VOORWAARDEN EN FORMALITEITEN

Volgens de hierboven ontwikkelde beginselen ontstaat het auteursrecht,

zoodra het geschrift of kunstwerk, dat er het object van is,

op eenigerlei wijze tot uiting is gekomen; het scheppen van een

auteursproduct, dat aan de daarvoor gestelde eischen voldoet, brengt

vanzelf mede het ten behoeve van den schepper daarop gevestigde recht.

Met deze opvatting zijn moeilijk in overeenstemming te brengen de

nog in verschillende wetgevingen voorkomende bepalingen, waarbij

het ontstaan of de uitoefening en in enkele gevallen de duur van

het auteursrecht afhankelijk worden gesteld van de vervulling van

bijzondere voorwaarden en formaliteiten. Bij den strijd, die in

meerdere landen, dikwijls met goed gevolg, tegen dergelijke bepalingen

is gevoerd, beriep men zich dan ook meestentijds op bovengenoemde

stelling; men voerde aan, dat het auteursrecht, even eerbiedwaardig

als andere privaatrechten, niet wegens een verzuim van formeelen aard

door den rechthebbende mocht kunnen worden verloren. Aan den anderen

kant werd door degenen, die de formaliteiten in bescherming namen, dit

meestal gedaan met een beroep op het feit, dat geen rechtsregels den

wetgever hier bonden, maar dat hij volkomen vrij was het auteursrecht,

dat louter op gronden van utiliteit den auteurs werd ingeruimd,

afhankelijk te stellen van de voorwaarden, die hij daarvoor dienstig

achtte.

Al is dus ook in dit onderdeel de tegenstelling recht of doelmatigheid

bij de beslissing van grooten invloed, geheel daardoor beheerscht

wordt deze m. i. toch niet. Ook waar het 't meest deugdelijke en meest

eerbiedwaardige recht geldt, kunnen er redenen zijn, die formaliteiten

als de hier bedoelde, op wier niet-naleving als sanctie staat het

tenietgaan van het recht, gewenscht of zelfs noodzakelijk maken. Dat

dergelijke redenen echter voor het auteursrecht niet aanwezig zijn,

hoop ik in dit hoofdstuk aan te toonen.

Men heeft te onderscheiden tusschen formeele voorwaarden

(formaliteiten) en materieele voorwaarden [469].

Tot de eerste behoort o. a. het inzenden van een of meer exemplaren

aan de daartoe aangewezen autoriteit of van verklaringen betreffende

tijd of plaats van het ontstaan of van de eerste publicatie van het

werk. Onder de materieele voorwaarden zou men in het algemeen alles

kunnen rekenen, wat voor het ontstaan van het auteursrecht vereischt

wordt, dus ook b.v. de innerlijke eigenschappen, waaraan een werk moet

voldoen, om voorwerp van auteursrecht te kunnen zijn. Zoo ruim moet

de uitdrukking hier echter niet worden opgevat. Alleen de uiterlijke

voorwaarden worden hier bedoeld, d. w. z. bepaalde handelingen, die

de auteur in sommige gevallen moet verrichten om zijn recht niet te

verliezen, zooals b.v. het voorbehoud van het vertalings- en op-

en uitvoeringsrecht, dat onze wet bij het in druk verschijnen van

een werk eischt, en andere verklaringen van dien aard.

Gaat men de verschillende wetgevingen na, dan vindt men in bijna

alle landen, waar de wet op het auteursrecht sinds kort gewijzigd

of hernieuwd is, de formaliteiten afgeschaft of tot een minimum

beperkt. In Zweden, Noorwegen en Duitschland ontbreken zij geheel, in

België, Zwitserland, Denemarken e. a. blijven zij tot enkele gevallen

beperkt [470]. Daar waar zij nog bestaan, zooals b.v. in Italië, geven

zij voortdurend aanleiding tot klachten van belanghebbenden; ook is

het wel merkwaardig, dat in laatstgenoemd land door statistische

gegevens is uitgewezen, dat voor de overgroote meerderheid van

de aldaar verschijnende werken de voorgeschreven formaliteiten

verzuimd worden. In de jaren 1887 tot 1891 werden van de in druk

verschenen werken gemiddeld slechts 5-1/2% behoorlijk ingezonden,

met het gevolg, dat dus alle overige 94-1/2% van de bescherming

der wet verstoken bleven [471]. Zooals te verwachten was, zijn in

het door eene commissie uitgewerkte Wetsontwerp ter vervanging van

de tegenwoordige Italiaansche wet op het auteursrecht de lastige en

ingewikkelde formaliteiten-voorschriften aanmerkelijk vereenvoudigd:

wel zijn daarin verscheidene formaliteiten behouden, maar behoudens

enkele uitzonderingen zijn zij alle facultatief, zoodat verzuim geen

invloed heeft op het voortbestaan van het auteursrecht.

