JAN LOOPT STRAF OP EN SPEELT VOOR TOOVENAAR OF ZOO IETS.

"Jan Kodde, let op! Als ik je weer zoo zie zitten draaien ben je er

gloeiend bij en dan ga je de gang in!"

't Klonk streng uit meesters mond en Jan wist, dat er met den

bovenmeester niet te spotten viel. Die zag nou letterlijk alles. Als je

meende, dat je je wel eens eventjes met wat anders bezig kon houden,

dan had hij 't zóó in de gaten. 't Was, of hij oogen in zijn rug

had. Als hij met zijn gezicht naar 't bord stond en je draaide maar

even om, dan zou je zeggen, dat meester 't aan zijn lijf voelde, dat er

wat bijzonders gebeurde. En 't was nou zoo'n vervelend, taai stuk les.

"Als de stam eindigt op één van de letters van 't Kofschip, dan krijgt

het deelwoord een t en anders..."

Een kofschip! Jan wou, dat hij er op zat. Wat zou 't voor soort

van een schip zijn? Hij zou 't wel aan den meester willen vragen,

maar... 't kwam er nou eigenlijk zoo weinig bij te pas. 't Zou toch in

elk geval een soort van schuit wezen. Lekker nou op zee! Je zeiltjes

bol! Netjes voor den wind! Fijn! Als hij dan voorbij voer, zou hij met

zijn zakdoek zwaaien als er jongens aan 't strand waren. Moeder zou

't puntje van den mast precies boven de duinen zien uit pieken. Als

't dan zulk weer was als nu! Nou! wind en regen! De ramen rammelden

en groote druppels spatten er kletterend en schuimend tegen.

Je hoorde soms het water gutsen uit de regenpijp aan den achterkant

van den school en...

"Er is een ongeluk gebeurd. Dan moet gebeurd, Jan, met?"

"Gebeurd, gebeurd!"

"Ja, gebeurd. Hoe moet dat nou?"

"Met een d meester," raadde Jan op goed geluk af in de gauwigheid

en in de stellige overtuiging, dat er met hem werkelijk een ongeluk

ging gebeuren.

Maar neen!

"Goed," klonk het uit meesters mond, "maar Jantje, Jantje, ik geloof,

dat het meer geluk is dan wijsheid. Denk er om, mannetje, dat je er

met je gedachten bij bent."

Jan had zich nooit van zijn leven vaster voorgenomen om er met alles

wat gedachten waren, bij te zijn en vijf minuten ging alles goed.

"De erwt wordt geweekt... geweekt met een t," draaide er een

dreunerig af.

Jongen ja, hij had nog erwten in zijn zak. Wacht eens, ja, onder dat

bosje touw zaten er een paar.

Kijk me dat witte stoppel-hoofd van Dorus eens sufferig heen en weer

wiegen. Een mooie schijf om er zoo'n erwt tegen te pikken. 't Kon

onmogelijk missen. Hij zat juist vóór hem. Wat een witkop. 't Zou me

een stel zijn als daar eens een zwarte vlek op zat.

Wacht. Zoo'n erwt in den inktpot! Voorzichtig trok Jan zijn hand

uit zijn broekzak en hield den meester goed in de gaten. Die erwt,

op een pen gepriemd, ging tersluiks in den inktpot.

Nu even gemikt en... rrt, daar vloog het kleine, natte, zwarte

projectiel vlak tegen den vlasbol van...

Hemeltje lief, neen! Jan schrok zich zoo half en half een ongeluk. 't

Ding schoot rakelings langs meester z'n gezicht en patste met een

harden tik tegen het grijze bord, waarop een ster van inkt verscheen

met druipende stralen.

Meester schrok, de heele klasse schrok en Jan alleen schrok zeker

honderd percent meer dan al de anderen samen.

Ze keken op eens allemaal naar den kant vanwaar ze den oorsprong van

die onverwachte, zwarte komeet vermoedden: naar Jantje baas, die op dat

oogenblik liever overal anders had willen zijn, dan hier in de school.

