Ik hoop, dat de lezer mij niet kwalijk zal nemen, dat ik dit voorwoord
inleid met een snoeverij. Werkelijk, dit verhaal is een heugelijke
gebeurtenis. Wanneer het voltooid is, vier ik mijn veertigsten
verjaardag; het is mijn vijftigste boek; het zestiende jaar van mijn
schrijversloopbaan en een nieuw begin. „Drie harten”, is een nieuw
begin. Nooit tevoren heb ik iets dergelijks gedaan; ik ben er vrij
zeker van, dat ik nooit weer iets dergelijks doen zal. En ik durf er
gerust voor uitkomen, dat ik er trots op ben het gedaan te hebben. En
nu, wanneer de lezer van actie houdt, dan raad ik hem aan om de rest
van deze snoeverij en dit voorwoord over te slaan en zich hals over
kop, op het verhaal te storten en mij te vertellen of het zich niet
goed laat lezen.
Voor den meer nieuwsgierigen lezer wil ik het nog wat nader verklaren.
Nu de bioscoop verreweg de meest populaire vorm van ontspanning
geworden is over de geheele wereld, begon de voorraad van intriges en
verhalen der menschelijke verdichting snel uitgeput te raken. In een
jaar tijd is één enkele maatschappij met een twintigtal directeuren, in
staat om alle werken van Shakespeare, Balzac, Dickens, Scott, Zola,
Tolstoï en een dozijn, minder vruchtbare schrijvers te verfilmen. En
aangezien er honderden bioscoop-maatschappijen zijn, is het gemakkelijk
te begrijpen hoe snel zij tegenover een tekort stonden aan ruw
materiaal, waaruit bioscoopbeelden vervaardigd worden. Het film-recht
van alle novellen, korte verhalen en tooneelstukken, die al beschermd
waren door auteursrecht, werd gekocht of gecontracteerd, terwijl al het
ruwe materiaal, waarvan het auteursrecht verloopen was, even snel op
het doek gebracht werd, als zeelieden op een goudkust de korreltjes
goud zouden oppikken. Duizenden filmroman-schrijvers—of beter gezegd,
tienduizenden, want er was geen man, vrouw of kind, die niet in staat
ware om een filmroman te schrijven—tienduizenden filmroman-schrijvers
maakten strooptochten door alle literatuur (met en zonder auteursrecht)
en grepen de tijdschriften weg, nog nat van de pers, om zich meester te
maken van de een of andere nieuwe scène, intrige of geschiedenis,
voortgebracht door hun schrijvende medebroederen. Terloops moet er
echter op gewezen worden, dat dit geschiedde in de dagen, al is zulks
nog niet lang geleden, vóór de filmroman-schrijvers achtenswaardige
menschen werden, in de dagen, toen zij overwerk verrichtten voor
hondsche directeuren voor vijftien en twintig dollars per week of hun
producten te koop aanboden voor tien tot twintig dollars per stuk en
den halven tijd niet eens het geld ontvingen, dat hun toekwam, of toen
hun gestolen goederen hun eveneens ontstolen werden door even
onbarmhartige en schaamtelooze individuen, die bij de week slaafden.
Maar heden, al is dit slechts een dag later, ken ik
filmroman-schrijvers, die drie auto’s hebben, twee chauffeurs, hun
kinderen naar de deftigste scholen zenden en wier solvabiliteit niet te
betwijfelen valt. Het was voornamelijk te danken aan dit tekort aan ruw
materiaal, dat de filmroman-schrijvers zoo in waarde en aanzien stegen.
Er kwam vraag naar, ze werden met meer achting behandeld, beter betaald
en, wederkeerig, verwachtte men, dat ze op een hooger peil zouden komen
te staan. Een phase van deze nieuwe vraag naar materiaal was de poging
om bekende schrijvers voor dit werk te winnen. Maar al heeft iemand een
twintigtal novellen geschreven, dan is dit nog geen bewijs, dat hij een
goede filmroman kan schrijven. Integendeel, men kwam spoedig tot de
ontdekking, dat een vroeger succes als novellist de beste garantie was
voor een mislukking als filmroman-schrijver.
Maar de film-maatschappijen gaven den moed niet op. Verdeeling van het
werk, dat was de zaak. In verbinding tredend met invloedrijke
dagblad-organisaties of juist het tegenovergestelde, zooals met „Drie
harten” het geval was, lieten ze de bekwaamste filmroman-schrijvers
(die, met den besten wil van de wereld, geen novelle konden
vervaardigen) filmromans schrijven, die dan weer door
novelle-schrijvers (die, met den besten wil van de wereld, geen
filmroman konden vervaardigen) werden omgewerkt in novelles.
Zoo kwam Mr. Charles Goddard bij den schrijver, Jack London, zeggende:
„Tijd, plaats en menschen zijn gereed; de film-maatschappijen, de
dagbladen en het kapitaal, alles is klaar; laten we nu een overeenkomst
sluiten.” En wij deden het. Resultaat: „Drie harten.” Wanneer ik
beweer, dat Mr. Goddard aansprakelijk is voor „De gevaren van Pauline”,
„De heldendaden van Elaine”, „De Godin”, de „Maak dat je rijk wordt,
Wallingford”-series enz., dan kan er niet de minste twijfel bestaan aan
zijn bekwaamheid. Ook de naam der heldin van dit boek, Leoncia, is zijn
eigen vinding.