Het groote bezwaar tegen alle formaliteiten is juist, dat dikwijls een

klein verzuim, uit onwetendheid of onachtzaamheid gepleegd, soms zonder

schuld van den auteur, een zoo gewichtig gevolg heeft als het geheele

of gedeeltelijke tenietgaan van het auteursrecht. In de internationale

verhoudingen zijn de bezwaren nog grooter. Het is voor een auteur

bijna ondoenlijk en daarenboven zeer kostbaar, om in alle landen,

waar hij op de bescherming der wet prijs stelt, de voorgeschreven

formaliteiten in acht te nemen; eene internationale regeling van het

auteursrecht, die de verplichting daartoe laat bestaan, zal daarom

in de practijk slechts ten halve aan haar doel beantwoorden.

Tegenover de groote lasten, die de formaliteiten voor de

belanghebbenden meebrengen, zijn ook wel eenige voordeelen te

stellen. Zoo kan de verplichte inzending van een exemplaar of

van eene omschrijving van het werk goede diensten bewijzen om de

identiteit van dat werk vast te stellen; terwijl de inschrijving

in een openbaar register voor ieder belanghebbende de mogelijkheid

opent zich ervan te vergewissen of op een bepaald werk al dan niet

auteursrecht bestaat. Daar waar de duur van het auteursrecht naar het

tijdstip der eerste uitgave wordt berekend kan uit de inschrijving

in het register steeds de juiste datum daarvan geconstateerd worden.

Dit alles kan echter evengoed op andere wijze worden bereikt; in elk

geval kan op het niet vervullen der formaliteiten wel eene andere

sanctie worden gesteld dan het tenietgaan van het auteursrecht. Bij de

bespreking van het stelsel onzer wet en van dat van het Ontw. B. K.,

die ik hier laat volgen, moge dit meer in bijzonderheden worden

aangetoond.

Voor niet door den druk gemeen gemaakte werken schrijft onze

wet geen enkele formaliteit voor. Hieronder vallen ook mondelinge

voordrachten, tooneelstukken, die zijn opgevoerd en muziekwerken, die

zijn uitgevoerd. Voor al deze werken, waarvan juist het vaststellen

der identiteit en de oplossing van de vraag, wie auteur is, de

meeste moeilijkheden kunnen meebrengen, heeft de wetgever blijkbaar

geoordeeld, dat dit ook zonder formaliteiten kon geschieden. Weliswaar

zou, zooals ook in het voorloopig verslag op de wet (pp. 9 en 11) wordt

opgemerkt, het voorschrijven van doeltreffende bepalingen voor deze

werken practische moeilijkheden meebrengen; onmogelijk was het echter

niet. In elk geval geeft het feit, dat het auteursrecht op niet door

den druk gemeen gemaakte werken onafhankelijk is van formaliteiten,

weder een doorslaand bewijs, dat deze niet onmisbaar zijn.

Voor door den druk gemeen gemaakte werken bepaalt de wet (art. 10),

dat het auteursrecht vervalt, zoo niet binnen eene maand na de uitgave

worden ingezonden aan het Departement van Justitie:

a) twee exemplaren van het werk, op het titelblad of bij gebreke

daarvan op den omslag eigenhandig door den auteur, uitgever of drukker

onderteekend, met opgaaf van woonplaats en tijdstip der uitgave,

b) eene door den drukker onderteekende verklaring, dat het werk op

zijne in het Rijk gevestigde drukkerij is gedrukt.

Wat het eerste vereischte betreft, hiertegen geldt vooral het

reeds genoemde bezwaar, dat de kleinste nalatigheid, bijvoorbeeld

het weglaten van de woonplaats des auteurs op één der ingezonden

exemplaren, het overschrijden van den termijn van eene maand

enz. onherroepelijk tenietgaan van het auteursrecht meebrengt.

