877. Bijlage 202.
[133] Hand. Tweede Kamer der St.-Gen. 1877-1878. Bijlage 25.
[134] Handel. Tweede Kamer 1880-1881. Bijlage 15.
[135] Handel. Tweede Kamer 1880-1881 pp. 1627 sqq.
[136] Handel. Tweede Kamer 1880-1881 pp. 1637 sqq.
[137] Handel. Tweede Kamer 1883-1884. Bijlage 166.
[138] Handel. Tweede Kamer 1884-1885. Bijlage 72 no. 3.
[139] Handel. Tweede Kamer 1884-1885. Bijlage 72 no. 4.
[140] Men zie o.a. de redevoeringen der Tweede Kamerleden van der
Vlugt en Bos bij de behandeling van de begrooting van Justitie in 1904,
Hand. Tweede Kamer 1904/05 pp. 831-833, 880.
[141] Eene uitvoerige beschrijving van den nadruk in België in die
jaren vindt men bij: Kruseman, Bouwstoffen enz. I pp. 526 sqq.
[142] Men zie hierover de uitspraken van het Tribunal civil de la
Seine (28 Maart 1884) en van het Cour de Cassation (25 Juli 1887)
in Droit d'Auteur 1888 p. 126 en 1889 pp. 8 sqq. en de meening van
Darras en Pouillet in hetzelfde tijdschrift 1902 p. 51.
[143] Cf. hierover o.a.: de Martens, Traité de Droit international
(traduit du Russe par Alfred Léo), Paris 1886 II pp. 222 sqq.
[144] Actes de la Conférence internationale pour la protection des
droits d'auteur, Berne 1884 pp. 28, 29.
[145] Actes p. 77.
[146] Actes p. 89.
[147] Men zie o.a. het rapport der Commissie in 1884, Actes
pp. 47 sqq. en de verklaringen van den Zweedschen en den Franschen
afgevaardigde, ibid. pp. 31, 32.
[148] Montenegro is echter 1 April 1900 weer uit het Verbond getreden.
[149] De tekst dezer stukken is te vinden in: Actes de la Conférence
de Paris 1896 pp. 36 sqq. en 51 sqq.
[150] Cf. het door Renault opgestelde rapport van de werkzaamheden
der Commissie, Actes p. 179.
[151] Te vinden: Actes p. 229.
[152] Actes p. 229.
[153] Actes p. 146.
[154] Actes de la Conférence de Berlin de 1908 p. 153.
[155] Actes pp. 37 sqq.
[156] Actes pp. 71 sqq.
[157] Actes pp. 77 en 78.
[158] Men zie: D. A. 1907 pp. 113 sqq.
[159] Tableau des voeux émis par divers congrès et assemblées en vue du
développement de la protection des oeuvres littéraires et artistiques,
deuxième série 1896-1907. Berne 1908. Ook te vinden: Actes pp. 79 sqq.
[160] Louis Delzons, L'oeuvre de la Conférence de Berlin sur la
propriété littéraire et artistique, Revue des deux mondes 15 Dec. 1908
p. 905.
[161] Droit d'Auteur 1900 pp. 98 sqq.
[162] Dit is ook ingezien door de Commissie, belast met de
voorbereiding van eene nieuwe wet op het auteursrecht in
Italië. D. A. 1907 p. 72.
[163] Het werd goedgekeurd door de Wet van 22 Juli 1855 (Staatsblad
no. 101) en in het Staatsblad geplaatst bij K. B. van 22 Juli 1855
(Staatsblad no. 107).
[164] Men vindt den tekst van de Additionneele Overeenkomst en van
de Verklaring resp. in: K. B. van 22 Mei 1860 (Staatsblad no. 19)
en K. B. van 16 Augustus 1855 (Staatsblad no. 176).
[165] Goedgekeurd door de Wet van 28 Dec. 1858 (Staatsblad no. 119);
in het Staatsblad geplaatst door het K. B. van 4 Maart 1859 (Staatsblad
no. 11).
[166] Goedgekeurd door de Wet van 27 Juni 1863(Staatsblad no. 86);
in het Staatsblad geplaatst door het K. B. van 9 Juli 1863 (Staatsblad
no. 115).
[167] Staatscourant 1880 nos. 30 en 180, 1881 no. 194, 1882 nos. 30
en 264. In het werkje van mr. Veegens, Het auteursrecht volgens de
Nederlandsche wetgeving, dat in 1895 uitkwam, wordt het tractaat met
Spanje abusievelijk als nog van kracht zijnde behandeld. pp. 178 sqq.
[168] Cf.: Droit d'Auteur 1895 pp. 50, 51.
[169] Men zie de: Memorie van Beantwoording van den minister van Hall,
Bijlagen Tweede Kamer 1854-1855 p. 795; en zijne rede in de vergadering
van 22 Juni 1855, Bijblad Tweede Kamer 1854-1855 p. 1012. Cf. ook:
Bijblad Eerste Kamer 1854-1855 p. 1909 en Bijblad Tweede Kamer
1855-1859 pp. 468 en 470. Een overzicht hiervan is te vinden in:
Het letterkundig eigendomsregt in Nederland I pp. 67 sqq.
[170] Actes 1885 p. 81.
[171] Men zie o.a. het Rapport der Commissie, benoemd door de
vergadering van 15 Februari 1905, om van voorlichting en raad te
dienen inzake de Berner Conventie, aan de algemeene vergadering der
Vereeniging van Letterkundigen, gehouden 5 Juni 1905. Opgenomen in
het Nieuwsblad voor den Boekhandel 1905 nos. 87, 88 en 89 en in de
Kroniek 1905 nos 564, 565 en 566.
[172] Handel. Tweede Kamer 1905-1906 p. 1070.
[173] Actes 1908 pp. 150, 151 en 217.
[174] Overzicht der voornaamste van 1 Januari-15 September 1909
door het Ministerie van Buitenlandsche Zaken behandelde en voor
openbaarmaking geschikte aangelegenheden p. 68.
[175] Cf. Kohler, Die Idee des geistigen Eigenthums, Archiv für
civilistische Praxis 82 pp. 166 sqq.
[176] Cf. Fernand Renouard, Essai sur la nature du droit d'auteur,
Genève 1869 pp. 38 sqq.
[177] Cf. o.a. Charreyron, De la propriété littéraire et artistique,
Thèse pour le doctorat. Paris 1904 p. 29: "Toutefois, malgré
les arguments juridiques invoqués par le second système (dat den
letterkundigen eigendom bestrijdt), il ne peut être contesté à notre
avis, que l'auteur ait sur son oeuvre un véritable droit de propriété."
[178] Men zie hierover o.a.: Dr. H. Ortloff, Das Autor- und
Verlagsrecht als strafrechtlich zu stützendes Recht in Jahrbücher
für die Dogmatik V pp. 323 sqq.
[179] Im. Kant, Metaphysik der Sitten I, Rechtslehre, 1. Theil,
II Haupst., 3 Abschn., § 31 II.
[180] Men zie o.a. Otto Gierke, Deutsches Privatrecht I (systematisches
Handbuch der Deutschen Rechtswissenschaft von dr. Karl Binding,
2de afd. 3de deel) pp. 702 sqq.
[181] Von Gerber, Ueber die Natur der Rechte des Schriftstellers und
Verlegers in: Jahrbücher f. d. Dogmatik II pp. 359 sqq.
[182] Dr. Julius Jolly, Die Lehre vom Nachdruck nach den Beschlüssen
des deutschen Bundes dargestellt. Beilageheft zum Archiv für
civ. Praxis Bnd. XXXV (1852) p. 91.
[183] Macaulay, Speeches (Tauchnitz Edition) vol. 1 p. 277.
[184] Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van
Wetenschappen. Afd. Letterkunde, deel VI p. 349.
[185] Bijdragen tot de kennis van het Staats-, Provinciaal en
Gemeente-Bestuur in Nederland XV (nieuwe serie II) pp. 1 sqq. en
113 sqq.
[186] Hand. Nederl. Juristen-Vereeniging 1877 I p. 35.
[187] Hand. Ned. Juristen-Vereeniging 1877 I p. 97.
[188] Handelingen Nederl. Juristen-Vereeniging 1877 II pp. 70, 71.
[189] De verschillende opstellen van den heer de Savornin Lohman,
waarin zijne theorie is ontwikkeld, zijn te vinden in: Themis
1862 pp. 213 sqq., Rechtsgeleerde Bijdragen 1864 pp. 140 sqq.,
Bijdragen tot de kennis van Staats-, Provinciaal en Gemeentebestuur in
Nederland XVI (nieuwe serie III) pp. 6 sqq. en 72 sqq. Men zie ook:
Weekbl. v. h. Recht, no. 2916 en Hand. Ned. Jur.-Ver. 1877 II pp. 5
sqq. en 43 sqq.
[190] Mr. G. Belinfante, Het recht van den auteur. Themis 1877
pp. 204a sqq.
[191] Men zie hiervoor, behalve de reeds genoemde geschriften van
mrs. de Ridder en Freseman Viëtor, nog van den laatste: Kantteekeningen
op het ontwerp van wet tot regeling van het auteursrecht. Utrecht
1877 pp. 6 sqq.
[192] Mr. S. Katz, Het Auteursrecht. Rechtsgeleerd Magazijn I
pp. 311 sqq.
[193] T. a. p. p. 328.
[194] Mr. J. D. Veegens, Nederland en de Berner Conventie. De Gids
1896 III pp. 411 sqq.
[195] T. a. p. p. 413.
[196] Handelingen Tweede Kamer 1880/81 pp. 1628, 1644.
[197] Ibid. pp. 1628, 1642.
