EEN JONGENS-PLAAG AAN 'T WERK.

Het schoolplein van Elswijk was niet zoo heel groot, trouwens de school

zelf was ook maar een kleine. Vlak naast het schoolplein woonde Leen

Schep, een rentenier, onder de jongens en ook bij de ouderen algemeen

bekend onder den naam van Leen den Beer, welken bijnaam hij aan zijn

meer dan onplezierig humeur te wijten had. Leen toch was een brompot

van de ergste soort, die wel een hekel scheen te hebben aan iedereen,

misschien ook aan zichzelf. Grooter jongenshater dan hij was beslist

nergens te vinden en hoe ter wereld zoo'n man als hij er toe gekomen

was om vlak bij 't schoolplein te komen wonen zal wel altijd een

onopgelost en onoplosbaar raadsel blijven. Voortdurend toch lag hij

met de schooljeugd overhoop.

Of was hij juist dáár gekomen, omdat hij er blijkbaar zijn grootste

vermaak, een heerlijk genot in vond om de jongens als hij maar

eenigszins kon een kool te stoven en hun het leven zuur te maken? Hoe

't zij, Leen wàs er en de jongens werden ieder oogenblik maar al te

leelijk gewaar, dàt hij er was en als hun wensch vervuld was geworden

liep de ouwe Leen al lang aan de Noordpool te ijsbeeren.

Als je op niets kwaads verdacht was en je zag het onvriendelijke

gezicht van Leen in geen velden of wegen: één vinger stak je in

de asch en als bij tooverslag verscheen de gevreesde bullebak met

zijn loerende, grijze oogen onder de borstelige, vooruit stekende

wenkbrauwen. Kwam je per ongeluk te dicht bij zijn tuinhek, Leen schoot

onverwachts op je af. En òp zijn hek gaan zitten, zooals je overal

anders wel eens deed? Geen schooljongen zou het in zijn hoofd gekregen

hebben. Vast en zeker had Leen je een emmer water over je overmoedige

lichaam gesmeten. Hoe veel tollen hij al had ingerekend, die in zijn

tuin gevlogen waren, is niet te zeggen. Als een haai op zijn prooi

schoot hij er op af en 't was voor iederen jongen een mirakel, hoe

gauw de loerende Leen er altijd bij was. 't Leek wel, of hij het rook,

als er wat van den een of ander in zijn tuin te land kwam.

Je begrijpt, dat iedere jongen bang voor zoo'n schoolplein monarch

was, maar je begrijpt zeker ook, dat elke Elswijker jongen het niet

zou laten om Leen op de een of andere manier te pakken te nemen. Als

je maar zorgde, dat je uit zijn handen bleef, want hij had me zoo

even een paar grijpers. In al zijn jeugd verzuring had Leen een

trouw medehelpster in Kee, zijn vrouw. Ieder oogenblik van den

dag kon je haar groote brillenglazen achter het raamhorretje zien

blinken. Sommige jongens zeiden, dat ze daar voortdurend op wacht

zat, omdat je telkens het nijdig getik van haar vingerhoed tegen de

ruiten kon verwachten. En anderen bezwoeren bij kris en kras, dat ze

haar vriendelijken echtgenoot opstookte om de jongens goed achterna

te zitten, maar die wat beter doordachten, wisten wel, dat Leen niet

aangepord behoefde te worden op dat gebied.

Op een Zaterdagnamiddag in October waren Jan en Gommert Vos, Louw

van Tienen, Hein Krul en Hannes de Roo op 't schoolplein aan het

spelen. Het verbeeldde voetballerij met een rooden elastieken bal

van Gommert, maar een echte volbloed voetballer zou er zijn neus voor

opgetrokken hebben. Die had het kind vierkant bij zijn naam genoemd

en gezegd: "'t Is maar zoo'n beetje gegooi en geschop met dat stuk

elastiek." Hoe 't zij, onze jongens hadden het grootste plezier en

soms kreeg de bal een oppeuter, dat hij boven de school uitvloog en

dan was er natuurlijk het noodige spektakel bij, dat onafscheidelijk

aan voetballen verbonden schijnt.

