* * * * *
Ik weune bij de zee,
de blauwe zee, de baren
ze staan tot in mijn huis,
en de onafmeetbaarheid
* * * * *
Welgekomen zijt mij allen,
die na duizend ongevallen,
op des werelds wilde zee,
zoekt en ziet de blijde haven
* * * * *
Vijfden van de sture maand,
die des winters wegen baant
* * * * *
o Sneeuw, gewolde dracht
der witte wintervelden
* * * * *