[198] Men zie o.a.: mr. Henry Viotta, Het auteursrecht van den
componist. Amst. 1877 pp. 8 sqq.; Mr. J. van de Kasteele, Het
auteursrecht in Nederland. Leiden 1885 pp. 8 sqq.; Mr. A. G. N. Swart,
Opmerkingen betreffende auteursrecht op werken van beeldende
kunst. Leiden 1891 pp. 27 sqq.
[199] Men zie b.v.: Opzoomer, Het Burgerlijke Wetboek verklaard III
p. 205; Asser en van Heusde, Handleiding tot de beoefening van het
Nederl. Burg. Recht II p. 57; Land, Verklaring van het Burgerlijk
Wetboek II p. 2 (2de druk).
[200] Edouard Laboulaye, geciteerd door Fern. Renouard t. a. p. p. 29.
[201] Zoo o.a. Mr. A. A. de Pinto, Begrip en omvang van het
auteursrecht volgens de Nederlandsche wet in Verslagen en Mededeelingen
der Koninklijke Akademie van Wetenschappen, Afd. Letterkunde 3de reeks,
deel XII pp. 5 sqq.; de Ridder t. a. p. p. 92; Land t. a. p. p. 2.
[202] Autorrecht p. 98.
[203] Men zie het reeds genoemde artikel van Mr. Freseman Viëtor in
Bijdr. tot de kennis v. h. Staats-, prov. en gem.-best. in Nederl. XV
(nieuwe serie II) pp. 1 sqq.
[204] T. a. p. p. 6.
[205] T. a. p. p. 9.
[206] T. a. p. p. 22.
[207] T. a. p. pp. 22, 23.
[208] T. a. p. p. 23.
[209] In: Themis IX pp. 213 sqq.
[210] H. J. Hamaker, Het rechtsbewustzijn en de rechtsfilosofie in:
Verslagen en Mededeelingen der Koninklijke Akademie van Wetenschappen,
Afd. Letterkunde, vierde reeks, deel IX p. 33.
[211] Cf. Hamaker t. a. p. p. 36.
[212] Heinrich Heine, Ideen. Das Buch le Grand. Kap. XIV.
[213] Cf. Kohler, Autorrecht pp. 209, 210.
[214] Autorrecht p. 211.
[215] Autorrecht pp. 212 sqq.
[216] Archiv für civilistische Praxis 82 pp. 166 sqq. Cf. ook: Jolly,
Die Lehre vom Nachdruck pp. 7 sqq. p. 87.
[217] Amsterdamsch Schetsboek door S. Falkland, Handelsblad 19 Jan,
1907, Avondblad, 3de blad.
[218] Freseman Viëtor t. a. p. p. 112.
[219] Freseman Viëtor, Hand. Nederl. Jur. Vereeniging 1877 I p. 14.
[220] Hand. Jur. Ver. 1877 I pp. 96, 97.
[221] Hand. Jur. Ver. 1877 II p. 20.
[222] Prof. W. L. P. A. Molengraaff in: Rechtsgeleerd Magazijn 1887
p. 386.
[223] O.a. mr. G. Belinfante in Themis 1865 p. 341.
[224] Bijdragen enz. XV p. 20.
[225] Rechtsgeleerd Magazijn 1887 p. 390.
[226] Otto Gierke, Deutsches Privatrecht t. a. p. p. 756.
[227] Hand. Jur. Ver. 1877 II p. 57.
[228] Nederland en de Berner Conventie door mr. J. A. Levy in: Het
Paleis van Justitie 9 Aug. 1898.
[229] Hand. Jur. Ver. 1877 I p. 68.
[230] P. J. Proudhon, Les Majorats littéraires (Oeuvres complètes,
tome XVI) p. 11.
[231] T. a. p. p. 13.
[232] T. a. p. p. 17.
[233] Behalve zijne economische beschouwingen gaf Proudhon over het
auteursrechtvraagstuk nog: "Considérations morales et esthétiques"
en "conséquences sociales".
[234] Louis Blanc, De la propriété littéraire, Organisation du travail,
5me ed. Paris 1848 pp. 234, 235.
[235] De door mij geraadpleegde werken van Schaeffle zijn:
Die ausschliessenden "Verhältnisse" mit besonderer Rücksicht auf
litterarisch-artistisches Autorrecht, Patent-, Muster- und Markenschuz
in Zeitschrift für die gesammte Staatswissenschaft 1867 (Band 23)
pp. 113-218 en 291-476, en: Ueber die volkswirtschaftliche Natur der
Güter der Darstellung und der Mittheilung in hetzelfde tijdschrift 1873
(Band 29) pp. 1-70.
[236] Ik heb gemeend het woord "Unternehmer-Rente" dat Schaeffle
hier gebruikt, te moeten vertalen door "ondernemerspremie"
en niet door "ondernemersrente", zooals b.v. mr. de Ridder
deed. Cf. mr. N. G. Pierson, Leerboek der Staathuishoudkunde I
pp. 230 sqq.
[237] T. a. p. Band 23 p. 346.
[238] T. a. p. Band 23 p. 347.
[239] Archiv für civilistische Praxis Band 82 p. 208.
[240] Cf. hierboven pp. 85 sqq.
[241] Men zie: Hand. Ned. Jur. Vereeniging 1877 I pp. 75 sqq. en:
Eenige beschouwingen over kopierecht pp. 96 sqq.
[242] Eenige beschouwingen over kopierecht p. 8.
[243] Men zie o.a.: Freseman Viëtor in Bijdr. enz. XV pp. 27 sqq. en
Mr. J. A. Levy in Hand. Ned. Jur. Ver. 1877 II pp. 16 sqq.
[244] Bijdragen enz. XVI p. 58.
[245] Hand. Jur. Ver. 1877 II p. 47.
[246] T. a. p. p. 10.
[247] Bijdragen enz. XVI p. 51.
[248] T. a. p. p. 10.
[249] T. a. p. 11.
[250] In dezen zin o.a. reeds: Edouard Laboulaye, Etudes sur
la propriété littéraire en France et en Angleterre, aangehaald
door Fernand Renouard, t. a. p. pp. 42 sqq. Hier te lande werd de
eigendomstheorie in dezen vorm voorgedragen door mr. G. Belinfante, Het
recht van den auteur, Themis 1877 pp. 204a sqq. Eenigszins afwijkend is
de leer, door dr. O. Bähr verkondigd in Archiv für Bürgerliches Recht
VII pp. 150 sqq.; hij beschouwt niet het auteursrecht als uitvloeisel
van het eigendomsrecht op het materieele voorwerp, maar hij betoogt,
dat daar waar geen auteursrecht bestaat (b.v. bij een handschrift van
een reeds lang gestorven schrijver), den eigenaar van het handschrift
het recht toekomt, uitsluitend over de verveelvuldiging te beschikken.
[251] Beweis der Unrechtmässigkeit des Büchernachdrucks. Sämmtliche
Werke 8 pp. 224 sqq.
[252] Hegel's Grundlinien der Philosophie des Rechts § 43; men zie
ook §§ 68 en 69.
[253] Zoo b.v. mr. J. A. Levy in Paleis van Justitie 9 Aug. 1898 p. 2:
"Genoeg, dat gij met uw ellendig auteursrecht, benepen gewrocht van
kleinzielige opvatting, er in geslaagd zijt haar, de gedachte, ten
halve te kortwieken..." enz.
[254] Zoo b.v. mr. J. A. Levy, t. a. p. pp. 1 en 2; mr. J. D. Veegens,
De Gids 1896 III p. 416; J. D. Doorman, Het vrije vertalingsrecht
verdedigd (Leiden 1885) p. 9; J. H. Kok, Auteursrecht en de Berner
Conventie (Rotterdam 1905) p. 41.
[255] Handel. Tweede Kamer 1880-1881 p. 1629.
[256] Cf. in dezen zin: Prof. mr. W. L. P. A. Molengraaff,
Rechtsgeleerd Magazijn VI pp. 376, 377.
[257] Men zie b.v. in dezen zin: Evertsen de Jonge t. a. p. p. 23;
Freseman Viëtor, Bijdr. enz. XV p. 16; mr. J. A. Levy in
Hand. Ned. Jur. Ver. 1877 II p. 15.
[258] Urheberrecht p. 24. Men zie ook: Archiv für civilistische Praxis
82 pp. 141 sqq.
[259] Die Lehre vom Nachdruck pp. 37, 38.
[260] Eenige beschouwingen over kopierecht p. 77.
[261] Dr. J. P. N. Land, Inleiding tot de wijsbegeerte 2de druk
's Gravenhage 1900 p. 109.
[262] Men heeft ook in anderen zin het auteursrecht genoemd een
recht op een onlichamelijke zaak, door niet het geestesproduct zelf
als object aan te nemen, maar "het recht van reproduceeren" of "de
reproductie". Zoo b.v. mr. A. A. de Pinto, Begrip en omvang van het
auteursrecht volgens de Nederlandsche wet, Versl. en Mededeelingen der
Kon. Akademie van Wetensch. Afd. Letterk. 3de reeks 12de deel p. 17,
die schrijft:
"Tot die rechten" (n.l. rechten op onlichamelijke zaken) "behoort nu
ongetwijfeld... het auteursrecht, waarvan het object, de reproductie
van een werk, is onlichamelijk, immaterieel, onverschillig of dat werk
zelf reeds een materieel bestaan heeft." Juister en duidelijker is
het m. i. in plaats van "de reproductie van het werk" het werk zelf
als object te beschouwen. De reproductie is de handeling, waartoe het
recht de uitsluitende bevoegdheid geeft, dus: de inhoud van het recht.
[263] O.a. Prof. mr. W. L. P. A. Molengraaff, Rechtsgeleerd Magazijn
1887 p. 393; Prof. mr. D. Simons, Leerboek van het Nederlandsche
Strafrecht II p. 65.
[264] O. Gierke, Deutsches Privatrecht I t. a. p. pp. 260 sqq.
[265] Urheberrecht p. 5, cf. ook p. 1.
