* * * * *
Half rood, half groen
de hagen staan,
half beukenhout,
half ieuwen;
ik hope dat
vrouw Lente zal
verneschen en
vernieuwen
dat dood nu is;
* * * * *
in tusschentijd
mij wellekom
gij, winter, zijt
omdat gij
. . . . . . .
* * * * *
De dagen langen nauw genoeg,
maar toch, ik kan bespeuren
* * * * *
Gij, winden, kunt o--o--
o--o--o--o--
o--o--o--o--
ik bidden kan.