Van tijd tot tijd vormden ze alle vijf één palingachtige, schreeuwende

massa en dat allemaal terwille van dien eenen gummi bal.

Tweemaal reeds had een driftig tikken van Kee hen gewaarschuwd,

dat ze dicht bij vijandelijk terrein kwamen en Leen was al eens,

zoo schijnbaar zonder erg, in zijn tuintje verschenen. Tot opeens,

daar gaf Hannes de Roo den bal een trap, dat hij pardoes langs den

lindeboom schoot, die voor Leen's huis stond, tegen het dak aanpatste,

toen met kleine sprongetjes omlaag tipte en toen, o jammer, midden in

den tuin rolde tusschen een paar armzalige, uitgebloeide rozenstruiken.

Spoorslags was alle plezier verdwenen, was alle gejuich verstomd en

staarden de voetballers elkaar sprakeloos aan. Onwillekeurig wendden

ze alle vijf hun schreden naar het hekje, dat als een electrische

draad het verboden grondgebied omstrengelde. Kee tikte natuurlijk weer

al, maar dat was overbodige moeite. Geen van vijven zou er zich in

deze omstandigheden aan gestoord hebben, al had ze de ruit te barsten

getikt èn geen van vijven zou ook maar even geaarzeld hebben om over de

heining te springen en naar den bal toe te hollen. Doch natuurlijk:

als een wraakgierige geest schoot Leen al voor den dag. 't Was,

alsof hij uit den grond verrees; of hij er op had staan wachten. Met

tergende kalmte stapte hij op den bal toe, greep hem en stak hem

grijnslachend in den uitgescheurden zak van zijn verschoten jekker,

terwijl hij zoo hatelijk mogelijk tot de jongens kraste:

"Die is voor de haaien jongetjes."

"Toe Leen, krijg ik 'm asjeblieft terug," schooide Gommert.

"Geen kwestie van," was 't antwoord.

"Maar we konden er toch niks aan doen, dat hij in je tuintje

vloog?" waagde Hein.

"Niet? Ik toch ook niet zeker? Dat heb je van je gek getrap tegen

zoo'n stuk elastiek," antwoordde Leen, blijkbaar erg vergenoegd.

"Nee, jij kunt er zeker niks an doen, maar geef me nou m'n bal terug,

Leen."

Tot antwoord draaide de onheusche Schep zich om en verdween zonder

een woord te zeggen, door het gangetje naast zijn huis.

"Wat een ezelsveulen. Wat een hatelijk stuk mensch!" barstte Louw

kwaad uit.

Jan had nog niets gezegd, maar nu kwam het los:

"Hij is voor de haaien, de bal. Ja, voor die twee haaien dáár. Zoo'n

vent moesten ze het dorp uitbannen. Zoo'n... zoo'n Isegrim, zoo'n Beer,

zoo'n bruine grijnsaap!"

"Met dat al ben ik mijn bal kwijt," treurde Gommert.

"Ja, die is naar z'n grootje," bevestigde Hannes. "Die ouwe Grijpgauw

heeft 'm te pakken en dan kan je er wel naar fluiten, dat weten we

van ouds. Hij kan zoo zoetjes aan wel een winkeltje gaan opzetten

van ingepalmd jongensspul; zoo'n roofdier."

"'t Is meer dan dun," zei Jan, "dat je daar nou heelemaal niks

aan doen kan. 't Ventje wel. Zag je 'm grijnslachen? Hij lacht

nooit, dan wanneer hij ons een pretje kan bezorgen, zoo'n vroolijke

potmosch. Schep, ja zeker, Schep-vreugde-in-'t-leven mag je wel tegen

hem zeggen. Leen Schep-op! Laten we maar weggaan. Kijk dat hoofd van

Kee eens razend te keer gaan achter haar raamhorretje. Leen brengt

zeker verslag uit en nou bekijken ze den buit. Vooruit, we gaan; ze

hebben er anders nog meer aardigheid in, als we hier als beteuterde

Jorissen blijven heen en weer schilderen."