Bovendien is voor de verplichte inzending van twee exemplaren geen

enkele grond aan te voeren; om de identiteit van een werk vast te

stellen is natuurlijk één exemplaar voldoende; het tweede wordt dan

ook voor een ander doel aangewend, hetwelk met het auteursrecht

in geenerlei verband staat, nl. completeering van de Koninklijke

Bibliotheek te 's Gravenhage.

Afgezien van het feit, dat hierdoor nog niet eens van alle in ons land

uitkomende geschriften een exemplaar wordt verkregen, mag gevraagd

worden of eene verrijking der Koninklijke Bibliotheek, op deze wijze

verkregen, wel is goed te keuren. Wil de Staat tot het geven van een

exemplaar voor dat doel dwingen, dan is wel een dwangmiddel te vinden,

dat beter met het doel van den maatregel in overeenstemming is dan het

doen tenietgaan van het auteursrecht. Zoo bestaat b.v. in Engeland de

bepaling, dat van elk daar uitkomend geschrift een exemplaar aan het

Britsch Museum moet worden aangeboden op boete van ten hoogste vijf

pond, vermeerderd met de waarde van het niet-ingezonden exemplaar

(Wet van 1 Juli 1842).

Het onder b genoemd vereischte houdt natuurlijk verband met de

materieele voorwaarde van bescherming in art. 27 gesteld, nl. dat

het werk in Nederland gedrukt zij. Dit is een van de bepalingen, die

aan de werking der wet een territoriale grens stellen en die onder

internationaal auteursrecht thuisbehoort en in verband daarmede

hieronder behandeld zal worden. Behalve aan deze voorwaarde moet

nu ook nog aan de formeele voorwaarde van art. 10 worden voldaan:

inzending van eene door den drukker onderteekende verklaring. Al is

dus het werk in Nederland gedrukt en al zijn de andere formaliteiten

in acht genomen, dan zal toch nog het auteursrecht vervallen, indien

de drukker nalaat eene door hem onderteekende verklaring tijdig in te

zenden. Alweer een noodeloos en door niets gewettigd gevaar, waaraan

het auteursrecht wordt blootgesteld, en dat des te hatelijker is,

omdat het hier eene formaliteit geldt, die verricht moet worden door

(of in ieder geval met medewerking van) den drukker, die in de meeste

gevallen wel niet de rechthebbende op het auteursrecht zal zijn. Ook

al wenschte men het vereischte van in Nederland gedrukt te zijn

te behouden (wat, zooals ik later hoop aan te toonen, in geen enkel

opzicht is aan te bevelen), dan nog is het niet te verdedigen, de hier

bedoelde verklaring op straffe van tenietgaan van het auteursrecht

te eischen. Door haar facultatief te stellen en dus, wanneer zij

achterwege blijft, ook langs anderen weg het bewijs toe te laten,

dat aan het vereischte van art. 27 is voldaan, zou men het beoogde

doel even goed kunnen bereiken.

Wat is nu het nut van de besproken bepalingen? M. i. alleen dit,

dat wegens de openbaarheid der registers, waarin de inschrijving

geschiedt, het voor ieder mogelijk is zich ervan te overtuigen, of

voor een bepaald werk de voorgeschreven formaliteiten zijn in acht

genomen. Meer kan uit die registers niet worden opgemaakt. Het stelsel,

dat hier is gevolgd, is te vergelijken met dat van art. 1224 B. W. ten

aanzien van vestiging en overdracht van zakelijke rechten op onroerende

goederen, het zoogenaamde negatieve stelsel van openbaarheid. Ook daar

is de inschrijving in de daartoe aangewezen openbare registers eene

onmisbare voorwaarde voor de geldige vestiging van het recht. Doch

of het recht werkelijk bestaat en wie rechthebbende is, kan niet met

zekerheid uit de registers worden opgemaakt. Wat de laatstgenoemde

vraag betreft heeft men uit de registers van het auteursrecht nog

minder kans juist te worden ingelicht, omdat overdracht van het recht,

op welke wijze die ook plaats heeft, niet in de registers wordt

aangeteekend. Doch ook ten opzichte van het al of niet bestaan van

het auteursrecht kan niet met zekerheid op hetgeen in de registers

staat ingeschreven worden afgegaan; het is b.v. zeer wel mogelijk,

dat een geschrift is ingezonden en dientengevolge ingeschreven,

hoewel het geen aanspraak kan maken op wettelijke bescherming omdat

het een nadruk is van een vroeger verschenen werk. De ambtenaar van

het departement van Justitie, die met de inschrijving is belast,

heeft zich, evenmin als de bewaarder der hypotheken, in te laten met

de vraag, welke rechtsgevolgen uit de inschrijving voortvloeien.

