UIT DE DIEPTEN.

Ik hoore 't klokspel nauwelijks,

en nauwelijks de slagen,

die slaan de lange stonden van

de stomme winterdagen;

't is doof omtrent mij alles, en

schier dood, hetgeen mij moed,

mij mannelijken wil, te mets,

en kracht in 't herte doet:

daar zit entwat in 't luchtgewelf

dat krank is; dat, beneden

die krankheid, armen mensche, mij

doet krank en ziek zijn, heden.

Wat is dat? Aarde of hemel, wat

ontbreekt mij nu, die wanen

mij vrij van alle zorgen dorst,

nog onlangs; die, de banen

des levens gei doorgaande, hield

den zin op u gericht,

o zonne, die mij tegenblonkt

in 's hemels aangezicht!

Waar is nu alles henen en

hoe zitte ik hier, gekrompen,

vernederd en ontzenuwd, in

des winters doove dompen?

Ach! wis is mij de dood omtrent

en, heimlijk aangekropen,

des nachts ong' hiere duisternisse

in 's herten grond gedropen;

de droefheid,--of ik blijde was

en helder eens van zin,--

op mij heeft heure vuist geveld

en giet mij tranen in.

Waar berge ik mij? Waar vluchte ik u,

o troostloos ondervinden

der zware weemoedsketenen,

die nu mij nederbinden?

Waar vluchte ik mij? Waar schuile ik, of

wie zal mij....? Zal ik vluchten,

die bidden kan; die God bij mij,

voor bijstand, heb: die zuchten

in de oore Gods mijn lijden kan;

die, sprakeloos, verstaan

bij hem kan zijn; die, schaamteloos

bij hem kan binnengaan?

Aanhoort mij dus, o Vader; uit

de diepten roepe ik henen;

"Ontferme 't u eens dooden en

uw licht zij mij verschenen!"

Gij ook zijt eens in 't graf geweest,

drie dagen en drie nachten;

gij ook hebt uwe onlustigheid

geklaagd; als al uw krachten

begaven u, om hulp gebeên,

die aller hulpe en troost,

God zelf, voor mij te lijden en,

gegalgd, te sterven koost.

Ontferme 't u eens stervenden,

die, naast u, neêrgebeden

in 't graf van zijne ellendigheid,

verrijzen wilt ook, heden!

Laatste verzen · 第 132 / 155 题