DUC NOS QUO TENDIMUS![1]

Wilt ge een hof vol beukenboomen,

zwarte en groene, als daken dicht,

ondoorstroomd, de volle stroomen

vangen zien van 't zonnelicht;

wilt ge een kermesse aan uwe oogen

geven, 'k ga den weg u toogen.

Wilt ge geurig gers gerieken,

versch gezeisend; dóór de wee'n

op en af de houten rieken,

't hooi zien dansen, al deureen,

komt en laat, in 't park getreden,

vóór u gaan, of na, mij heden.

Uit en in de schaduwsluipen,

te over 't hoofd in 't donker groen,

wilt ge heen- en wederkruipen,

duikske-weg, u zoeken doen;

wilt ge vrij van zorgen leven,

komt, ik ga de keure u geven.

Wilt ge, tien en twintig malen

daags, het dampend reuzenros

hooren zijnen asem halen,

door end door den iepenbosch,

slaande weg naar vreemde kusten

komt nabij dien berk wat rusten.

Henen is 't, en weêr een ander

drakendier de bane bijt,

bachten ons: een binnenlander

is het nu, die henenrijdt!...

Horkt hoe weêr de wielen ronken:

't davert tot in de elzentronken.

Zich! Daar springt een haze! Och arme,

laten moet hij noo' den schat,

dien hij, diepe in 't hooi, in 't warme

woekernest geborgen had:

't staat hem op den hals en sterven

moet hij of zijn jongskes derven.

Groot van oogen, grauw van velle,

lang van ooren, krom van been,

zitten nu de lieve, snelle

jongskes op mijn hand getween,

weteloos of, weggedreven,

vader nog en moeder leven!

Meermaals hoore ik menschen kouten,

hoe verkeersels, wis en waar,

hoe ze goede en kwa' kabouten

tegenkwamen, hier of daar:

zijnder geesten hier, die dwalen,

's nachts, het zijn de nachtegalen.

't Doet: er komen goede geesten

hier verkeeren, af en aan:

lichaamlooze zielenleesten,

uit het graf heropgestaan,

daar ze, veel of luttel jaren

voortijds, in begraven waren.

Hautscilt en de oude Eeckhoute-abten

komen hier en doen alsof

ze elkeen met elkander klapten,

stemmeloos, in 't wandelhof,

van 't oud huiswerk, dat, voorheden,

hier end daar, zij bouwen deden.

't Is al weg nu, zoo zij zelven

weg zijn: wijde en waterland,

boomen zijn 't nu, boschgewelven,

gulzig gers en zuiver zand.

Henen zij ze, en andere ontzielden

komen, daar zij dagvaart hielden.

Welby Pugin en, daarnevens,

Jan Bethune, zijn gebroêr,

die, den langen dag huns levens,

trokken een en 't zelve snoer,

hoore ik nu, al zoetjes spreken,

't beeld van een gebouw uitsteken.

"Dààr het ziedhuis, dààr het water,

zus en zoo den trap gezet.

's Zomers, noord de slaapsteê; later,

wordt het koud, alhier het bed.

Tenden zij, om God te loven,

nog een bidsteê bijgeschoven."

"Michaël zal 't huis bewaken,

met zijn zweerd. Wie is als God?"

hoore ik in de samenspraken

slaan van de edele twee; "en 't slot

zal Maria, zonder vlekken

maagd, met heuren mantel dekken."

"Jan-Baptiste moet hier hebben,

nacht en dag; zijne eere, want

zuiver water doet hij ebben,

uit der aarde en over 't land.

Naast Maria moet, nadezen,

Joseph hier gediend ook wezen."

"Donatiaan, met zeven lichten,

ringsom, op een wiel gepint,

zal de vijandschap doen zwichten,

van die alles uitverzint,

's nachts, om in de terruwstruiken

harik en vergif te duiken."

Weêrom zijn ze weg, verdwenen!

Al met eenen keer, zoo staan

huis en hof mij daar verschenen:

dag is 't; en de hooiers gaan

overal, bij zware slagen,

't geurig gers omverrevagen.

Wee is mij! Waar zijn mijn zinnen?

Dorst ik, in zijn eigen huis,

dichten, bij den Bisschop, binnen?

Neen! "_Duc nos quò tendimus!_"

hadde ik liever zeggen moeten,

neêrgeknield, aan 's Leeraars voeten.

SINT-MICHIELS, BIJ BRUGGE,

29/6/'98.

[1] _Aan Z. D. H. Mgr. Dr. G. J. Waffelaert, Bisschop van Brugge._

=IN 'T RIET=

Gedoken half, in 't riet,

half zichtbaar, in de rieten,

aanschouwt de koeien mij,

die, versch uit hunne slieten

en vaste veters, nu

op vrije voeten gaan

en, gaande, 's morgens vroeg

hun lange steerten slaan.

Omhooge heffen zij

hun hoofd en doen de stalen

van 't omgebogen riet

hun tongen nederhalen

te mondewaards; de zwakke,

ontgroende staven riet

men rijzen toppeloos,

en weerom rechte ziet.

Ze stampen dat het kraakt,

en 't water van beneden

hun voeten, spettert op

en speit hen om de leden;

de koeier djakt zijn djakke

en, djakkend, rechtevoort

hij koeiers overal

hem tegendjakken hoort.

De dazen zijn daar aan

en bij, bij bijzen weven

zij, rings om elke koe,

hun' zidderende schreven;

ze zuipen zuiver bloed,

bij volle zeupen, uit

de malsche bronnen van

de diepe koeienhuid.

Vaart henen, zonne, weêr

ten avondwaard: de koeien

en kunnen 't herden noch

gedragen meer; ze loeien

om vrij te zijn van 't zog,

dat hun den uier spant;

om vrij te zijn van 't vier

dat hun de balgen brandt.

"Naar huis, allei--alla!"

Zoo luidt het en, geladen

met de ongevalschte gift

huns overvloeds, zoo waden

de koeien uit het riet

en uit den meersch, verbeid,

weêrom te stallewaards

en in de stilligheid.

Laatste verzen · 第 112 / 155 题