Terzijde van den weg, die van het dorpje Elswijk naar de duinen
slingert, stond een hoogst eenvoudige arbeiderswoning. Half
overschaduwd door de dikke takken van een paar hooge, oude olmenboomen
lag ze daar vredig en kalm, even vredig en kalm als de kippen, die
in den zandweg voor de deur lagen te koekeloeren en te draaien in de
tintelende stralen van het warme Julizonnetje.
In het achterhuis, dat uitzicht gaf op een kleinen moestuin, stond
vrouw Kodde blazend en zweetend over een dampende waschtobbe. Het zweet
gutste de arme ziel langs het scharlaken-gloeiende gelaat en van tijd
tot tijd poosde ze even om met een tip van haar blauwen boezelaar de
druppels af te vegen om dan weer met... neen met moed niet, maar om
in vertwijfeling haar bloote armen te dompelen in het schuimende sop,
waardoor de paarlemoeren bellen spattend uiteen barstten.
Was het wel wonder, dat de vrouw, haast even gloeiend als het zeepsop
in de tobbe, zich den moed in haar muilen voelde zinken? Met zóó'n
warmte en dan zóó'n heet werk!
Even hield ze op en keek op het ouderwetsche klokje in de huiskamer,
met zijn koperen wijzerplaat, waarlangs twee wit-porceleinen pilaartjes
prijkten.
"Half elf al," mompelde ze, "dan wordt het hoog tijd, dat ik het eten
klaar ga maken. 't Zou Kees danig tegenvallen als hij om twaalf uur
Jan nog niet met zijn maaltje zag aankomen."
De tobbe werd voor enkele oogenblikken in den steek gelaten en weldra
spartelden de kokende aardappels in den zwart-ijzeren pot op de platte
buis van de kachel, terwijl een pannetje met snijboonen daarnaast
stond te pruttelen.
Telkens weer verliet nu vrouw Kodde haar waschtobbe om naar de
vorderingen van den middagpot te kijken. Eindelijk veegde ze haar
druipende en dampende armen, wit rimpelig van het warme sop, voor
goed af en trad door de achterdeur naar buiten.
"Jan! Jan!" schelde haar stem door de zomer-warme, trillende lucht.
"Jan!"
"Ja moeder!" klonk een vroolijke jongensstem uit de hoogte.
Verbaasd wierp moeder Kodde een blik naar boven, doch ze zag niets dan
blaren. "Waar zit je dan?" riep ze vragend met het hoofd in den nek.
"Hier moeder! 'k Ben zóó beneden! 'k Ben even in den boom geklauterd,
maar in een wip ben ik klaar. Zie je moeder, 't is beneden zoo warm!"
"En daar boven dan, deugniet van een jongen?"
"Ja, hier is 't ook wel warm, maar lang zoo erg niet. Meester zei
van de week nog: hoe hooger je komt, hoe kouder het wordt. Daarom is
't boven op een berg ook..."
"Ja wel, zeur nou maar niet; je bent niet boven op een berg. Kom er
nou subiet uit, zeg ik je, of ik haal je d'r uit!"
Een ondeugende lach schaterde uit het gebladerte.
Neen maar, dàt zou Jantje nu toch heusch wel eens willen zien, dat
moeder hem uit den boom haalde! In zijn vlugge verbeelding zag hij
haar de bloote armen al om den stam slaan en de beenen... och heden,
die beenen! Wat zou dàt een onbetaalbare grap zijn!
Jantje proestte het uit, terwijl het idee van zijn klimmende,
spartelende moeder hem door zijn brein flitste en schelms riep hij:
"Ja, toe moeder! Haal me d'r eens uit; klim ook eens in den boom! 't
Is hier zoo echt reuzen lollig, veel moppiger dan aan de waschtobbe!"
"Kom er nou uit, aap van een jongen. Je vader wacht anders op zijn
eten en dan zal het er niet net zitten."