Meester was gloeiend boos. Zijn oogen, die toch al zoo priemend op

je konden prikken, schoten vonken en driftig klonk het:

"Doe jij dat Jan?"

Bij al zijn ondeugende streken had de kleine bommenwerper een

ingekankerden hekel aan al wat liegen heette en, met zijn zwarte

kijkers uiterst deemoedig op zijn inktkoker gericht, klonk het:

"Ja, meester!"

"Vooruit! De gang in. Om half twaalf spreken we mekaar nader."

Zonder een woord te zeggen droop Jan af.

Dat dit nou zoo ongelukkig moest afloopen. En hij had toch zoo sekuur

gemikt op Dorus z'n witte stoppelveld.

Daar stond hij nu in die lange gang. 't Leek wel een uitdragerswinkel

met al die suffe hoeden en petten en natte jassen en mantels. Daar

had je anders zoo geen erg in als de school uit- of aan ging.

Hij begon in zijn eenzaamheid den boel eens wat nauwkeuriger op

te nemen.

Dàt was de regenjas van Gommert. Net een zwarte doopjurk. En daar de

cape van Piet, die hem nog niet tot aan zijn knieën reikte. Precies

een paddestoel met een knobbel er op, als hij hem aan had. Daar hing

de strooien hoed van Mieke Japikse, die nuf. Het natte lint plakte er

op als een stroopsliert op de kan. En de pet van 't Stekelvarken was

precies een blinkende aangebrande broodkorst; heelemaal gescheurd. De

voering hing er uit van achter, en daar, wel daar had je warempel

het laddertje van den gangzolder. En dat was me nog al liefst

neergelaten. 't Luik stond open. Jan wist het wel: daarboven werd

kachelhout en allerlei schoolrommel bewaard. Zou...? Wel ja! Waarom

niet? 't Was nog lang geen half twaalf. Bijlange na niet. Daar straks

pas half elf geslagen. Nog een uur den tijd dus.

"'k Moet toch een even neuzen, wat daar zooal te zien is," prevelde de

boeteling. Voorzichtig klom hij 't laddertje op. 't Was niet lekker,

die sporten aan je kous-voeten. Hij kroop door 't luik en stond toen

op den langen, lagen zolder die door een enkele glazen dakpan maar

half verlicht was, zoodat er een schemerig duister heerschte.

Daar lag de berg kachelhout, om van den winter de kachels mee aan te

maken, al gereed. Op zijn kousen kroop hij er over heen en zag toen een

heele rij leege kisten. Hij snuffelde er achter en vond een trompet. 't

Was zoo'n ouwentje van het muziekgezelschap, dat eens in de week in

de school oefening hield. Vol deuken, maar 't mondstuk zat er nog aan.

Zou er nog muziek uit komen? Jan zette het ding aan den mond en blies

er in, maar hoorde niets dan zijn eigen zagend blaas-geluid.

Nog eens geprobeerd; nu de lippen niet òm, maar ìn het mondstuk. Dat

deden de muzikanten ook. Goed wat lucht ingehaald en nou... "Alle

genadigheid, wat een piepende, gillende, jankende knor-schreeuw!" Van

schrik liet hij 't instrument uit zijn handen vallen.

"Net een schor varken, dat je aan zijn staart trekt," mompelde de

jonge ontdekkingsreiziger.

"Daar hou ik mee op. Als ze 't daar binnen hooren, ben ik nog erger

zuur.

"'t Ruikt hier buitengewoon lekker naar gebraden vleesch. De vrouw van

den bovenmeester bakt zeker een varkenslapje voor d'r man. Die boft! 'k

Wou best mijn portie van vanmiddag met hem ruilen. De lucht komt door

dat raampje daarginds. Dat komt zeker in de keuken uit. Even loeren."