Druk pratend sloegen ze nu den Achterweg in en streken daar neer

tegen den hittenstal van den bakker, waar, dat spreekt van zelf,

de verbeurd-verklaarde bal het onderwerp van 't gesprek bleef.

"'k Wou dat ik 'm maar terughad," wenschte Gommert voor de zooveelste

maal.

"'k Zei je immers, dat je 'm nooit meer terug ziet," betoogde Hannes

niet òver-bemoedigend. "Nooit zie je 'm weerom; voor goed geblazen. Wat

jij, Jan?"

Jan antwoordde niet dadelijk. Er flitste een geheimzinnig vuur uit

zijn donkere kijkers, zoodat Hannes herhaalde:

"Wat jij? Of zie jij er kans op?"

"Hoe laat zou 't wezen?" vroeg Jan.

"Hoe laat? Zoowat half drie, maar wat zou dat?" vroeg Louw.

"Eigenlijk niks."

"Wel nou dan. Zie jij een gaatje?" vischte Hein.

"'k Weet niet... Waar zou die akelige, zure Leen den bal gelaten

hebben?"

"Ja, goeie morgen; zeg maar op," viel Hannes in.

"Wou jij 'm soms halen?"

"Als je 't weten wou: ja; dat zou ik nou net precies eens graag

willen. Luister alle vier nou 's goed. Achter Leen z'n huis is een

klein plaatsje, waar zijn achterdeur op uitkomt. Wacht, je kunt het

hier vandaan zien. Kom hier."

Ze rezen op en nu lei Jan verder uit:

"Zie je de deur?"

Vier knikkende hoofden en acht vragende oogen.

"En vlak naast die deur is een raam. Welnou, dat raam is van zijn

achterhuis en nou zou 't me niks verwonderen, als de vent daar den

bal van Gommert had neergelegd."

"Allemaal mooi en goed," onderbrak Gommert, "maar ik had 'm wel zoo

lief in mijn broekzak. als daar in dat achterhuis."

"Hou je even in. Nou ga ik probeeren om 'm terug te krijgen."

"Jij? Hoe? 't Zou wat! Kom nou!" klonk het verward.

"Ja, ik. Maar jullie moet me helpen."

"Ik ga niet mee," bracht Hannes al vast in het midden.

"Dat vraag ik je ook niet. 'k Moet je niet eens mee hebben, maar je

moet helpen uitkijken. Ik ga er alleen op uit."

"Langs dezen kant?"

"Dat wil zeggen, Hein, ja, langs achter ten minste. Let jullie nou goed

op, of er geen onraad is. Zie je wat, dat niet deugt, dan moet jij,

Gommert, tweemaal op je vingers fluiten, kort. Twee stooten en als

't gevaar voorbij is, dan geef je een langen haal. Snap je? Fluit

nou niet verkeerd."

"Ben je nou besneeuwd?" zei Gommert; "bij onraad twee korte en..."

"Gesnapt. En sta nou zoo meteen niet alle vier op een hoopje naar mijn

kant te gapen als jonge spreeuwen, maar elk op zijn eigen houtje. Apart

dus. Je zult me zóó zien verschijnen."

"Waar ga je dan naar toe?"

"Door de poort naast den stal van de herberg. Die staat altijd

open, zooals je weet en de ouwe herbergier komt maar zelden in dien

achterafhoek. Door die poort kom ik in den herbergtuin; ik kruip dan

door de haag en ben zoo in den hof van den bakker. Daar staat een

varkenshok, kijk maar en... maar vooruit. De rest zal je zelf wel

zien. Nou ga ik."