Uit het bovenstaande volgt, dat de auteurs of hunne rechtverkrijgenden

bij de uitoefening van hun recht van de door onze wet voorgeschreven

formaliteiten slechts last en geen nut hebben. Alleen derden zijn door

deze bepalingen gebaat, doch slechts betrekkelijk; evenals van het

stelsel van artt. 1224 sqq. B. W. over de inschrijving der hypotheken

kan ervan gezegd worden: "de openbaarheid geeft aan iedereen het

middel, althans den leiddraad om zich op vrij voldoende wijze van

den stand van zaken op de hoogte te stellen" [472]. Een vrij pover

resultaat, als men bedenkt ten koste waarvan het verkregen wordt [473].

De bewering komt mij niet te gewaagd voor, al is een stellig

bewijs ervoor niet te leveren, dat in landen waar formaliteiten

als de bovenbeschrevene niet bestaan, in het algemeen geen grootere

onzekerheid omtrent het al of niet beschermd zijn van werken heerscht

dan bij ons. Als regel kan daar steeds worden aangenomen, dat op elk

werk auteursrecht bestaat, behalve natuurlijk op diegene, waarvan de

beschermingstermijn is verloopen. Daar, zooals wij gezien hebben, de

meeste wetgevingen het auteursrecht laten voortduren een bepaald aantal

jaren na den dood des auteurs, is het tijdstip waarop de bescherming

ophoudt in de meeste gevallen voor ieder gemakkelijk na te gaan. Ook

heeft men te bedenken, dat het niet voor het geheele publiek, maar

slechts voor eene bepaalde klasse van personen (uitgevers, schouwburg-

en orkest-directeuren enz.) van belang is, over auteursrecht-zaken te

zijn ingelicht. Men kan dus verwachten dat deze personen maatregelen

nemen om zich geregeld op de hoogte te houden van hetgeen met hun vak

zoo nauw samenhangt. In de practijk wordt dit nog vergemakkelijkt door

de, in bijna alle landen bestaande, vereenigingen van uitgevers en

niet minder door de vereenigingen van letterkundigen en kunstenaars,

die zich ten doel stellen het auteursrecht hunner leden te bewaken

en te administreeren.

Over de wijze, waarop laatstgenoemde vereenigingen werkzaam kunnen zijn

zal hieronder nog gelegenheid zijn het een en ander mee te deelen;

in dit verband wil ik er slechts op wijzen, dat zij--mits met kennis

van zaken bestuurd en een aanzienlijk aantal leden omvattend--in

staat zijn meer volledige en betrouwbare inlichtingen te verschaffen

dan hier de officieele openbare registers kunnen doen. Van alle

werken harer leden moet in de boeken eener dergelijke vereeniging

nauwkeurig zijn aangeteekend niet alleen het tijdstip, waarop het

auteursrecht een aanvang heeft genomen maar ook of, en zoo ja aan

wien het, geheel of gedeeltelijk, is overgedragen en of toestemmingen

zijn verleend om er vertalingen of arrangementen van uit te geven,

op- of uitvoeringen van te ondernemen enz. enz. Iemand, die dus op

eenigerlei wijze een geschrift of een kunstwerk wil exploiteeren,

vindt aan het bureau der vereeniging alles wat hij noodig heeft te

weten en kan aldaar tevens de noodige contracten afsluiten.

Behalve het twijfelachtige nut der openbare registers, heeft de in

art. 10 onzer wet voorgeschreven inzending nog een ander doel. Art. 11

bepaalt, dat aan de inzenders door het Departement van Justitie een

gedagteekend bewijs van ontvangst wordt afgegeven; de dagteekening van

dit bewijs geldt bij de berekening van den duur van het auteursrecht

als punt van aanvang voor de verschillende termijnen (artt. 13,

15 2o en 16 2o).