[266] T. a. p. p. 765.
[267] T. a. p. p. 767.
[268] Tegen de leer van Gierke zijn door Kohler nog verschillende
andere bezwaren ingebracht. Men zie: Urheberrecht pp. 1 sqq., Archiv
für bürgerliches Recht X pp. 246 sqq.
[269] Cf. Kohler, Urheberrecht p. 16.
[270] Ik blijf mij van den gebruikelijken term "industrieele eigendom"
bedienen, hoewel daartegen dezelfde bedenking is te maken als tegen
de uitdrukking "letterkundige eigendom".
[271] Dr. Heinrich M. Schuster, Das Urheberrecht der Tonkunst in
Oesterreich, Deutschland und andern europäischen Staaten p. 1.
[272] Hier en in het vervolg gebruik ik het woord woordkunst in
den ruimen zin van de kunst, die het woord als uitdrukkingsmiddel
gebruikt. Cf. hierover: Dr. J. te Winkel, De ontwikkelingsgang der
Nederlandsche Letterkunde Haarlem 1907 Inleiding p. XLII.
[273] Urheberrecht p. 131.
[274] Men zie b.v.: Schuster t. a. p. pp. 74 sqq. en 241 sqq.
[275] Men zie over de beteekenis, die de uitvinding van den phonograaf
in verschillende opzichten voor het recht kan hebben: J. Wolterbeek
Muller, De Phonograaf in het rechtsleven, Proefschr. Leiden 1895.
[276] Droit d'Auteur 1901 p. 128.
[277] Men zie: D. A. 1900 p. 111.
[278] Congres van Vevey, Aug. 1901, D. A. 1901 p. 104. Op het congres
van Neuchatel in het jaar 1907 werd het vraagstuk van de bescherming
der uitvoerende kunstenaars wederom door Osterrieth ter sprake gebracht
en werd tot nadere bestudeering ervan besloten. D. A. 1907 p. 117.
[279] De reproductie was in dit geval geschied door de
photographie. Een geïllustreerd tijdschrift had afbeeldingen opgenomen
van enkele tafereelen uit het stuk.
[280] D. A. 1899 p. 20.
[281] Das literarische und artistische Kunstwerk und sein Autorschutz
p. 61 noot.
[282] Dat een gecostumeerde optocht geen object van auteursrecht kan
zijn volgens het Zwitsersche recht, werd uitgemaakt door het Hof van
Cassatie te Zürich 27 Aug. 1890, D. A. 1890 pp. 136 sqq. Cf. ook:
Kohler, Kunstwerkrecht pp. 31 en 32.
[283] Urheberrecht p. 137.
[284] Urheberrecht p. 128.
[285] Das literarische und artistische Kunstwerk und sein Autorschutz
p. 7.
[286] Urheberrecht p. 138.
[287] De onderscheiding is niet alleen met het oog op het auteursrecht
van belang. Men zie b.v. Gustav Gerber, Die Sprache als Kunst,
2e Aufl. Berlin 1885 I p. 48, waar onderscheiden wordt tusschen:
"die Sprache des Bedürfnisses" en "die der freien Darstellung". Van
de eerstgenoemde zegt Gerber: "Diese Sprache des Bedürfnisses, die
Prosa der Sprachkunst, gehört aber gar nicht in der Litteratur: sie
wird, wenn nicht scharf, doch genügend, als Sprache des gewöhnlichen
Lebens bezeichnet."
[288] Gierke t. a. p. p. 770.
[289] Men zie b.v.: Daude, Lehrbuch des Deutschen Urheberrechts
p. 13; Mandry, Kritische Vierteljahrschrift VII pp. 40 sqq.; Jolly
t. a. p. pp. 115 sqq.; Beseler, System des gemeinen deutschen
Privatrechts III p. 335.
[290] N. de Ridder, Eenige beschouwingen over kopierecht pp. 95, 96.
[291] T. a. p. pp. 102 sqq.
[292] J. G. Robbers Jr., Het Auteursrecht, Opmerkingen en
beschouwingen, Amsterdam 1896 p. 13.
[293] Als voorbeeld hiervan moge dienen de volgende zin uit een
brief van een krankzinnige, medegedeeld door dr. J. P. N. Land,
Inleiding tot de Wijsbegeerte 2e druk p. 460 noot 1: "Aangezien ik
tot heden geene constitutioneele honig ontving, vermeen ik, dat de
gevolgtrekking niet gewaagd mag genoemd worden, te veronderstellen,
dat er eene honige constitutie bestaat." Eene dergelijke zin, of
eene aaneenschakeling van zinnen van dezen aard, kan geen voorwerp
van auteursrecht zijn, ook al komen er geen fouten in voor tegen de
taal- en stelregels. Men heeft hier te doen, niet met eene gebrekkige,
maar met eene mislukte uiting in woordvorm.
[294] Mr. Robbers zegt wel (t. a p. p. 14), dat hij opzettelijk niet
spreekt van letterkundige waarde, daar hij dit een te subjectief
begrip acht; het is mij echter uit zijne toelichting niet volkomen
duidelijk geworden, welke eigenschappen van vorm of inhoud hij hier
dan wél in aanmerking wenscht te zien genomen.
[295] Nederland en de Berner Conventie in: Het Paleis van Justitie
9 Aug. 1898 pp. 1 en 2. Mr. Levy nam ook deel aan het debat op de
bovenbesproken vergadering der Nederl. Juristenvereeniging. Cf.
hierboven pp. 88 sqq.
[296] Men zie b.v.: J. H. Kok, Auteursrecht en Berner Conventie,
Rotterdam 1905 p. 42.
[297] Men zie b.v.: Ludwig Noiré, Max Müller und die
Sprach-Philosophie, Mainz 1879 pp. 36 en 81.
[298] Dr. H. Steinthal, Abriss der Sprachwissenschaft (erster Teil,
Die Sprache im Allgemeinen) 2e Aufl. Berlin 1881 pp. 47 sqq.
[299] T. a. p. p. 51.
[300] Dr. J. P. N. Land, Inleiding tot de Wijsbegeerte 2e druk. 's
Gravenhage 1900 p. 457.
[301] T. a. p. p. 459.
[302] Het woord, zijn oorsprong en zijne uitlegging. Rede gehouden bij
de overdracht van het Rectoraat aan de Vrije Universiteit 20 October
1908 door Dr. J. Woltjer, Hoogleeraar in de faculteit der Letteren
en Wijsbegeerte. Amsterdam 1908 p. 14.
[303] T. a. p. p. 15.
[304] T. a. p. p. 62.
[305] T. a. p. p. 54.
[306] Ueber Sprache und Worte, Parerga und Paralipomena II (Arthur
Schopenhauer's sämmtliche Werke, herausg. v. Eduard Grisebach V
p. 602, variante).
[307] Willem Kloos, Nieuwere Literatuur-Geschiedenis I p. 197.
[308] L. van Deyssel, Verzamelde Opstellen 4de Bundel p. 260.
[309] Frederik van Eeden in de Nieuwe Gids (Tweemaandelijksch
tijdschrift voor letteren, kunst, politiek en wetenschap) 4de Jaargang,
1889 deel II p. 118.
[310] F. van der Goes, De opleiding van Tooneelspelers in: de Nieuwe
Gids enz. Jaarg. 5 (1890) deel II p. 279.
[311] Dat met name het begrip "klankexpressie" niet eene uitvinding
was van Kloos en Verwey, werd nog onlangs aangetoond door Dr. Is. van
Dijk in eene voordracht getiteld "Stijl", opgenomen in: Handelingen
en Mededeelingen van de Maatschappij der Nederlandsche Letterkunde
te Leiden over het jaar 1907-1908, Leiden 1908 pp. 69, 70.
[312] Gustav Gerber, Die Sprache als Kunst II p. 345.
[313] T. a. p. p. 346.
[314] Cf.: L. v. Deyssel, Verzamelde Opstellen IV pp. 257, 258. Men
zie ook: ibid. V pp. 5 sqq.
[315] T. a. p. p. 259.
[316] Cf. de boven (p. 151) aangehaalde woorden van Kloos.
[317] Men zie het boven aangehaalde van L. van Deyssel (p. 152).
[318] Das literarische und artistische Kunstwerk und sein Autorschutz
pp. 33, 34.
[319] De vertaling van Akëdysséril, L. van Deyssel, Verzamelde
opstellen IV pp. 181 sqq. Het artikel van prof. van Hamel is te
vinden in de Gids 1897 II pp. 139 sqq.; men zie ook in hetzelfde deel:
"Aanteekeningen en opmerkingen" pp. 567 sqq.
[320] T. a. p. p. 183.
[321] T. a. p. p. 187.
[322] Men vergelijke ook, wat Willem Kloos opmerkt naar aanleiding
eener Virgilius-vertaling, Nieuwere Literatuur-geschiedenis IV
pp. 12 sqq.
[323] In eene Engelsche rechterlijke beslissing werd werkelijk
uitgemaakt, dat iemand, die eene kaart teekent van een pas ontdekt
eiland "... must go through the whole process of triangulation, just
if he had never seen any former maps;..." etc., medegedeeld door:
Kohler, Das literarische und artistische Kunstwerk p. 12.
[324] Louis Blanc, De la propriété littéraire t. a. p. p. 234.
[325] Das literarische und artistische Kunstwerk p. 83. Men zie ook
de beschouwingen van Av. Henri Rosmini in denzelfden zin, D. A. 1895
pp. 21 sqq.
[326] Das literarische und artistische Kunstwerk pp. 96, 97.
[327] Alleen de voortbrengselen der lyrische poëzie, waarvan de inhoud
bestaat ut eene bepaalde zielsgesteldheid (stemming) van den dichter,
vallen hier buiten. Men zie daarover nog: Kohler t. a. p. pp. 122 sqq.