Op de rancho in de Maanvallei schreef hij de eerste episodes. Maar hij
schreef vlugger dan ik en had zijn vijftien episodes af, weken vóór ik
gereed was. Laat u niet misleiden door het woord „episode”. De eerste
episode beslaat drieduizend voet film. De volgende veertien ieder
tweeduizend voet. En iedere episode omvat negentig bedrijven, wat een
totaal maakt van ongeveer dertienhonderd bedrijven. Maar
desniettegenstaande werkten wij gelijktijdig aan onze respectieve
opdracht. Ik kon geen rekening houden met hetgeen er in het volgende of
twaalf hoofdstukken verder gebeurde, omdat ik dit niet wist. Evenmin
wist Mr. Goddard dit. Het onvermijdelijk gevolg was dat „Drie harten”
misschien niet erg logisch kon worden opgebouwd, ofschoon er toch zeker
een leidende draad in is op te merken.
Stel u mijn verrassing voor, toen ik daar in Hawaii en zwoegend onder
het novelliseeren der tiende episode, met de mail van Mr. Goddard uit
New-York de veertiende episode ontving en deze doorlezend, ontdekte,
dat mijn held getrouwd was met de verkeerde vrouw!—en dan nog maar één
episode te hebben, om die verkeerde vrouw kwijt te worden en mijn held
op waardige wijze te vereenigen met de echte en eenige vrouw. Zie voor
dit alles, alsjeblieft het laatste hoofdstuk der vijftiende episode.
Maar Mr. Goddard zal me wel aangeven, hoe dit moet geschieden.
Want Mr. Goddard is een meester in actie en snelheid. Actie kan hem in
het minst niet verontrusten. „Speel”, zegt hij kalm in een
film-aanwijzing voor den film-acteur. Blijkbaar doet de acteur dit,
want Mr. Goddard gaat onmiddellijk voort. „Vertolk verdriet”, beveelt
hij, of „zorg”, of „toorn”, of „teedere sympathie”, of „moorddadige
bedoelingen”, of „neiging tot zelfmoord”. Dat is al. En dat moet het
zijn, want hoe zou hij anders ooit al die dertienhonderd bedrijven
kunnen voltooien.
Maar stel u nu mij, arme duivel, voor, die het tooverwoord „Speel” niet
kan gebruiken, maar die, toch eenigszins uitvoerig, deze
gemoedsstemmingen en manieren moet beschrijven, zoo vluchtig in het
voorbijgaan door Mr. Goddard in het leven geroepen! Wel, Dickens zag er
niets in om een duizend woorden of zoo te besteden aan de beschrijving
en karakteriseering van een zeker verdriet van een zeker persoon. Maar
Mr. Goddard zegt: „Speel”, en de slaven der camera gehoorzamen.
En actie! Ik heb in mijn leven enkele avontuurlijke verhalen
geschreven, maar nog nooit heb ik, in al die werken, zooveel actie
kunnen leggen, als samengevat is in „Drie harten”.
Maar nu weet ik, waarom de bioscoop zoo populair is. Ik weet nu waarom
de heeren „Barnes van New-York” en „Potter van Texas”, millioenen
copieën verkoopen. Ik weet nu, waarom een hoogdravend stukje
redevoering meer stemmen verwerft dan de schoonste of edelste daad of
gedachte van staatsbeleid. Het is een interessante onderneming geweest,
dit novelliseeren van Mr. Goddards filmroman, en het was zeer leerzaam.
Het ouderwetsche beeld, dat ik mij over de samenleving gevormd had,
ontving daar door een andere belichting, een ander voetstuk en andere
steunsels. Ik heb, door dit avontuur in mijn schrijversloopbaan, de
zienswijze der groote menigte beter leeren begrijpen, dan ik ooit
tevoren deed en beter dan ooit gevoeld, hoe de volksmenner zijn gehoor,
welks toejuichingen hij verwierf, door zijn geestelijk meesterschap
weet te boeien. Het zou mij verwonderen, als dit boek geen opgang
maakte. („Speel verwondering”, zou Mr. Goddard zeggen, of „Vertolk
opgang”.)
Wanneer het avontuurlijke van „Drie Harten” toegeschreven moet worden
aan samenwerking, dan ben ik er door in vervoering gebracht. Maar
helaas!—ik vrees, dat Mr. Goddard dan een medewerker is, zooals er
slechts één op een millioen te vinden is. We hebben elkander nooit
gesproken, noch van gedachte gewisseld of verschil van inzicht
gehuldigd. Maar dan moet ik zelf ook een juweel van een medewerker
zijn. Heb ik hem niet zonder fluisteren, klagen of morren, laten
„spelen”, door vijftien filmepisodes, dertienhonderd bedrijven en
eenendertigduizend voet film, door honderdelfduizend woorden novelle
heen? Maar hoe het zij, nu het werk af is, wenschte ik, dat ik het
nimmer geschreven had—en wel om reden, dat ik het zelf zou willen lezen
om te zien, of het goed leest. Daar ben ik nieuwsgierig naar. Ik ben er
erg nieuwsgierig naar.
Waikiki, Hawaii. 23 Maart 1916.
Jack London.