Deze bepaling is ongetwijfeld niet zonder practisch nut. In vele

gevallen kan het moeilijk, zoo niet onmogelijk zijn den juisten datum

te weten te komen van de eerste verschijning van een boek. Meestal

staat op het titelblad alleen het jaar vermeld, niet de maand en de

dag; niets belet den uitgever ook het jaartal weg te laten of--hoewel

dit wel zelden zal voorkomen--opzettelijk er een verkeerd jaartal

op te doen drukken. De onzekerheid omtrent het tijdstip waarop het

auteursrecht een einde neemt, welke hieruit zou kunnen voortvloeien,

wordt door het stelsel onzer wet vermeden: niet van het werkelijke

tijdstip der uitgave maar van den dag, waarop het Departement van

Justitie het bewijs van ontvangst der inzending afgeeft, begint het

auteursrecht te loopen.

Deze regeling moge hare voordeelen hebben, deze zijn echter niet van

zoo groot gewicht dat daardoor het geheele stelsel van inzending,

dat er onafscheidelijk aan verbonden is, gerechtvaardigd zou zijn. De

voordeelen zijn trouwens slechts daar van eenig belang, waar de

duur van het auteursrecht berekend wordt naar de eerste uitgave;

laat men het auteursrecht duren een bepaald aantal jaren na den dood

des auteurs, dan is eene dergelijke van de administratieve macht

uitgaande vaststelling van den datum, waarop het recht een aanvang

neemt, onnoodig, daar het tijdstip van overlijden des auteurs uit

de registers van den burgerlijken stand is na te gaan. Zooals wij

gezien hebben is laatstgemeld stelsel voor de berekening van den

duur van het auteursrecht in bijna alle landen in zwang; slechts

in enkele gevallen komt daarbij ook het tijdstip der uitgave als

aanvangspunt in aanmerking nl. voor werken van rechtspersonen en voor

die welke zonder naam van auteur of onder een verdichten auteursnaam

verschijnen. Volgens de Duitsche wet, die overigens den duur van

het auteursrecht vaststelt op dertig jaar na den dood des auteurs,

bedraagt deze voor de bovengenoemde drie categorieën werken dertig

jaar na de eerste uitgave; de termijn begint echter niet te loopen op

den dag der uitgave, doch op den 1sten Januari daaropvolgende. Deze

bepaling heeft het voordeel, dat men den juisten datum der eerste

uitgave nu niet behoeft te kennen; als men maar weet in welk jaar

het boek is verschenen, is dit voldoende om nauwkeurig den dag te

kunnen bepalen, waarop het auteursrecht een einde neemt. Dat op de

meeste boeken alleen het jaar der verschijning staat aangegeven,

is dus volgens dit stelsel geen bezwaar. Ik meen dan ook, dat de

Duitsche wet op dit punt alleszins navolging verdient, ook zelfs

in het geval men er hier niet toe zou willen overgaan het systeem

voor de berekening van den duur van het auteursrecht te wijzigen en

dus de uitgave van het werk als aanvangspunt van het recht niet als

uitzondering maar als regel in onze wet bleef bestaan.

Voor de auteurs van pseudonieme en anonieme werken, die als auteur

willen erkend worden, bepaalt art. 3 onzer wet, dat zij zich als

rechthebbenden moeten doen kennen "op den voet in de artikelen 10 en

11 bepaald". Het is niet duidelijk, of een eenvoudige opgaaf van naam

en woonplaats hiervoor voldoende is, dan wel of hier wederom twee

exemplaren moeten worden ingezonden met opgaaf van het tijdstip der

uitgave en verklaring van den drukker. Mr. Veegens [474] neemt het

laatste aan, op grond dat art. 3 voor dit geval alleen ontheffing van

den gewonen termijn van inzending verleent, en ik geloof ook wel, dat

dit de beteekenis is, die men aan dit artikel zal moeten geven, al laat

m.i. de uitdrukking "op den voet van" eenige ruimte tot twijfel. Hoe

dit zij, in ieder geval ben ik het volkomen met Mr. Veegens eens,

dat deze vereischten hier "doelloos" zijn te achten.