Op 't eind van den zolder was een klein raampje, dat opensloeg. Jan

kroop er op zijn knieën voor en:

"Jawel hoor! Da's de keuken. Wat een fijne geur! Hoor de pan eens

sissen! Wat zou de meester vanmiddag krijgen? Vleesch, dat weet ik

al. Wacht eens. Op de tafel staat een mandje met kropsla. Daar komt

mevrouw er naar toe en zet er... Wa's dat nou voor een raar ding? 't

Lijkt wel een soort van emmerachtig ding vol met gaatjes. Wat zou

dat voor een instrument zijn?"

Het instrument, dat Jan's verbazing wekte, was niets anders dan een

blikken sla-emmer. Hij keek eens rond en:

"Hier ligt een ouwe hengel. Al 't spul zit er nog aan, behalve 't

dobbertje. Meester vischt zeker niet dikwijls meer. Zijn haak is veel

te groot. Wat 'n haak! 't Is haast een anker. Daar gaat mevrouw de

keuken uit. Wacht, ik moet haar eens foppen."

Jan stak den hengel door het raampje, liet den haak om het hengsel

van den sla-emmer zweven en: "Pik, ik heb 'm. Nou haal ik hem stiekum

naar boven en dan is ze zoo meteen dat gaatjes ding kwijt."

De sla-emmer kwam door 't raampje op 't zoldertje terecht, op 't

zelfde oogenblik dat meesters vrouw de keukendeur weer binnen trad.

Ze trok de la van de tafel uit, nam een mesje, pakte een krop sla

en begon die schoon te maken. Maar nauwelijks was ze er mee bezig,

of Jan hoorde haar prevelen:

"Wa's dàt nou! Waar is nou opeens mijn sla-emmer? 'k Heb hem toch

daar net hier op tafel gezet, dacht ik." En zoekend scharrelde ze de

keuken rond, maar vond niets.

"Zou Ka hem misschien ook weggezet hebben!"

Jan had al pret.

"Ka! Kaatje!!" galmde mevrouw. "Kom eens even hier!"

Ka, met opgestroopte mouwen, verscheen ten tooneele.

"Heb jij den sla-emmer weggezet, Ka?"

"Gunst nog toe, nee mevrouw. 'k Heb 't heele ding niet in m'n handen

gehad."

"Daar snap ik nou geen steek van. 'k Dacht toch zoo vast, dat ik hem

daar straks hier op de tafel had neergezet. Waar zou dat ding nou

toch wezen!"

Mevrouw en Ka verlieten zoekend de keuken om door de buitendeur

te verdwijnen.

"Nou vlug," gichelde Jan en in minder dan geen tijd stond de verloren

sla-emmer weer op zijn oude plaats.

"Noem me dàt een emmer," zei Jan bij zich zelf. "Wat een model! Daar

moet je water in zien te dragen. Je kunt het even goed in een mandje

doen!"

Mopperend kwamen de twee zoeksters terug in de keuken.

"Wel heerementijd! Kijk nou toch eens Ka," klonk het verbaasd blij,

"daar staat hij me nou op de tafel en zoo even stond hij er niet."

"Nee, zoo even stond hij er niet," praatte Ka verbluft

na. "Zoo even stond hij er vast niet. Hoe is dàt nou op m'n

lieve-menschelijke-wereld-nog-an-toe mogelijk. Dat lijkt wel

tooverderij spul."

"Enfin, we hebben hem," antwoordde haar meesteres opgewekt. "Help

me nou eris eerst gauw buiten die sprei uitslaan en ga dan maar weer

naar boven."

Jan's gezicht glom.

"Nog eens geprobeerd," fluisterde hij binnensmonds en weer bengelde

de sla-emmer in de lucht en weer ook palmde Jan hem door het raampje

op den zolder.

"Hoor ze eens te keer gaan met d'r sprei!"

"Maar hoe heb ik het nou!" klonk het vijf minuten later in de

keuken. "Nou is hij warempel wéér weg Kaatje!"