[328] Men zie pp. 137 sqq.
[329] Reichsgericht 28 Febr. 1898, D. A. 1903 pp. 29 en 30.
[330] Reichsgericht 27 Nov. 1906, D. A. 1907 p. 49, Börsenblatt 12
Dec. 1906 evenzoo: R. G. 19 Juni 1907, D. A. 1908 pp. 151, 152.
[331] Hoog Gerechtshof van Hamburg 11 Nov. 1904, D. A. 1907 p. 140.
[332] Hanseatisches Oberlandesgericht 12 Dec. 1898, D. A. 1899 p. 79.
[333] Medegedeeld door: P. Wauwermans, D. A. 1894 p. 73 en 1896
p. 150. Men zie ook denzelfden schrijver: D. A. 1901 p. 121.
[334] Hof van Parijs 2 April 1896 (Droit 2 Juni, Gazette du Palais
16 Juni, Gazette des Tribunaux 18 Sept. '96), medegedeeld door:
A. Darras D. A. 1897 p. 16.
[335] D. A. 1894 p. 73.
[336] D. A. 1908 p. 152.
[337] Tribunal de Commerce de la Seine, medegedeeld (zonder datum)
door A. Darras, D. A. 1892 p. 151.
[338] Tribunal civil de la Seine 20 Dec 1895, D. A. 1896 pp. 42 en 84.
[339] Tribunal de la Seine (9e ch.) 1 Aug. 1892, D. A. 1892 p. 130.
[340] Oostenrijksch Hof van Cassatie 24 Sept. 1901. D. A. 1901 p. 123.
[341] Oostenrijksch Hoog Gerechtshof 7 Nov. 1900, D. A. 1902 p. 64.
[342] Hoog Gerechtshof Londen 2 Juni 1892, D. A. 1893 p. 98.
[343] Hoog Gerechtshof van Schotland, Aberdeen 6 Maart 1892, D. A. 1892
pp. 64 sqq.
[344] Bondsrechtbank 30 Nov. 1894, D. A. 1895 pp. 37 en 38.
[345] Bondsrechtbank 13 Jan. 1906, D. A. 1906 p. 61.
[346] Hof van Appel van Milaan 10 Dec. 1895, D. A. 1896 p. 74.
[347] Opgave van literatuur en jurisprudentie hierover vindt men
nog bij: Kohler, Autorrecht pp. 160 sqq., Das literarische und
artistische Kunstwerk etc. pp. 17 sqq., Urheberrecht pp. 155 sqq.;
Gierke t. a. p. pp. 770 sqq.; A. Darras, D. A. 1892 p. 150, 1906 p. 22;
Pouillet, Traité théorique et pratique de la propriété littéraire
et artistique et du droit de représentation, Paris 1879 pp. 34, 37,
39 en 46.
[348] W. v. h. R. no. 624, Paleis van Justitie 1893 no. 6.
[349] W. v. h. R. no. 5512.
[350] W. v. h. R. nos. 6646 en 6647.
[351] Men zie b.v.: Freseman Viëtor, Kantteekeningen enz. p. 27,
Veegens, t. a. p. p. 70, van de Kasteele t. a. p. p. 61, mr. A. A. de
Pinto t. a. p. pp. 22 sqq.
[352] Handel. Tweede Kamer 1876-1877. Bijlage 202.
[353] Handel. Tweede Kamer 1880-1881 p. 1648.
[354] Jolly, Die Lehre vom Nachdruck p. 112.
[355] Cf. boven p. 162.
[356] Het auteursrecht vgl. de Nederl. wetgeving p. 112.
[357] Men zie hierover de beslissing van de Rechtbank van Amsterdam
van 27 Dec. 1843, W. v. h. R. no. 464.
[358] Dit argument werd o.a. gebruikt bij eene bespreking van
het bovengenoemde art. 6 der Berner Conventie op het Congres der
Association te Neuchatel (26-29 Aug. 1907). D. A. 1907 pp. 115, 116.
[359] Cf.: Kohler, Das literarische und artistische Kunstwerk
enz. p. 183.
[360] Zoo b.v.: mr. J. D. Veegens, de Gids 1896 III p. 4; J. H. Kok,
Auteursrecht en Berner Conventie p. 41, en dezelfde schrijver in:
"Pro en Contra" serie 1 no. 10 (Aansluiting bij de Berner Conventie)
Baarn 1905 pp. 25 en 26; J. D. Doorman, Het vrije vertalingsrecht
verdedigd Leiden 1885 p. 9.
[361] Men zie b.v. in denzelfden zin: Mandry, Kritische
Vierteljahrschrift VII p. 249.
[362] Men zie b.v.: Doorman t. a. p. p. 10, Kok, t. a. p. resp. p. 43
en p.27.
[363] Cf.: Prof. Ernst Röthlisberger, Die Berner Uebereinkunft zum
Schutze von Werken der Literatur und Kunst und die Zusatzabkommen,
Bern 1906 pp. 183, 184.
[364] Men zie: Röthlisberger t. a. p. p. 184.
[365] J. D. Doorman, t. a. p. p. 14.
[366] D. A. 1899 pp. 52, 53.
[367] D. A. 1899 pp. 53, 54.
[368] D. A. 1900 p. 28.
[369] Cf. hierboven pp. 166 sqq.
[370] Cf. Rosmini, D. A. 1895 p. 22; Kohler, Urheberrecht pp. 152 sqq.;
men zie voor Oostenrijk: D. A. 1901 p. 124.
[371] D. A. 1888 pp. 87, 88; 1894 p. 80; Röthlisberger t. a. p. p. 235.
[372] Actes 1896 p. 173.
[373] Actes 1908 p. 257.
[374] Mr. Ph. W. Scholten, Eene leemte in de wet betreffende het
auteursrecht, Themis 1884 pp. 154 sqq.
[375] Men zie: Mr. Veegens t. a. p. pp. 90 sqq.
[376] T. a. p. p. 6.
[377] M. v. T. t. a. p. p. 8. Er wordt hier nog van de uitvoering van
muziekwerken gesproken; het uitvoeringsrecht is echter later uit het
Ontwerp geschrapt.
[378] Rechtbank den Haag 3 Dec. 1883, W. v. h. R. no. 4970.
[379] W. v. h. R. no. 5785.
[380] W. v. h. R. no. 6019.
[381] Cf. ook art. 2 der herziene Berner Conventie.
[382] Cf.: Daude, Lehrbuch des Deutschen Urheberrechts (Stuttgart 1888)
p. 78.
[383] M. v. T. t. a. p. § 2.
[384] T. a. p. p. 79.
[385] J. van de Kasteele, t. a. p. p. 80.
[386] J. G. Robbers Jr. Het auteursrecht. Opmerkingen en
beschouwingen. Proefschr. Amst. 1896 p. 19.
[387] Ik denk hierbij aan albums van teekeningen met onderschriften,
zooals door sommige teekenaars wel worden uitgegeven (b.v. Caran
d'Ache, Gibson); in het algemeen aan die werken, waarvoor de auteur
zoowel den tekst als de--opzettelijk daarvoor gemaakte--illustraties
heeft geleverd. Hier is werkelijk het "plaatwerk" een auteursproduct
in den waren zin van het woord, n.l. eene geestesschepping, die één
geheel vormt.
[388] T. a. p. p. 79.
[389] Men zie ook de juiste opmerkingen hierover van mr. Swart
t. a. p. p. 65. Op den laatsten regel van deze pag. moet echter in
plaats van "vijfentwintigjarige" gelezen worden: "vijftigjarige".
[390] Urheberrecht p. 132.
[391] Autorrecht p. 189.
[392] Men zie ook: Schuster, Das Urheberrecht der Tonkunst,
enz. pp. 59 sqq.
[393] Men zie boven pp. 149 sqq.
[394] Cf.: Viotta, Het auteursrecht van den componist pp. 19 sqq.
[395] Cf. Viotta t. a. p. pp. 21 sqq. waar de genoemde muziekstukken
staan afgedrukt met een soortgelijk voorbeeld uit de Eroica-symphonie.
[396] T. a. p. p. 80.
[397] T. a. p. pp. 24 sqq.
[398] Bedoeld zijn de negen eerste maten, die volgen op Wotans woorden:
"Denn so kehrt der Gott sich dir ab,
So küsst er die Gottheit von dir!"
[399] Das literarische und artistische Kunstwerk p. 148.
[400] Men zie hierover de belangrijke beschouwingen van Kohler,
Das literarische und artistische Kunstwerk pp. 150 sqq.
[401] Zij wordt o. a. door Schuster verkondigd t. a. p. p. 195.
[402] T. a. p. p. 242. Cf. ook in dezen zin: Viotta pp. 55 sqq.
[403] T. a. p. pp. 244 sqq.
[404] Cf. in denzelfden zin: Kohler, Urheberrecht p. 198.
[405] Zoo b.v. de vroegere Duitsche wet van 1876.
[406] T. a. p. p. 228.
[407] Autorrechtliche Studiën, Archiv für civilistische Praxis 85
p. 397.
[408] Handel. Tweede Kamer 1880-1881 Bijl. 15 p. 2; men zie ook:
Mr. J. D. Veegens t. a. p. p. 86.
[409] Actes de la Conférence de Berne 1885 p. 21.
[410] Cf.: D. A. 1899 p. 15; Kohler, Das literarische und artistische
Kunstwerk pp. 167 sqq.
[411] Tribunal civil de la Seine 3e ch. Audience du 10 février 1905,
D. A. 1905 p. 76.
[412] Cour d'appel de Pau ch. corr. 18 Nov. 1904, D. A. 1905 p. 76.
[413] Tribunal de la Seine 3e ch. 9 Juni 1903, D. A. 1904 pp. 62, 63.
[414] Das literarische und artistische Kunstwerk pp. 45, 46.