De practische bezwaren zijn hier echter minder groot dan bij de overige

formaliteiten. Daar de inzending niet aan een termijn is gebonden,

blijft er nog altijd gelegenheid haar later te doen geschieden. Ook

zijn de gevolgen hier minder ernstig; verzuim heeft geen tenietgaan

van het auteursrecht tengevolge; het geldt hier slechts aan den

toestand een einde te maken, dat, in plaats van den auteur zelf,

de drukker of uitgever als zoodanig wordt aangemerkt. In een enkel

geval kan het verrichten dezer formaliteit op den duur van het recht

van invloed zijn, als nl. de auteur langer leeft dan vijftig jaar

na de eerste uitgave. Heeft daarvóór de voorgeschreven inzending

niet plaats gehad, dan houdt op dat tijdstip de bescherming van

het anonieme of pseudonieme werk op; in het tegenovergestelde geval

behoudt de auteur zijn recht, indien hij het tenminste nooit aan een

ander heeft overgedragen, levenslang (art. 13).

Alleen met het oog op het hier genoemde geval, dat zich wel zeer

zelden zal voordoen, kan gezegd worden dat de voorgeschreven inzending

om zich als auteur te doen erkennen zoo niet noodzakelijk, dan toch

niet volkomen doelloos is. Want voor derden is het slechts daarom van

belang te weten wie als auteur wordt aangemerkt, omdat de mogelijkheid

bestaat, dat dit den duur van het recht beïnvloedt. Dit zal, zooals

gezegd, onder het stelsel onzer wet eene uitzondering blijven, doch

als regel gelden daar waar de duur van het auteursrecht steeds naar

den leeftijd, dien de auteur bereikt, wordt afgemeten. Opheffing van

de anoniemiteit of pseudoniemiteit heeft daar steeds wijziging in

den duur van het auteursrecht tengevolge en daarom is het gewenscht,

dat zij in zoodanigen vorm moet geschieden, dat ieder er kennis

van kan nemen. Ook op dit punt bevat de Duitsche wet van 19 Juni

1901 bepalingen, die m. i. zeer doeltreffend zijn te noemen. Het

auteursrecht op anonieme en pseudonieme werken duurt daar slechts

dertig jaren na de eerste uitgave, tenzij de ware naam van den

auteur vóór dien tijd bekend is gemaakt, in welk geval de gewone

beschermingstermijn geldt, nl. dertig jaren na den dood van den

auteur. Deze bekendmaking van den naam des auteurs kan op twee wijzen

geschieden, om het genoemde gevolg te hebben: 1o. door eene latere

uitgave of openbare op- of uitvoering van het werk onder den waren

naam des auteurs; en 2o. door eene verklaring, in te zenden door den

auteur aan den Stadtrath te Leipzig, die voor de inschrijving dezer

verklaringen in een openbaar register zorg draagt (§§ 7, 31, 56-58).

Het komt mij voor, dat deze regeling op zeer gelukkige wijze de

belangen van auteur en publiek vereenigt; de inzending der verklaring

is slechts dan verplichtend gesteld, als het publiek op geen andere

wijze van de opheffing der anoniemiteit of pseudoniemiteit kennis

had kunnen krijgen.

Behalve de inzending aan het Departement van Justitie kent onze

wet in sommige gevallen als voorwaarde voor het blijven bestaan van

het auteursrecht het voorbehoud. Dit komt te pas bij vertalings-,

opvoerings- en uitvoeringsrecht van door den druk gemeen gemaakte

werken en bij berichten of opstellen uit dag- en weekbladen.

Wat het vertalings-, opvoerings-, en uitvoeringsrecht betreft:

neemt men de opvatting die ik heb trachten te verdedigen, aan,

dat deze rechten integreerende bestanddeelen van het auteursrecht

uitmaken, die evenveel reden van bestaan hebben als het kopierecht,

dan zal men ook moeten erkennen, dat zij, evenals dit laatste

recht, den auteur toekomen, ook al zijn zij niet uitdrukkelijk door

hem voorbehouden. Door het voorbehoud als eisch te stellen geeft

de wetgever eenigszins als zijne meening te verstaan, dat deze

bevoegdheden in normale gevallen vervallen of niet bestaan, en dat

zij slechts als uitzondering door eene bijzondere handeling van den

auteur kunnen ontstaan of blijven voortduren. Voor deze opvatting

bestaat, zooals ik hierboven heb trachten aan te toonen, ten opzichte

van het uitsluitend recht van vertaling, opvoering en uitvoering geen

grondige reden. Evenmin gaat de bewering op, dat de auteur, door zijn

werk in druk uit te geven het uit- of opvoeringsrecht prijs geeft,

tenzij hij uitdrukkelijk het tegendeel verklaart.