"Aller grootste genade mevrouw, maar da's spookspul," opperde Ka in

stomme verbazing. "Zou er iemand in de keuken zijn geweest? Je hoort

tegenwoordig van allerlei rare en vreemde dingen van Sikeuniers of hoe

heet dat diefachtige woonwagenvolk ook weer met d'r vuile snoeten en

d'r kinders op bloote voeten en zwart lang haar. Als d'r maar niet

zoo'n portret in den kelder zit. Brr. Ik ril d'r van als ik er an

denk. Zou ik den meester niet even roepen? Als ie d'r uitkwam!

"Hemeltje lief! Ik bestierf het van den schrik!"

De emmerhengelaar op zolder had moeite om 't niet uit te gieren. Met

zijn hand voor zijn mond zat hij zich bloedrood op te blazen.

Mevrouw en Ka staarden elkaar verwezen aan.

"Ja zeker, mevrouw. 't Zou zoo'n wonder niet zijn als er zoo'n bruine

kromvinger hier binnen was geweest. Hoe zou anders die sla-emmer... 't

Is me toch wat te zeggen!"

"Och malle meid, klets nou niet. Breng jij die sprei maar boven, dan

zoek ik... Maar wacht, ik ga even met je mee, dan kunnen we samen de

waschtafel even verzetten."

"'t Is toch een kasumeel stuk," bromde Ka nog onder 't heen gaan.

Nauwelijks hoorde Jan een paar pantoffels en een paar muilen op de

trap klappen of de sla-emmer stond alweer op de keukentafel.

Daar kwam mevrouw weer terug, zag haar dierbaren emmer, sloeg van

pure verbazing de handen ineen en riep:

"Ka, Ka! Nou staat ie weer op de tafel. Daar begrijp ik geen sikkepit

van!"

Rommelde bommelde bonk- bom... neen, 't waren de muilen van Ka maar,

die van de trap af huppelden. Ka zelf stoof achterna, spoot de keuken

in en riep:

"Goeie, lieve, beste hemeltje mevrouw; ja, daar staat ie. Maar als

u nou nog volhoudt dat hier geen tooverderij in 't spul is, mag ik

een vleermuis worden. 'k Ben er heelemaal door van mijn... van mijn

gedoente. 't Word er glad miserabelachtig van."

"Ja, ik snap er oòk geen zier van. Dat moeten we strakjes toch eens

aan meester vertellen. Enfin, 'k heb 'm en nou houd ik hem ook."

Jan sloop van voor zijn raam, maar: verpikt, wat was dat

schrikken. Daar sloeg het zolderluik dicht en hoorde hij 't laddertje

wegnemen.

Buiten op 't schoolplein klonken dooreen de joelende stemmen. De

school was dus uit en daar zat hij nu. Hoe kwam hij er af!

Wacht! Daar aan 't andere eind was een klein vensterluikje. Als je

dat open deed kwam je op het platje van 't schoolportaal.

Geen tien tellen later stond Jan de toovenaar op 't platje. De regen

had opgehouden. Hij ging op zijn buik liggen en keek over den rand. De

achterdeur stond open. Dat was een treffertje!

Daar je voeten boven op en dan... 't Gebeurde al. Met zijn handen

klemde hij zich aan den òp staanden dakrand vast, slingerde even met

zijn beenen en zijn voeten hadden den bovenrand der deur te pakken. Nog

een oogenblik en Jan schoof voorzichtig omlaag, greep den bovenrand der

deur met allebei zijn handen en... rrrt, hij stond op den grond. En

nu naar binnen om zijn pet en zijn klompen. Meester was er al van

door. In vredesnaam dan. Gaan vragen: "meester mag ik asjeblieft nog

een beetje schoolblijven, want ik zat op 't gangzoldertje," dàt was

toch een beetje àl te kras. Gauw zijn klompen aan en dan naar huis. De

rest kwam van zelf.

Nou, òf de rest van zelf kwam! Meesters geheugen was niet van

bordpapier.

's Namiddags moest Jantje eerlijk opbiechten, waar hij gebleven

was. Hij vertelde het heele geval behalve de geschiedenis van den

betooverden sla-emmer en mocht netjes tot vijf uur zitten brommen.

De avonturen van Jan Kodde · 第 8 / 40 题