[415] Cf. Prof. Dr. W. Vogelsang, Aesthetiek en Kunstgeschiedenis
aan de Universiteit. Rede uitgesproken bij de aanvaarding van het
hoogleeraars-ambt aan de Rijks-Universiteit te Utrecht 23 Sept. 1907
pp. 19, 20.
[416] Cf. Swart t. a. p. p. 58.
[417] Kunstwerkrecht p. 27.
[418] Cf. boven pp. 133, 134.
[419] Cf. ook: Swart t. a. p. pp. 58, 59.
[420] Men zie boven p. 12.
[421] Cf. Kohler. Das literarische und artistische Kunstwerk pp. 38
sqq.
[422] Das literarische und artistische Kunstwerk p. 48.
[423] Cf. Kohler, Das literarische und artistische Kunstwerk p. 47.
[424] Cf. Prof. Dr. Vogelsang t. a. p. pp. 25, 26.
[425] Eene stelselmatige bespreking van het Ontwerp geeft Mr. Swart
in zijn reeds meermalen aangehaald proefschrift.
[426] Swart t. a. p. p. 86.
[427] Handel. Tweede Kamer 1883-1884. Bijlage 166-3 p. 5. Cf. ook:
pp. 6 en 7 ad art. 11.
[428] Eenigszins in denzelfden zin: Swart, t. a. p. pp. 69 sqq.
[429] Men zie hierover o.a.: D. A. 1908 pp. 43 sqq.; 1909 pp. 113
sqq. en 125 sqq.
[430] Men kan hiervan een denkbeeld krijgen uit een: Verslag van de
Nederlandsche Vereeniging voor Ambachts- en Nijverheidskunst over de
namaak hier te lande (uitg. d. L. J. Veen, Amsterdam).
[431] Men zie hierover o.a.: Is Fotografie kunst? door H. de Boer,
Scheveningen z. j.; De Photographie in dienst der wetenschap en hare
beteekenis als kunst, rede van W. H. Idzerda bij het aanvaarden van
het ambt van privaat-docent voor het onderwijs in de photographie
aan de Technische Hoogeschool, 29 Jan. 1908; Swart t. a. p. pp. 84 sqq.
[432] Cf. boven p. 201.
[433] Vóór het bestaan dezer wet nam de Fransche jurisprudentie meestal
aan, dat deze bescherming uit de wet van 24 Juli 1793 voortvloeide;
zie o.a.: Pouillet t. a. p. p. 90; Darras, D. A. 1892 p. 128 en p. 150.
[434] Men zie b.v. Tribunal civil Brussel 26 Nov. 1890, D. A. 1891
p. 21; Tribunal civil Antwerpen 25 Oct. 1893, medegedeeld door
P. Wauwermans, D. A. 1894 p. 25; Tribunal civil van Luik 7 Juni 1902,
D. A. 1902 p. 118.
[435] Men zie voor Italië: Amar in D. A. 1902 p. 62.
[436] Cf. Kohler, Urheberrecht p. 209.
[437] Urheberrecht p. 177 noot 10.
[438] Men zie het juiste arrest van het Hof van Amsterdam van 29
Sept. 1891 Paleis van Justitie 1891 no. 93.
[439] Kohler, Urheberrecht pp. 181, 182.
[440] Hof van Appel New York 8 Jan. 1903, D. A. 1904 p. 62.
[441] Memorie van Toelichting W. A. R. t. a. p. p. 6.
[442] Av. Rosmini, Lettre d'Italie, D. A. 1894 p. 74.
[443] Medegedeeld door: Darras, D. A. 1890 p. 77.
[444] Men zie: Darras, D. A. 1891 p. 8; 1893 p. 48; 1895 pp. 129, 130.
[445] D. A. 1897 p. 45.
[446] D. A. 1908 p. 107.
[447] Men zie het overzicht hiervan in D. A. 1908 pp. 108 sqq. Cf. ook
het arrest van het Hof van Cassatie van Turijn van 5 Dec. 1908,
medegedeeld door Prof. M. Amar in D. A. 1909 p. 27.
[448] Tribunal Civil de la Seine 1re ch. 7 Juli 1908, D. A. 1908
p. 118.
[449] Deze bewering, afkomstig van "vele leden", vindt men in het
voorloopig verslag der Tweede Kamer over de W. A. R. t. a. p. p. 2.
[450] Urheberrecht p. 185.
[451] Men zie b.v.: Schuster t. a. p. pp. 224, 225; Wauwermans,
D. A. 1893 p. 19; Rosmini, D. A. 1893 pp. 60 sqq.
[452] In dezen zin o.a.: Rechtb. van Perpignan 30 Juni 1892,
D. A. 1892 pp. 138, 139. De Fransche jurisprudentie rekent echter
de muziek, die op gesloten bals wordt gemaakt, niet tot de openbare
uitvoeringen. Cf. Darras, D. A. 1903 p. 46. Men zie over de Belgische
jurisprudentie: Wauwermans, D. A. 1901 p. 122.
[453] Men zie hierover: D. A. 1894 pp. 17 sqq. Cf. ook de juiste
overwegingen van de Rechtbank van Vercelli over deze vraag in haar
vonnis van 19 Juni 1889, D. A. 1890 p. 28.
[454] Over deze bepaling en hare uitlegging zie men eene verhandeling
van Prof. Alex Reichel in D. A. 1893 pp. 14 sqq. Cf. ook § 27 van de
Duitsche wet v. 19 Juni 1901.
[455] Cf. Rosmini, D. A. 1893 p. 61.
[456] D. A. 1908 p. 110.
[457] Cf. D. A. 1908 pp. 108 sqq.
[458] D. A. 1901 p. 32.
[459] In dezen zin o.a.: Reichsgericht 8, 18 en 29 Mei 1908, D. A. 1908
p. 156; Gemengde Rechtb. van Caïro 26 Nov. 1892, D. A. 1894 p. 55;
Hof van Lyon 14 Nov. 1901 (automatisch muziek-instrument in een
koffiehuis), D. A. 1901 p. 16.
[460] Men zie hierover: D. A. 1907 p. 102; 1908 pp. 24 en 156.
[461] Een uitsluitend recht van voordracht bestaat in Spanje (Reglement
van 3 Sept. 1880 art. 62); in Duitschland vóórdat het werk in druk
is verschenen (Urheberrechtsgesetz § 11); terwijl het in Noorwegen
(art. 1), Denemarken (art. 1)] en Zweden (art. 3) bij de uitgave in
druk kan worden voorbehouden.
[462] Cf. Swart t. a. p. p. 132 en de aldaar genoemde schrijvers.
[463] In kunstenaarskringen schijnt in dit opzicht van het auteursrecht
soms meer te worden verwacht, dan het kan geven; men zie b.v.:
Het Land van Mauve (Bulletin van den Larenschen Kunsthandel) no. 6,
5 Nov. 1906. Men zie echter ook de juiste opmerkingen van Mr. Louis
Israëls hierover in hetzelfde blaadje no. 8, 5 Jan. 1907.
[464] Zoo b.v.: J. Mosmans, Diefstal? Nederland en de Berner
Conventie pp. 10, 11. Men zie ook het hierboven (p. 80) aangehaalde
van Mr. Freseman Viëtor.
[465] Urheberrecht p. 232.
[466] Kohler, Autorrecht p. 51.
[467] Men zie b.v.: de Ridder t. a. p. p. 248;
M. v. T. W. A. R. Handel. Tweede Kamer 1876-1877. Bijl. 202 § 4;
Freseman Viëtor, Kantteekeningen enz. t. a. p. p. 44; Macaulay,
Speeches t. a. p. pp. 273 sqq.
[468] Men kan hierover in het volgende hoofdstuk (pp. 268 sqq.) nog
enkele opmerkingen vinden in verband met de formaliteiten, die erbij
te pas komen.
[469] Cf. Röthlisberger t. a. p. p. 107.
[470] Cf. ook art. 2 van de loi-type der Association: "De uitoefening
van het auteursrecht is aan de vervulling van geenerlei voorwaarden
of formaliteiten gebonden."
[471] Cf. La question des formalités en Italie, D. A. 1897 p. 65.
[472] Mr. C. Asser, Handleiding tot de beoefening
v. h. Nederl. Burgerl. Recht II (3e druk) p. 347.
[473] Dat de formaliteiten van onze wet door de betrokken personen als
een drukkende last worden beschouwd kan o.a. blijken uit hetgeen de
heer W. P. van Stockum Jr. daaromtrent mededeelt in: Kort overzicht der
organisatie van den Nederlandschen Boekhandel, uitg. door de Ver. ter
bevordering der belangen des Boekhandels, Amst. 1908 pp. 10 sqq.
[474] T. a. p. p. 123.
[475] Men zie hierover: D. A. 1908 p. 30.
[476] D. A. 1900 p. 84. Cf. over de oorzaken die tot dezen maatregel
hebben geleid: Wauwermans, D. A. 1898 p. 129.
[477] Meerdere bijzonderheden over het journalistieke auteursrecht
zullen hieronder bij het desbetreffende artikel der Berner Conventie
nog ter sprake komen.
[478] Men zie b.v.: A. Darras, D. A. 1897 pp. 79 sqq.; G. Huard,
De divers droits qu'il ne faut pas confondre avec la propriété
intellectuelle, D. A. 1899 pp. 102 sqq.; Jules Charreyron, De la
propriété littéraire et artistique p. 38.
[479] Cf. hierover: Mr. H. L. Drucker, Bescherming van rechten die
niet op geld waardeerbaar zijn, Rechtsgeleerd Magazijn 1889 pp. 1 sqq.
[480] Te vinden in: D. A. 1899 p. 127.
[481] Men zie het door het Internationale Bureau te Bern uitgegeven:
Tableau des Voeux etc. (2me série 1896-1907) pp. 33, 36, 37.
[482] Urheberrecht p. 455.