Men heeft het voorbehoud ook verdedigd door er op te wijzen, dat het

publiek er belang bij heeft te weten, of de auteur zijn recht al of

niet gehandhaafd wil zien. In de niet zelden voorkomende gevallen,

dat de auteur de opvoering of vertaling van zijn werk vrij wil laten,

worden noodelooze onderhandelingen met den auteur voorkomen door

de instelling van het voorbehoud. Want heeft de auteur eenmaal zijn

werk zonder voorbehoud laten uitkomen, dan weet ieder dat hij zonder

toestemming te vragen met vertalen, opvoeren enz. zijn gang kan gaan.

Voor deze redeneering bestaat wel eenige grond, zoolang van de auteurs

zelf geen maatregelen uitgaan, om dengenen, die hunne werken wenschen

te vertalen, op- of uit te voeren, het verkrijgen hunner toestemming

gemakkelijk te maken. Zoo heeft in Engeland in de tweede helft der

vorige eeuw het aldaar bestaande uitvoeringsrecht zonder voorbehoud

tot bedenkelijke gevolgen geleid. Een zekere Wall te Londen had

zich het uitvoeringsrecht van een groot aantal muziekstukken weten

te verschaffen en maakte daarvan gebruik om allerlei personen,

die--meestal te goeder trouw--deze werken in het openbaar uitvoerden,

voor schadevergoeding aan te spreken. Het ergste was, dat hij

weigerde inlichtingen te verschaffen over het al of niet bestaan van

een uitvoeringsrecht op bepaalde liederen en muziekstukken, tenzij

men hem daarvoor een bedrag van 21 guineas (± f268) betaalde. Om aan

deze wijze van "exploitatie", waarbij natuurlijk ook de belangen der

componisten werden geschaad, een einde te maken, werd in de wet van

10 Augustus 1882, gewoonlijk genoemd de Wall Act, bepaald, dat de

auteur slechts dan zich tegen de uitvoering zijner muziekwerken kan

verzetten, wanneer hij op elk exemplaar een voorbehoud van zijn recht

heeft laten drukken [475].

In de gegeven omstandigheden was dit zeker een practische

maatregel om de genoemde kwade practijken te keeren. Doch de

noodzakelijkheid of wenschelijkheid van het voorbehoud-stelsel

is er niet mee bewezen. Immers de auteurs hebben het altijd in de

hand misbruiken als deze te voorkomen, daar zij bij het overdragen

hunner rechten aan anderen hieromtrent in het contract de noodige

voorwaarden kunnen bedingen. En daar het vooral hun eigen belang is,

dat hierbij op het spel staat, is van hen te verwachten dat zij dit

in de meeste gevallen ook werkelijk zullen doen, vooral indien zij

tijdig op de gevaren worden gewezen waaraan zij zich blootstellen,

door hunne rechten zonder voorwaarden aan den eersten den besten

over te doen. Hier zijn het weer de vereenigingen van auteurs, die,

zooals in het buitenland is gebleken, uitstekende diensten kunnen

bewijzen. Een tooneel- of muziekvereeniging behoeft nu niet voor

elk nieuw stuk, dat zij op haar répertoire wenscht te plaatsen,

daarover met den auteur in onderhandeling te treden; zij heeft zich

slechts te wenden tot het bureau der auteurs-vereeniging, dat namens

den auteur toestemming tot op- of uitvoering verleent en zich ook met

het innen der tantièmes belast. De Belgische Regeering heeft getoond,

het nut van de auteursvereenigingen in dit opzicht in te zien en

zij heeft er ook op doelmatige wijze partij van weten te trekken. De

"Société des auteurs, compositeurs et éditeurs de musique" heeft zich

verbonden, aan de Belgische Regeering eene volledige lijst te geven

van al hare leden, voor wie zij in auteursrecht-zaken bevoegd is in

rechten op te treden, terwijl de Belgische Regeering van haar kant

op zich heeft genomen, deze lijst in de Moniteur Belge te publiceeren

[476]. Waar het belanghebbenden op deze wijze gemakkelijk wordt gemaakt

over nog beschermde werken de gewenschte beschikking te krijgen,

daar is het vereischte van een voorbehoud volmaakt onnoodig; wil de

auteur de exploitatie van zijn werk op een of meer wijzen vrijlaten,

dan kan ieder dit met weinig moeite te weten komen, zonder dat de

auteur gedwongen is, dadelijk bij de verschijning van zijn werk eene

beslissing te nemen, waarop nooit meer kan worden teruggekomen.

