CINXEN, 1898.

[1] _Voor 't Getijdenboek van den priester._

=CINXEN=

't Is stille, Cinxendag en, over 't plekske vloers,

van waar ik henenzie en schouwen kan, daarboven,

de hemelsblauwe lucht, en hoore ik niemendal,

't en zij, voorbij geschoven,

een langzaam bellen, dat, herhalende, eens en nog

zegt: "komt te kerkewaard, met mij den Heere loven!"

't Is stille en kerkewaard vervoere ik mijn gedacht,

vervoere ik heel en al mijn innerwaardste wezen,

tot vóór uw voeten, God, die uit het duister graf

zijt heerlijk opgerezen;

die in uw kerke rust en dáár, in 't hoogste blauw,

terwijl het klokske luidt, mij uwen naam laat lezen.

O groote kerke Gods, o hemelwelven, daar

het minste mensch van al, bij nachten of bij dagen,

U in de sterren kan aanschouwen, groote God,

zoo ver zijne oogen dragen,

en in de blauwe lucht des hemels!.... kerke Gods,

gewijde kerke, wie zal u te schenden wagen?

Laatste verzen · 第 110 / 155 题