[483] Archiv für Bürgerliches Recht X p. 261.
[484] Zie hierover vooral: Kohler, Das Recht an Briefen, Archiv für
bürgerliches Recht VII pp. 94 sqq. en van denzelfden schrijver:
Du droit sur les lettres missives ordinaires et confidentielles,
D. A. 1906, p. 18, waarvan de Duitsche tekst is te vinden in:
Deutsche Juristenzeitung XI 1906 No. 1 pp. 51 sqq.; Cf. ook:
Gierke t. a. p. p. 772 en: Mr. Paul Scholten, Recht op brieven,
Weekbl. v. Privaatr., Notaris-ambt en Reg. 22 Sept. 1906 no. 1917.
[485] Een aantal rechterlijke beslissingen uit Frankrijk, Duitschland
en Engeland worden door Kohler genoemd, Urheberrecht p. 442.
[486] Cf. Kohler, D. A. 1906 p. 19.
[487] D. A. 1903 pp. 28 sqq.
[488] De Seine-Rechtbank nam het tegendeel aan in een zaak betreffende
brieven van George Sand. Een der overwegingen was: "... que ce droit,
tout personnel qu'il soit, passe aux héritiers représentants de la
personne et des biens ... etc.", zitting van 11 Maart 1897, D. A. 1899
p. 43; Annales de la Propr. ind., litt. et art. 1898 Nos. 9-10 p. 311,
art. 4020.
[489] D. A. 1906 p. 19.
[490] Reeds door verschillende schrijvers werd de bepaling op
soortgelijke gronden afgekeurd. Men zie: Mr. W. L. P. A. Molengraaff,
De Faillissementswet verklaard pp. 243 sqq.; Swart t. a. p. pp. 122
sqq.; Mr. B. M. de Vos, Rechtsgeleerd Magazijn 1908 p. 60.
[491] Arrest van 1 Dec. 1892, besproken door Kohler, D. A. 1894 p. 82.
[492] Medegedeeld door A. Darras, D. A. 1900 p, 41. De tekst is te
vinden in: Gazette des Tribunaux 14 Febr. 1900.
[493] Art. 10 wet van 1901.
[494] Tribunal civil de la Seine 29 Dec. 1896, Gazette du Palais
3 Febr. 1897, Annales de la propriété industrielle 1897 p. 126,
D. A. 1897 p. 80.
[495] Trib. civ. de la Seine 1e ch. 16 Dec. 1899, D. A. 1900 p. 42.
[496] Trib. de la Seine 4 Mei 1903, D. A. 1903 p. 105, France
judiciaire No. 17 van 9 Mei 1903.
[497] D. A. 1902 p. 136.
[498] Trib. civ. de la Seine 3me ch. 17 Dec. 1906, D. A. 1907 p. 100,
La Loi 30 Mei 1907.
[499] Trib. de la Seine 3 April 1897 (Le Droit 5 en 6 April 1897)
medegedeeld door A. Darras, D. A. 1897 p. 80.
[500] Trib. de la Seine 13 Dec. 1901 en 2 Juni 1904, D. A. 1905 p. 7;
men zie ook de bespreking van dit vonnis door A. Darras in D. A. 1904
pp. 135, 136.
[501] Ook tooneelspelers kunnen op het hier bedoelde recht inbreuk
maken, door nl. stukken uit hunne rollen over te slaan of er woorden en
zinnen in te lasschen, die er niet in hooren. Cf. hierover: H. Rosmini,
D. A. 1891 p. 142.
[502] Men zie b.v.: de Belgische wet van 1886 art. 8; de Duitsche
wet van 1901 §§ 9 en 24 en die van 1907 §§ 12 en 21; voorts het
Italiaansche Ontwerp art. 22 en de loi-type der Association art. 10
lid 2 en 3.
[503] Verschillende rechterlijke uitspraken worden medegedeeld en
besproken door Prof. Molengraaff in Rechtsgeleerd Magazijn 1887
pp. 375 sqq.
[504] Cf. Molengraaff t. a. p. pp. 382 sqq.
[505] Cf. Kohler, Das Individualrecht als Namenrecht t. a. p. p. 77.
[506] Trib. civil de la Seine 1 Aug. 1903, Gazette des Tribunaux 2
Aug. 1903, La Loi 6, 7, 8 Aug. 1903, D. A. 1904 p. 63.
[507] Cour d'Appel de Paris 24 Mei 1905, D. A. 1905 p. 132.
[508] Trib. civ. de la Seine 18 Febr. 1905, D. A. 1905 pp. 100, 101.
[509] Kohler, Das Individualrecht als Namenrecht t. a. p. pp. 79, 80;
Cf. ook: Av. Henri Rosmini, Droits des auteurs sur leur pseudonyme,
D. A. 1888 pp. 16 sqq.
[510] Cf.: Huard, D. A. 1899 p. 103, die zich echter zelf tegen deze
verplichting verklaart.
[511] Cf. hierover: A. Darras, D. A. 1895 p. 32, die op de verwarring
tusschen persoonlijkheidsrecht (droit moral) en auteursrecht (droit
pécuniaire), welke hier in het spel was, de aandacht vestigt.
[512] Dit is althans de uitlegging, die de meeste schrijvers zich
verplicht zien aan dit artikel te geven. Cf.: Darras, D. A. 1895 p. 32;
Kohler is van eene andere opinie D. A. 1896 pp. 12, 13; men zie echter
wat de redactie hierbij aanteekent, noot 2, p. 13.
[513] Cf. ook: Kohler, D. A. 1896 p. 12.
[514] Handel. Tweede Kamer 1879-1880, Bijlage 110 No. 3 p. 174.
[515] M. v. T. p. 174.
[516] Kohler, Archiv für bürgerliches Recht X p. 277.
[517] O. a.: Tribunal civil de la Seine 30 April 1896, Droit 1 en 2
Juni 1896, Gazette des Tribunaux 4 Juni 1896, Gazette du Palais 9 Juni
1896; id. 31 Dec. 1896, Droit en Gazette des Tribunaux 1 Jan. 1897,
D. A. 1897 p. 17; 3 Aug 1899, Loi 4 en 5 Aug. 1899; Cour de Paris 26
Juli 1900, Loi 22 Nov. 1900, D. A. 1900 p. 154. Men zie ook: Darras,
D. A. 1895 pp. 96, 168. Een aantal beslissingen van ouderen datum
worden meegedeeld door: Rosmini, D. A. 1893 pp. 10 sqq. Cf. nog voor
een recent geval: Journal des Débats (édition hebdomadaire) 17 April
1908 p. 738.
[518] Zoo werd reeds door de Seine-Rechtbank beslist 16 Juni 1858
in eene destijds geruchtmakende zaak over een portret, dat van de
beroemde tooneelspeelster Rachel op haar sterfbed was genomen. Men zie
hierover: Rosmini, D. A. 1893 p. 10. Hetzelfde college gaf nog enkele
jaren geleden eene beslissing in soortgelijken zin, 20 Jan. 1906,
D. A. 1907 p. 136.
[519] In eene Amerikaansche rechterlijke beslissing (Federal Court
Boston 19 Nov. 1894) wordt te dien aanzien onderscheid gemaakt tusschen
particulieren en publieke personen: "Terwijl een privaat persoon
beschermd dient te zijn tegen elke publicatie van zijn portret, is dit
ten aanzien van een publiek persoon niet het geval. Men kan aannemen
dat een staatsman, een schrijver, een kunstenaar of een uitvinder
die er op uit is en wenscht openlijk als zoodanig erkend te worden,
dit recht aan het publiek heeft afgestaan." De grondgedachte dezer
redeneering komt mij juist voor, al wordt de regel m. i. wel wat al
te absoluut gesteld en verklaard. (D. A. 1895 p. 142).
[520] Archiv für civ. Praxis 82 p. 206.
[521] Kunstwerkrecht p. 164.
[522] Men zie hierover in 't bijzonder: J. H. G. Cohen, Beleediging
door Caricaturen, Proefschr. 1896 pp. 118 sqq.
[523] Zoo b.v. Tribunal de la Seine 18 Febr. en 30 Maart 1882 en
13 Nov. 1889. Men zie hierover: Rosmini, D. A. 1891 pp. 41 sqq.;
men zie ook: D. A. 1907 p. 137.
[524] Cf.: Darras, D. A. 1897 p. 80.
[525] Men zie hierover de beschouwingen van Darras, D. A. 1897, pp. 17
en 80; 1899 p. 66; 1903 p. 47, en de aldaar geciteerde Fransche
jurisprudentie; en: Kohler, Das Individualrecht als Namenrecht,
Archiv für Bürgerliches Recht V. pp. 83 sqq.
[526] Paleis van Justitie 9 Aug. 1898.
[527] Mr. J. P. Moltzer, W. v. h. R. no. 7154.
[528] De voornaamste argumenten kunnen trouwens, na al wat hierover
reeds is geschreven, vrijwel algemeen bekend worden geacht. Men
zie hierover o. a.: Mr. L. J. Plemp van Duiveland, de Gids 1896 III
pp. 385 sqq. en Onze Eeuw 1909 I pp. 102 sqq.: Herman Robbers, Pro en
Contra, serie 1 no. 10; en de Gids 1908 IV pp. 541 sqq.; J. G. Robbers
Jr. t. a. p. pp. 84 sqq.; voorts de reeds genoemde geschriften van
Mr. J. D. Veegens, J. H. Kok en J. Mosmans, en het, eveneens reeds
genoemde, Rapport der Commissie aan de Vereeniging van Letterkundigen.
[529] J. G. Fichte, Beweis der Unrechtmässigkeit des Büchernachdrucks
t. a. p. p. 238.
[530] Zonder eenige restrictie wordt het alleen in Luxemburg gehuldigd
(art. 39).
[531] T.a.p. p. 169.