Jan wandelde, alsof er geen vuiltje aan de lucht was, er vandoor. Bij

de stalpoort gekomen opende hij deze stilletjes en bevond zich in den

tuin van Langeraad, den waard uit "De Witte Leeuw." Omzichtig loerde

hij rond en zag niemand. Als een kat schoof hij den Leeuwenhof door

en stond nu bij de dichte haag, die hem scheidde van den tuin van den

bakker. Nu werd het oppassen, want het terrein, dat nu aan de beurt

kwam, lag aan drie zijden open en bloot en als hij ontdekt werd,

was alles verloren. Daar, daar zag hij een plek in de haag, die wat

minder dicht was. In een wip was hij er door en nu sloop hij in gebogen

houding langs die haag naar een hoek van den bakkerstuin. Dwars over

steken was te gevaarlijk; dan liep hij te veel in de gaten.

Het achtererfje van Leen Schep was nog een meter of tien verwijderd,

maar juist die tien meters waren de gevaarlijkste, want het gebied,

waar Leen de alleenheerschappij voerde, was vanachter begrensd

door het varkenshok, waarin de twee zwijntjes van den bakker zich

vergastten aan oudbakken brood en nu was er ter wereld maar één weg

om bij Leen achter te komen en die weg leidde van dezen kant uit over

dat varkenshok heen. Maar wàs dat ook al een bezwaar, een nieuw, een

onverwacht bezwaar was het niet, want Jan had alle moeilijkheden goed

overwogen en zijn veldtochtsplan wèl in elkaar gezet. Hij aarzelde

dan ook geen oogenblik; zette zijn voeten op den varkenstrog en werkte

zich zonder veel moeite op het lage pannendak.

Nu pas zagen de vier uitkijkers in den Achterweg hem

scharrelen. Gommert hield èn zijn vriend èn de deur van het bakkershuis

in 't oog en o, schrik, daar zag hij deze laatste opengaan en de dikke

bakkersvrouw trad naar buiten. Twee korte fluitstooten sneden gillend

door de stilte. Gommert en zijn vrienden voelden het hart slaan van

vrees, maar gelukkig: 't dak was al verlaten en Jan had voor een

oogenblik zijn heil gezocht bij de knorrende varkens. Voorzichtig

loerde hij door een reet tusschen twee planken of hij misschien ook

den bakker zag verschijnen; maar er kwam niemand of niets en hij

had de ruimte alleen, want de twee knorrende slap-ooren waren bij

't zien van hun onverwachten gast met een verschrikten varkenskreet

in het nachthok gestoven.

Een langgerekt fluitsignaal was voor Jan het bewijs, dat het gevaar

overgedreven was. Hij stak zijn hoofd boven de plankenschutting uit

en zat weldra op den rand. Nu pas kwam het allergrootste gevaar. Als

Leen in de buurt was; als hij plotseling zijn achterdeur eens

opende! Maar vooruit! Nu hij eenmaal zóó ver was, kon hij toch

moeilijk onverrichter zake terugkeeren ook, er mocht dan van komen,

wat er van komen wou. Hij gleed aan de andere zij naar beneden, liep

op de teenen naar het achterraampje van Leen Schep, gluurde er door

naar binnen en: zijn hart sloeg in zijn keel, want daar zag hij op

een tafeltje, tegenover het raam, den bal liggen.

Daar lag hij! Daar lag hij veilig en wel, want er was geen sprake

van, dat Jan er bij kon komen. Nog even dacht hij er over, de deur

stilletjes te openen, het achterhuis binnen te sluipen en den bal weg

te pikken, maar hij begreep, dat zooiets onmogelijk kon gebeuren;

dat stond gelijk met het hol van den leeuw, in dit geval van den

Beer, binnen te gaan. Alle moeite was voor niemendal geweest. Neen,

tòch niet heelemaal. Hij wist nu tenminste iets; wist, waar de bal

wàs. Dat kon misschien waarde krijgen. Voorloopig was er maar één

ding te doen en dat was: als de wind terug.

In minder dan drie minuten was hij weer in den Achterweg, waar zijn

vier kameraden hem al te gemoet liepen.

"En?" riep Gommert vragend, "heb je 'm?"

"Neen!"

"Niet?" klonk het ontmoedigd, "da's me ook een stel!"

"Stil," waarschuwde Jan, "niet zoo schreeuwen. Ik weet tenminste waar

hij is."