Is dus het voorbehoud-stelsel ten opzichte van vertalings-, opvoerings-

en uitvoeringsrecht beslist te verwerpen, ten opzichte van het

overnemen van berichten en artikelen uit dag- of weekbladen kan het

nog goede diensten bewijzen. De journalistieke gebruiken brengen mee,

dat dagbladen op ruime schaal artikelen van elkander overnemen. Hierin

is niets onrechtmatigs te zien, daar in het algemeen kan worden

aangenomen, dat het met wederzijdsch goedvinden geschiedt. Eene strenge

toepassing van de algemeene regels van het auteursrecht zou dus hier

misplaatst zijn. Wat anders eene uitzondering is kan hier als regel

worden aangenomen: de auteur wenscht het overnemen van zijn stuk door

andere bladen vrij te laten, tenzij hij uitdrukkelijk het tegendeel

verklaart [477].

Ten slotte nog enkele woorden over de formaliteiten, die het

Ontw. B. K. voorschrijft.

Volgens art. 7 vervalt het auteursrecht, zoo niet vóór of uiterlijk

dertig dagen nadat het kunstwerk voor de eerste maal is geleverd,

tentoongesteld of openlijk te koop of ter bezichtiging is aangeboden

door den auteur of zijn rechtverkrijgenden aan het door K. B. aan te

wijzen Departement van algemeen bestuur is ingezonden:

a) eene geschrevene en door hem of eenen bij authentieke akte daartoe

gemachtigde onderteekende beschrijving van het kunstwerk, volgens

door K. B. vast te stellen model;

b) daarenboven, zoo het werk bestaat in platen, afgietsels, gravures,

photographieën of andere verveelvuldigde exemplaren, tegelijk met de

beschrijving een exemplaar van het werk.

De bezwaren, die zooeven tegen het stelsel van verplichte inzending

zijn aangevoerd, gelden hier in even sterke mate.

Wel is hier, voor de onder b genoemde werken, inzending van één

exemplaar voldoende, terwijl de wet van 1881 voor geschriften er

twee eischt, doch de financieele last is er niet minder om, daar

bij werken van beeldende kunst iedere afdruk doorgaans een grootere

waarde vertegenwoordigt.

Doch van de meeste kunstwerken zou, werd deze bepaling eenmaal wet,

waarschijnlijk wel nooit een exemplaar worden ingezonden, daar van

schilderijen, beelden, teekeningen enz. meestal geen reproducties

worden gemaakt binnen dertig dagen na de eerste levering of

tentoonstelling, of nadat zij voor het eerst openlijk te koop of

ter bezichtiging zijn aangeboden. In dat geval zal dus kunnen worden

volstaan met het inzenden der "beschrijving". Of hiervan nu een druk

gebruik zou worden gemaakt meen ik te mogen betwijfelen. Zoolang

geen oogenblikkelijk gevaar bestaat dat op het auteursrecht inbreuk

zal worden gemaakt, of zoolang de auteurs zelve er niet aan denken

hun kunstwerk door het in den handel brengen van reproducties te

exploiteeren, is het niet te verwachten dat zij zich de moeite zullen

getroosten om de voorgeschreven beschrijving op te maken en in te

zenden. En laten zij eenmaal den termijn verstrijken, dan is het te

laat: het werk blijft voor altijd van bescherming verstoken.

Bovendien komt het mij voor, dat men aan de beschrijving, indien zij

wél wordt ingezonden, weinig zal hebben. Meestal zal zij niet anders

dan eene onvolkomen en weinig betrouwbare aanduiding van het kunstwerk

kunnen zijn.

Het Auteursrecht in het Nederlandsche en internationale recht · 第 47 / 215 题