[532] T.a.p. p. 170.
[533] Wél b.v. in de Duitsche wetten (wet van 1901 §35, wet van
1907 §30).
[534] W. v. h. R. no. 7154; de Redactie van het Weekblad was van eene
andere opinie (no. 7149).
[535] Reeds in 1853 noemde Bluntschli de volkomen gelijkstelling
van vreemde auteurs en werken met de nationale "die einfachste
und gerechteste Lösung" welke aan dit vraagstuk kan worden
gegeven. Kritische Ueberschau der deutschen Gesetzgebung und
Rechtswissenschaft I p. 26.
[536] Cf. het Voorloopig verslag, Handel. Tweede Kamer 1877-1878,
Bijlage 25 no. 7 p. 9.
[537] Eenige beschouwingen over kopierecht p. 214.
[538] Actes 1908 p. 273.
[539] Cf.: Actes 1885 p. 20.
[540] Cf. o.a.: A d'Orelli, D. A. 1889 p. 2; 1891 p. 15.
[541] Cf.: Röthlisberger t. a. p. p. 149 en de daar genoemde
schrijvers. Men zie ook de verklaringen op de Conferentie van 1885 van
de afgevaardigden Reichardt, d'Orelli, Renault, Lavollée en Lagerheim,
Actes 1885 p. 22.
[542] Röthlisberger t. a. p. p. 150.
[543] Over het uitvoeringsrecht van muziekstukken, dat in onze
wet onbreekt, wordt hieronder bij de behandeling van art. 11 der
Conventie gesproken.
[544] Dit werd vroeger wel eens betwijfeld (cf. D. A. 1899 pp. 130
sqq.) maar kan toch als vaststaande worden aangenomen. Men zie b.v. de
besliste uitlating dienaangaande in de motiveering der Duitsche
herzieningsvoorstellen, Actes 1908 p. 41.
[545] Het eenige zou misschien kunnen zijn: mondelinge voordrachten,
voorzoover deze nl. niet door den auteur op schrift zijn gebracht. Is
dit wel het geval, dan behooren zij ongetwijfeld tot de "geschriften",
die in het artikel worden genoemd.
[546] Men zie hierover: Röthlisberger t. a. p. pp. 150 en 169;
D. A. 1895 p. 91 en 1899 pp. 1 en 65.
[547] Actes 1896 p. 145.
[548] Men zie voor Frankrijk: Pouillet t. a. p. pp. 91 sqq. en
D. A. 1889 p. 54; Darras ibid. 1894 p. 88, 1895 p. 47; voor België:
P. Wauwermans, D. A. 1892 p. 136; 1893 pp. 17 en 93; 1894 p. 24
en o.a. eene beslissing van het Tribunal civil van Brussel van 3
Febr. 1904, D. A. 1905 p. 61; voor Italië: Rosmini, D. A. 1889 pp. 19
en 30, 1891 p. 114.
[549] Het Rapport der Commissie merkt dienaangaande op: "On est tombé
assez facilement d'accord que les photographies devaient être protégées
dans tous les pays de l'Union". Actes 1908 p. 235.
[550] Actes 1885 p. 43.
[551] Actes 1896 pp. 114 en 166.
[552] Men zie: Actes 1908 pp. 50, 51.
[553] Men zie het verslag van Renault, Actes 1908 p. 232.
[554] Men zie: D. A. 1895 p. 92.
[555] In dezen zin besliste o. a. het Hof van Turijn over een Duitsch
album met schrijfmodellen en typographische voorbeelden. Zie hierover:
Röthlisberger t. a. p. p. 154; Darras, D. A. 1898 p. 43. Cf. over
een soortgelijke vraag: D. A. 1899 pp. 130 sqq. en pp. 134 sqq.
[556] De vraag werd o. a. besproken op het Congres der Association
te Neuchatel (Aug. 1907); men zie: D. A. 1907 pp. 115, 116.
[557] Actes 1908 p. 44.
[558] Men zie echter mijne opmerking op p. 195 over de stilzwijgende
erkenning van dit recht door de Rechtbank en het Hof van Amsterdam.
[559] Actes 1908 p. 232.
[560] Men zie het rapport van Renault, Actes 1908 p. 232.
[561] Actes 1884 p. 41.
[562] Actes 1885 p. 42.
[563] Cf. voor het gebruik van de woorden nationaliteit en
onderdaanschap als twee uitdrukkingen voor eenzelfde begrip: A. van
de Sande Bakhuyzen, Nederlandsch onderdaanschap, Proefschr. Leiden
1900 pp. 7 sqq.
[564] Men zie b. v.: Röthlisberger t. a. p., p. 83; Kohler,
Urheberrecht p. 403.
[565] O. a.: d'Orelli, D. A. 1889 p. 2.
[566] Cf.: van de Sande Bakhuyzen t. a. p. pp. 22 sqq.
[567] Handel. Tweede Kamer 1908-1909 Bijlage 266.
[568] Actes 1884 p. 44.
[569] Actes 1896 p. 113.
[570] Actes 1885 p. 21.
[571] Anders: d'Orelli, D. A. 1899 p. 2.
[572] Actes 1896 pp. 189 en 191.
[573] Cf.: Röthlisberger t. a. p. p. 92; D. A. 1902 p. 54.
[574] Men zie de verklaring van Dr. Meyer dienaangaande op de
Conferentie van 1884, Actes p. 43.
[575] Actes 1896 p. 111.
[576] Men zie het Commissie-rapport, Actes 1896 p. 161; het Zwitsersche
voorstel is te vinden ibid. p. 112.
[577] Actes 1908 p. 237.
[578] Actes 1908 p. 39.
[579] Actes 1908 p. 39.
[580] Actes 1908 p. 241.
[581] Actes 1884 pp. 29, 43.
[582] Actes 1896 pp. 195 sqq. Men zie ook de beschouwingen in
D. A. 1896 pp. 36 sqq.
[583] Cf. het rapport der Commissie Actes 1896 p. 164.
[584] Cf. het rapport van Renault op de Conferentie van Berlijn Actes
1908 p. 236.
[585] Cf. hierboven p. 312.
[586] Cf. boven pp. 264 sqq.
[587] Actes 1908 p. 200.
[588] Actes 1908 pp. 214, 215.
[589] Cf. wat hierover in het Commissie-rapport wordt opgemerkt,
Actes 1908 p. 244.
[590] Men vergelijke ook de bepaling van art. 19 Conventie 1908.
[591] Actes 1885 p. 28.
[592] Actes 1896 p. 168.
[593] Actes 1884 pp. 31, 32.
[594] Actes 1884 p. 49.
[595] Actes 1885 pp. 26 sqq.
[596] Actes 1884 p. 65; 1885 p. 39. Men zie hierover ook de rede
van den Franschen gedelegeerde Lavollée op de Conferentie van 1885,
Actes pp. 62, 63.
[597] Actes 1896 p. 133.
[598] Actes 1896 p. 169.
[599] Actes 1908 p. 246.
[600] Men zie de toelichting van het voorstel: Actes 1908 pp. 201 sqq.
[601] Actes 1908 pp. 247 en 248.
[602] Actes 1908 p. 215.
[603] Men zie de verklaringen van den Noorschen gedelegeerde Klaus
Hoel, Actes 1908 pp. 213 en 214 en die van den Zweedschen gedelegeerde
Graaf Taube ibid. p. 218.
[604] Men zie hierover de zeer duidelijke uitlegging in het Rapport
van Renault aan de Conferentie van Parijs, Actes 1896 pp. 168 sqq. De
Rechtbank van Brussel (10 Jan. 1903) wees ten onrechte een eisch af,
op grond dat aan de voorwaarden voor het vertalingsrecht, die de wet
van het land van herkomst (in dit geval Duitschland) eischte, niet
was voldaan. De Duitsche wet, waarnaar in dit vonnis verwezen werd,
was bovendien toen al niet meer van kracht en vervangen door die van
19 Juni 1901, welke in 't geheel geen voorwaarden of formaliteiten
voorschrijft. (D. A. 1904 pp. 56 sqq.)
[605] Men zie ook het rapport van Renault, Actes 1896 p. 170.
[606] Actes 1885 p. 44.
[607] Actes 1908 p. 217.
[608] Niet geheel juist is wat dienaangaande wordt opgemerkt door
Mr. L. J. Plemp van Duiveland, Onze Eeuw 1909 I pp. 123 en 124.
[609] Men zie hierover: Actes 1884 pp. 31 en 52 sqq.
[610] Actes 1896 pp. 115, 116.
[611] Actes 1896 pp. 136 sqq.
[612] De tekst dezer voorstellen is te vinden: Actes 1908 pp. 287
sqq. De toelichting van het Duitsche voorstel ibid. pp. 44 en 45 en
die van het Belgische pp. 203 sqq.
[613] Men zie het Commissie-rapport, Actes 1908 pp. 249 sqq.
[614] Actes 1896 p. 137.
[615] Men zie het Duitsche voorstel, Actes 1908 pp. 44, 45 en het
Belgische amendement daarop ibid. pp. 206, 207.
[616] Cf. hierover het Commissie-rapport, Actes 1908 pp. 251, 252 en
de verklaring van de Borchgrave op de vergadering van 13 Nov. 1908,
Actes 1908 p. 215.
[617] Men zie hierover o.a.: La reproduction des romans feuilletons
dans les journaux, D. A. 1893 pp. 13 sqq., en: Du droit de reproduction
en matière de journaux et de publications périodiques, D. A. 1896
pp. 8 sqq.
[618] Actes 1886 p. 16. Men zie ook over deze kwestie Röthlisberger
t. a. p. p. 203.
[619] Actes 1896 p. 171.
[620] Actes 1896 p. 171.
[621] Actes 1908 p. 251.
[622] Actes 1885 p. 46.
[623] Men zie het Commissie-rapport Actes 1908 p. 251.