"Dat weet 'k óók," bromde Gommert. "Hij is natuurlijk in Leen z'n

kraal; maar hij is niet, waar hij hoort en dat is in mijn zak."

"Zie je 't nou," opperde Hannes. "Heb ik 't je niet gezegd, dat je

'm voor goed kwijt was. Zie je 't nou zelf, Jan?"

Maar Jan gaf de zaak nog niet zoo maar in eens op. Zijn besluit stond

vast: hij moèst en zoù den bal terug hebben en daarom antwoordde hij:

"Als je denkt, dat ik het er nou al bij zal laten zitten, dan sla je

de plank mis. Zou je nou toch warempel meenen, dat ik me door dien

ouwen, nijdigen Schep op m'n kop liet zitten? Nooit! We zullen hem

trakteeren, dat het hem heugt en meteen den bal terug hebben ook."

"'k Zie 't al gebeuren tegen Sint Juttemis," twijfelde Hannes.

"Komt niks van terecht," bracht Hein in 't midden.

"Hou je in," zei Jan. "Als jullie maar durft. Als jullie me niet alleen

laat staan, komt alles netjes en vierkant op z'n pootjes terecht. Maar

'k zeg nog eens: jullie moet durf in je lijf hebben."

Geen van vieren wou zijn durf aan eenigen twijfel onderworpen

zien. Durven? Alles! En daarom ging Jan voort:

"'t Is tegenwoordig vroeg donker en volk op straat zie je zoo goed

als niks. Om zes uur is 't voor mijn doel zeker al donker genoeg. Als

jullie nou precies doet, wat ik je zeg, heeft Gommert zijn bal terug

en dan zullen wij tegelijk dien leelijken Leen in 't zonnetje zetten,

zooals hem nog nooit overkomen is. Jullie loopt er heelemaal geen

gevaar bij."

De aandacht was ten hoogste gespannen en Louw van Tienen vroeg:

"Wat wou je dan nou weer?"

"Mot je verder hooren. Om zes uur zijn we hier alle vijf weer

present. Jullie maakt dan zoo'n beetje schandaal aan den voorkant van

Leen z'n huis en je zult zien, dat de ouwe Beer uit zijn hol sloft

om tegen jullie op te scheppen. In dien tusschentijd neem ik langs

den achterkant mijn kansje waar."

"Moet je dan weer over dat varkenshok?"

"Neen, daarvoor is 't dan te donker. Ik sluip door 't gangetje van

Leen. Daar is een draaihekje, zoo je weet en dat bind ik achter me

dicht. 'k Heb al zoo dikwijls gezien, dat er 's avonds in 't achterhuis

een lichtje brandt, dus ik kan zien, wat ik zeg."

"Waarom moet dat hekje dicht?"

"Waarom Hein? Dat zul je vanavond zien. Dat is een verrassing voor

jullie en ook voor de firma Schep."

"En moeten wij niks anders doen, dan dat kleine beetje

opschepperij?" vroeg Gommert, wel een weinig teleurgesteld.

"Da's te zeggen... Durf je wat?"

"Zeur niet. 'k Heb zooeven immers al gezegd van wèl?"

"Mooi. Luister nou. 'k Heb thuis nog die ouwe groote fietspomp."

"Wou je daar Leen en Kee soms mee opblazen?"

"Hou nou je mond, Hannes en luister nou," zei Hein, die evenals de

anderen vol belangstelling waren voor Jan's plannen.

"Goed. Weet je 't nog van laatst met die pomp?"

"Van dat water spuiten?"

"Precies. En nou komt er wat voor jou, Gommert. Jij kruipt vanavond

met je gelaaie spuit in den boom voor Leen z'n deur. Komt Beeroom

dan naar buiten, dan..."

"Dan geef ik hem een straal precies in zijn nijdigen wafel."

"Je snapt 'm. En de rest volgt vanavond. Maak nou allemaal, dat je op

tijd bent, anders loopt de boel in 't honderd. Ik ga nou naar huis,

anders krijgen m'n konijnen den geeuwhonger. Tot ziens!"

De avonturen van Jan Kodde · 第 28 / 40 题