Dat hielp. Jantjes beenen werden zichtbaar en na die beenen verscheen,
wat er van boven aan vastzat. Als een eekhoorn zoo vlug kwam hij naar
omlaag en in een wip stond hij naast moeder in zijn blauw boezeroen
en zijn bombazijnen broek. Zijn guitige oogen straalden van onder
zijn donkeren krullebol waarvan een groote lok hem over 't voorhoofd
viel en lachend zei hij: "Doe me dàt eens na moeder. Je zou 't zoo
gauw niet kunnen; je rokken zitten in den weg."
"Zeur nou maar niet langer," driftte moeder, "en maak maar gauw,
dat je weg komt. 't Is al half twaalf en eer je er bent is 't zeker
wel twaalf uur. Een half uur heb je er vast voor noodig."
"Een half uur, moeder? Waarom gewed, dat ik over een kwartier bij
vader ben?"
"Och jongen, zanik niet, 'k heb niets om te verwedden."
"Om een suikerbrok dan?"
"Ja, vooruit maar, schelm en pak nou maar gauw aan. Hier,
voorzichtig. Draag den doek zóó aan de saamgeknoopte punten. Wat wou
je met dien stok?"
"Dien steek ik er door moeder en dan draag ik hem over mijn schouder
en..."
"Neen, neen, dan slingert de pan te veel heen en weer en wordt het
eten nog kouder dan anders. Niets te stokken! Je draagt het zaakje
behoorlijk in je hand. Gauw nu en zeg, dat ik vader smakelijk eten
wensch."
Jan zette het op een loopen, zóó hard, dat moeder ongerust werd in haar
nieuwe bruin-steenenpan en hem nog nariep: "Niet zóó hard. Straks
struikel je nog en... en dadelijk terugkomen, dan gaan we zelf
óók eten!"
"Zoo'n deugniet," mompelde ze, terwijl ze Jan, die, in een razende
stofwolk gehuld, den weg afrende, naoogde.
"Zoo'n rakker. En toch een goed jong. Maar een deugniet is hij. 't
Is me een zorg."
En vrouw Kodde had groot gelijk. Jantje wàs een deugniet, een guit,
altijd vol grappen.
Dat geen boom hem te hoog was, toonden helaas maar al te vaak de pijpen
van zijn broek of een winkelhaak in zijn boezeroen. En zijn klompen!
"Voor jou zijn geen klompen aan te halen," mopperde vader Kees om de
drie of vier weken.
"Ja, vader," had Kees eens geantwoord, "maar mijn beenen zijn ook
nog zoo kort, ik moet dus meer stappen doen dan jij. Wacht maar,
tot ik ook eens zulke lange stelten heb."
Nog altijd hield Janbaas zijn stofopjagenden draf er in, tot hij even
buiten het dorp op den olmendijk kwam. Dit was een begrinte binnendijk,
aan weerskanten bezet met oude iepen.
Hier werd het Jan te machtig; hier was het te lekker koel om als een
puffende locomotief voort te hollen. Het zweet parelde op zijn blozende
wangen en verfde zwartachtige baantjes op zijn glimmend gezicht.
Hij matigde zijn gang, maakte met zijn boezeroenmouw zijn gezicht nog
wat zwarter en klots-klompte wat langzamer door het grintstof. Vroolijk
fluitend vervolgde hij zijn weg.
Daar stond op een kromming van den dijk onder een zwaren kastanjeboom
een bouwvallig hittenkarretje. Jan herkende het dadelijk. 't Was de
equipage van Natte Sies uit de stad, die het land afliep om hoenders
en konijnen op te koopen en die de verfoeilijke gewoonte had, dikwijls
meer jenever te gebruiken dan hij verdragen kon, vandaar zijn bijnaam.
Het magere hitje stond aan den boom vastgebonden en daaronder lag
Sies in 't gras in diepe rust.
"Arm beest," beklaagde Jan het dier, "daar sta je nou misschien al
ik weet niet hoelang honger te lijden. Wacht, ik zal je helpen." Hij
zette zijn pan neer en begon ijverig handen vol gras te plukken,
die hij het bonkige dier voorhield.
"Kijk hèm daar! Die rust lekker uit!" Een ondeugende trek verspreidde
zich plotseling op Jan's zwarte gezicht.
"Wacht, met dien luilak moet ik eens een grap hebben."
Stilletjes scharrelde hij even in de hittenkar en diepte van tusschen
de manden met konijnen en kippen uit een lang touw op.
