PLATANUS ORIENTALIS. L.

Alhier, aldaar, wijd uit, wijd om,

wijd afgevallen blaren

bezabberen mij 't wandelpad,

alsof het vagen waren

van verwers handen, geelwe op groen,

die 't grauw der aarde blinken doen.

Een zure wind is opgestaan,

die 't schoone der platanen,

zijns ondanks, al te langen tijd

zag schaduwen de banen

van 't zomerhof. 't Is winter haast

en 't oud, afjunstig noorden blaast.

Die zatgezopen, zooveel tijd,

aan 't zalig zonneleven,

daar stonden, ei! zoo roekeloos

en 't hoofd omhooggeheven,

gevallen zie 'k nu los en loom,

beneden den plataneboom.

Zoo valt, die op de winden schreed,

ééns bliksemens, doorschoten,

de vogel, bei zijn slagers af,

en langzaam neêrgevloten,

in 't zand des wegs: met borst en klauw,

vergeefs gewend naar 't hemelsblauw.

Plataneboomen, 't deert mij, dat

ik, wandelende, 't zoete

geweefsel van uw schaduwkleed,

in 't stof betreden moete,

dat eens zijn bergzaam looverdak

mij bood, wanneer de zonne stak.

Dat eens mij zoete zangen zong

wanneer, te lossen toome,

de bolle wind zijn' sprongen sprong

en liep van boom tot boome;

al zuchtende.... o, zoo schoon en kweelt

geen vinder, die de harpe speelt.

Dat eens!.... Maar nu is 't veeg en 't valt

in 't graf: de winden loeien

zijn lijkgezang! Platanenloof,

te zomer zal 't hergroeien

en wederom den zonneschijn

mij zichtend voor de voeten zijn.

Laatste verzen · 第 120 / 155 题