[624] Men zie: Actes 1885 p. 46 en Actes 1896 p. 171.
[625] Actes 1908 p. 254.
[626] Actes 1896 p. 171.
[627] Zij werden echter niet afzonderlijk genoemd. Cf. boven p. 388.
[628] Onze jurisprudentie erkent ook auteursrecht op eenvoudige
nieuwsberichten. Cf. boven pp. 173 sqq.
[629] Actes 1885 pp. 29, 30.
[630] Actes 1885 p. 47.
[631] Actes 1885 p. 47.
[632] Actes 1908 p. 254.
[633] In een ingezonden stuk van den heer A. de Jager in het Nieuwsblad
voor den Boekhandel 1898 no. 100 worden een zestigtal titels van
dergelijke uitgaven genoemd, die door den schrijver worden aangeduid
als: "eenige, die mij het eerst voor de hand kwamen".
[634] Deze woorden zijn, blijkbaar met instemming, door den schrijver
van het bovengenoemde stuk in het Nieuwsblad voor den Boekhandel
overgenomen. Het een en ander is opgenomen in: Nederland en de Berner
Conventie door Mr. J. D. Veegens, met bijlagen, 2de vermeerderde druk,
Groningen, P. Noordhoff 1898.
[635] Actes 1896 p. 172.
[636] Actes 1896 p. 229.
[637] Actes 1908 p. 256.
[638] Hetzelfde geldt ook volgens het oude art. 2. Cf. Röthlisberger
t. a. p. p. 222.
[639] Men zie: Actes 1885 pp. 48 sqq.
[640] Actes 1896 pp. 172, 173.
[641] Men zie b.v. in dit verband de bovenbesproken bepalingen van
Duitschland, Spanje en Italië over het bewerkingsrecht van de auteurs
van geschriften en muziekwerken pp. 187, 188, 210.
[642] Cf. het Commissie-verslag Actes 1908 p. 258.
[643] Tot nu toe heeft de jurisprudentie zich nog niet duidelijk over
deze vraag uitgesproken. Zie boven pp. 191 sqq.
[644] Evenzoo: Rosmini, D. A. 1890 pp. 93 sqq.; hoofdartikel
in hetzelfde tijdschrift 1895 pp. 54 sqq. Voorts verscheidene
rechterlijke beslissingen o. a. in Duitschland: Reichsgericht 31
Jan. 1891: de bepaling slaat alleen op draaiorgels, speeldoozen en
andere muziek-instrumenten, die een beperkt aantal muziekstukken spelen
en ten tijde van het tot stand komen der Conventie algemeen bekend
waren, D. A. 1891 pp. 82 sqq.; in denzelfden zin: Reichsgericht
24 Febr. 1899, D. A. 1901 p. 5; Sächsisches Oberlandsgericht 29
Oct. 1894. In België werd uitgemaakt, dat de bepaling niet toepasselijk
is op phonograaf-rollen door: Tribunal de 1re instance te Brussel
13 Juli 1904, D. A. 1904 pp. 93 sqq.; Tribunal de paix Brussel 10
Aug. 1903, D. A. 1903 pp. 103 sqq. Men zie hieronder de beslissingen
in tegengestelden zin.
[645] Dit is ook de meening van Röthlisberger, die overigens
de bepaling sterk afkeurde en ervan zeide: "dura lex sed lex"
t. a. p. p. 246. Rechterlijke beslissingen in dezen zin: Landgericht
Leipzig 31 Dec. 1891 (symphonion) en 10 Maart 1890 (phenix);
Landgericht Gera 23 Mei 1890 (clariophone), D. A. 1890 pp. 119 sqq.,
1895 pp. 59 sqq.; Cour d'Appel Brussel 29 Dec. 1905, D. A. 1906 p. 46.
[646] Zoo deed ook terecht: Tribunal de paix van Laeken 5 Juli 1906,
D. A. 1907 p. 7.
[647] Men zie hierover: Actes 1896 pp. 46, 47, 199, 200.
[648] Zoo o. a. door de Association op hare congressen van Monaco 1897,
Vevey 1901, Napels 1902 en Weimar 1903; en door het internationale
uitgevers-congres te Milaan 1906. Cf. Tableau des Voeux etc. 1896-1907
pp. 14, 15.
[649] Men zie het Duitsche voorstel met de toelichting Actes 1908
pp. 51, 52.
[650] Men zie hierover het verslag der Commissie Actes 1908 pp. 260,
261.
[651] Actes 1908 p. 262.
[652] Men zie het Commissie-rapport, Actes 1908 p. 262.
[653] Actes 1908 p. 264.
[654] Actes 1908 p. 266.
[655] Cf.: Actes 1885 p. 50.
[656] Hof van Brescia 20-22 Dec. 1897, D. A. 1898 p. 83; Hof van
Appel Milaan 10 Jan. 1899, D. A. 1899 pp. 54, 55; Rechtbank Pisa 23
Juni 1903, D. A. 1904 p. 98.
[657] Actes 1884 p. 36; 1885 pp. 34, 35, 50.
[658] Men zie ook: Des moyens de prouver l'existence du droit d'auteur
d'après la Convention de Berne, D. A. 1899 pp. 50 sqq. en een arrest
van het Hof van Cassatie van Rome van 7 Juni 1900, D. A. 1900 p. 145.
[659] Cf.: Röthlisberger t. a. p. p. 252.
[660] Men zie over deze kwestie o.a.: d'Orelli, D. A. 1889 p. 14; een
hoofdartikel in dit blad 1904 pp. 14 sqq. en 25 sqq.; Röthlisberger
t. a. p. pp. 264, 265.
[661] Actes 1885 p. 35.
[662] Actes 1896 p. 139.
[663] Actes 1896 p. 173; 1908 p. 267.
[664] Cf.: D. A. 1904 p. 14.
[665] Cf.: D. A. 1905 p. 94.
[666] Cf.: Actes 1885 p. 52; D. A. 1905 pp. 93, 94; Actes 1908 p. 269.
[667] Men zie in het bijzonder voor de betrekkingen tusschen
Duitschland en Engeland: D. A. 1898 pp. 77 sqq. en voor die tusschen
Duitschland en Frankrijk (waarbij ook het Duitsch worden van
Elzas-Lotharingen complicaties heeft gebracht): D. A. 1894 pp. 61 sqq.
[668] Actes 1896 pp. 174, 175.
[669] Dit belet den rechter echter niet, met de belangen van degenen,
die reeds reproducties in den handel hebben gebracht, rekening te
houden. Cf., speciaal voor Italië: M. Amar, De l'application de la
Convention de Berne revisée aux oeuvres publiées avant son entrée en
vigueur, D. A. 1900 pp. 89 sqq.
[670] De tekst is o.a. te vinden in D. A. 1888 pp. 76 en 90 en bij
Röthlisberger t. a. p. pp. 348 sqq.
[671] Zeitschrift für internationales Privat- und Strafrecht VI p. 388.
[672] D. A. 1905 p. 94; Röthlisberger t. a. p. p. 273.
[673] Men zie de verklaring der Deensche Regeering, D. A. 1905 p. 95.
[674] Men zie hierover o.a.: J. F. Iselin, L'effet rétroactif de la
Convention de Berne en Angleterre, D. A. 1899 p. 38; Röthlisberger
t. a. p. p. 278; La question de la Rétroactivité devant les tribunaux
Anglais, (hoofdartikel) D. A. 1891 pp. 49 sqq. en: D. A. 1905
p. 96. Engelsche rechterlijke uitspraken zijn o. m. te vinden in:
D. A. 1891 pp. 55 sqq., 129; 1892 pp. 52 sqq., 101; 1899 p. 39.
[675] Men zie: Actes 1884 pp. 42, 47, 59 en 66; Actes 1885 pp. 27
en 45.
[676] Men zie het Commissie-rapport Actes 1896 pp. 160, 161.
[677] D. A. 1895 p. 163.
[678] Cf. ook in dezen zin: Röthlisberger t. a. p. pp. 29 sqq.
[679] Actes 1884 p. 36.
[680] Actes 1908 p. 277.
[681] Cf.: Röthlisberger t. a. p. pp. 300, 301.
[682] Koninklijk Besluit van 2 Juli 1908, houdende vaststelling van
het auteursrecht van de tweemaal per jaar verschijnende Naamlijst voor
den Telefoondienst, uitgegeven door het Hoofdbestuur der Posterijen
en Telegrafie, Staatsblad no. 213.
Wij Wilhelmina, enz.
Overwegende, dat het wenschelijk is het auteursrecht op de
Naamlijst voor den Telefoondienst, uitgegeven door het Hoofdbestuur
der Posterijen en Telegrafie, voor te behouden;
Gelet op artikel 4 der wet van den 28sten Juni 1881 (Staatsblad
no. 124) tot regeling van het auteursrecht, gewijzigd bij de wet
van 15 April 1886 (Staatsblad no. 64);
Op gemeenschappelijke voordracht van Onze Ministers van Waterstaat
en van Justitie van 18 Mei 1908, no. 1968, Afdeeling Posterijen
en Telegrafie en van 27 Juni 1908, no. 379, Afdeeling A. S.;
Hebben goedgevonden en verstaan:
te bepalen, dat er auteursrecht bestaat van de tweemaal per jaar
verschijnende Naamlijst voor den Telefoondienst, uitgegeven door
het Hoofdbestuur der Posterijen en Telegrafie.
Onze Ministers van Waterstaat en van Justitie zijn belast met
de uitvoering van dit besluit, dat in het Staatsblad zal worden
geplaatst.
[683] De overige bepalingen voorkomende onder dit nummer, die
voornamelijk de inrichting en den werkkring van het Internationale
Bureau betreffen, stemmen overeen met die van art. 21 laatste lid en
artt. 22 en 23 Conventie 1908.