Voorzichtig, heel voorzichtig sloeg hij een lus van dat touw om het
rechterbeen van den snurkenden Sies en knoopte toen het andere eind
achter aan het karretje vast. "Die hit kan toch niet hard loopen,
dus gevaar is er niet bij," bromde de kleine deugniet in zichzelf.
Onafgebroken hield hij het oog gericht op den slapenden
konijnenkoopman. Toen maakte hij den hit los, gaf dien een fermen slag
met de vlakke hand terzijde van den staart, riep: "allo, vort!" en
kroop een, twee, drie achter den dikken stam van den kastanjeboom.
De hit zette zich in beweging, het touw spande zich en langzaam gleed
het slappe been van Sies uit zijn houding. Nog even en de rest van
Sies sleurde kalmpjes aan uit het gras en den grintweg op.
De slaper was eensklaps wakker. Hij wist niet, wat er zoo op eens met
hem gebeurde, maaide grijpend met zijn lange armen rond als zocht
hij steun en schreeuwde met z'n schorre keelgeluid: "hei, hei, hou
op met je flauwe grappen! Hou op, zeg ik je!"
Maar jawel! De hit, die toch anders niet zoo bijzonder haastig
was, stond zich blijkbaar allang te vervelen en was niet tot betere
gedachten ten opzichte van zijn baas te brengen. Het broodmagere beest
verlangde zeker naar den stal, waar allicht wat voer te vinden zou
zijn. Onverstoorbaar stapte hij met zijn kromme knieën en knikkenden
kop voort en zette er zelfs een stapje bij.
Sies spartelde als een bezetene.
Hij probeerde overeind te komen, maar ternauwernood zat hij zoo half
en half op zijn hurken, of een nieuwe ruk bracht zijn rug in aanraking
met den stoffigen grintweg.
Jantje gierde het uit; stond krom van het lachen bij de potsierlijke
bewegingen van den op sleeptouw genomen Sies, die te keer ging als
een razende, die wanhopig schreeuwde en tierde: "sta stil, beroerde
knol. Hou op! Help, help me toch!"
Maar wie zou hem helpen! Er was niemand in de buurt te zien, dan de
tranen lachende oorzaak van zijn ellende. Nu kroop Sies op handen en
voeten met zijn hoofd omlaag de kar achterna, driftig zijn armen en
beenen bewegend om bij te houden. Daar ineens kreeg hij weer een ruk
en wat Jan nu zag bracht hem bijna buiten zich zelf.
Sies maakte pardoes rechtsomkeert en nu achteruit, maar nog altijd
op handen en voeten, net als een groote orang-oetang krabbelde hij
zijn kar achterna, nu links dan recht, dwars en scheef als een krab
schraaide hij óver en dóór het wagenspoor.
't Was inderdaad een allerbespottelijkst gezicht.
Een nieuwe ruk aan het touw maakte den toestand nog slimmer. Een mand
met konijnen raakte er in verward, schoof van den wagen en smakte op
den berm van den weg neer. In een ommezien ontvloden de konijnen hun
enge gevangenis en snuffelneusden in het gras rond.
Op dat gezicht steeg de vertwijfeling van Sies ten top.
Met inspanning van alle kracht probeerde hij zijn lichaam een
loodrechte richting te geven, maar dat miserabele touw aan zijn been
noodzaakte hem horizontaal te blijven voortmartelen.
Jan lag in het gras te rollebollen van plezier. Sies hoorde in zijn
wanhopige woede zijn schaterend gelach niet. Een nieuwe krachtige
poging bracht hem eindelijk overeind. Vlug liep hij naar zijn hit en
bracht het dier tot staan.
De onbetaalbare voorstelling was afgeloopen. De rest kon Jan niet
schelen; die konijnen waren gemakkelijk te vangen en...
Bom--bom--bom!
Groote goedheid! Twaalf uur!
Dan gauw naar vader, want anders zat er wat op.
Loopen wat hij loopen kon, rende hij nu langs den weg en kwam hijgend,
blazend en grinnikend in de wei, waar vader met Teun Driedijk aan
't maaien was.