Wilt ge een hof vol beukenboomen,
zwarte en groene, als daken dicht,
ondoorstroomd, de volle stroomen
vangen zien van 't zonnelicht;
wilt ge een kermesse aan uwe oogen
geven, 'k ga den weg u toogen.
Wilt ge geurig gers gerieken,
versch gezeisend; dóór de wee'n
op en af de houten rieken,
't hooi zien dansen, al deureen,
komt en laat, in 't park getreden,
vóór u gaan, of na, mij heden.
Uit en in de schaduwsluipen,
te over 't hoofd in 't donker groen,
wilt ge heen- en wederkruipen,
duikske-weg, u zoeken doen;
wilt ge vrij van zorgen leven,
komt, ik ga de keure u geven.
Wilt ge, tien en twintig malen
daags, het dampend reuzenros
hooren zijnen asem halen,
door end door den iepenbosch,
slaande weg naar vreemde kusten
komt nabij dien berk wat rusten.
Henen is 't, en weêr een ander
drakendier de bane bijt,
bachten ons: een binnenlander
is het nu, die henenrijdt!...
Horkt hoe weêr de wielen ronken:
't davert tot in de elzentronken.
Zich! Daar springt een haze! Och arme,
laten moet hij noo' den schat,
dien hij, diepe in 't hooi, in 't warme
woekernest geborgen had:
't staat hem op den hals en sterven
moet hij of zijn jongskes derven.
Groot van oogen, grauw van velle,
lang van ooren, krom van been,
zitten nu de lieve, snelle
jongskes op mijn hand getween,
weteloos of, weggedreven,
vader nog en moeder leven!
Meermaals hoore ik menschen kouten,
hoe verkeersels, wis en waar,
hoe ze goede en kwa' kabouten
tegenkwamen, hier of daar:
zijnder geesten hier, die dwalen,
's nachts, het zijn de nachtegalen.
't Doet: er komen goede geesten
hier verkeeren, af en aan:
lichaamlooze zielenleesten,
uit het graf heropgestaan,
daar ze, veel of luttel jaren
voortijds, in begraven waren.
Hautscilt en de oude Eeckhoute-abten
komen hier en doen alsof
ze elkeen met elkander klapten,
stemmeloos, in 't wandelhof,
van 't oud huiswerk, dat, voorheden,
hier end daar, zij bouwen deden.
't Is al weg nu, zoo zij zelven
weg zijn: wijde en waterland,
boomen zijn 't nu, boschgewelven,
gulzig gers en zuiver zand.
Henen zij ze, en andere ontzielden
komen, daar zij dagvaart hielden.
Welby Pugin en, daarnevens,
Jan Bethune, zijn gebroêr,
die, den langen dag huns levens,
trokken een en 't zelve snoer,
hoore ik nu, al zoetjes spreken,
't beeld van een gebouw uitsteken.
"Dààr het ziedhuis, dààr het water,
zus en zoo den trap gezet.
's Zomers, noord de slaapsteê; later,
wordt het koud, alhier het bed.
Tenden zij, om God te loven,
nog een bidsteê bijgeschoven."
"Michaël zal 't huis bewaken,
met zijn zweerd. Wie is als God?"
hoore ik in de samenspraken
slaan van de edele twee; "en 't slot
zal Maria, zonder vlekken
maagd, met heuren mantel dekken."
"Jan-Baptiste moet hier hebben,
nacht en dag; zijne eere, want
zuiver water doet hij ebben,
uit der aarde en over 't land.
Naast Maria moet, nadezen,
Joseph hier gediend ook wezen."
"Donatiaan, met zeven lichten,
ringsom, op een wiel gepint,
zal de vijandschap doen zwichten,
van die alles uitverzint,
's nachts, om in de terruwstruiken
harik en vergif te duiken."
Weêrom zijn ze weg, verdwenen!
Al met eenen keer, zoo staan
huis en hof mij daar verschenen:
dag is 't; en de hooiers gaan
overal, bij zware slagen,
't geurig gers omverrevagen.
Wee is mij! Waar zijn mijn zinnen?
Dorst ik, in zijn eigen huis,
dichten, bij den Bisschop, binnen?
Neen! "_Duc nos quò tendimus!_"
hadde ik liever zeggen moeten,
neêrgeknield, aan 's Leeraars voeten.
SINT-MICHIELS, BIJ BRUGGE,
29/6/'98.
[1] _Aan Z. D. H. Mgr. Dr. G. J. Waffelaert, Bisschop van Brugge._
=IN 'T RIET=
Gedoken half, in 't riet,
half zichtbaar, in de rieten,
aanschouwt de koeien mij,
die, versch uit hunne slieten
en vaste veters, nu
op vrije voeten gaan
en, gaande, 's morgens vroeg
hun lange steerten slaan.
Omhooge heffen zij
hun hoofd en doen de stalen
van 't omgebogen riet
hun tongen nederhalen
te mondewaards; de zwakke,
ontgroende staven riet
men rijzen toppeloos,
en weerom rechte ziet.
Ze stampen dat het kraakt,
en 't water van beneden
hun voeten, spettert op
en speit hen om de leden;
de koeier djakt zijn djakke
en, djakkend, rechtevoort
hij koeiers overal
hem tegendjakken hoort.
De dazen zijn daar aan
en bij, bij bijzen weven
zij, rings om elke koe,
hun' zidderende schreven;
ze zuipen zuiver bloed,
bij volle zeupen, uit
de malsche bronnen van
de diepe koeienhuid.
Vaart henen, zonne, weêr
ten avondwaard: de koeien
en kunnen 't herden noch
gedragen meer; ze loeien
om vrij te zijn van 't zog,
dat hun den uier spant;
om vrij te zijn van 't vier
dat hun de balgen brandt.
"Naar huis, allei--alla!"
Zoo luidt het en, geladen
met de ongevalschte gift
huns overvloeds, zoo waden
de koeien uit het riet
en uit den meersch, verbeid,
weêrom te stallewaards
en in de stilligheid.