=LENTEGROEN=
Hoe lief is, op het donkerblauw
der zwangergaande wolken,
die donderpijlen dreigen dra,
het lieve lentegroen,
daar schielijk, uit de zuiderlucht
de middendaagsche dolken
der zonne, 'et lustig meievier
een deuntje op dansen doen.
't Is groen, dat diepe in 't blauwe bijt,
zoo hel en zoo doorschijnend,
of eerst het uit den regenboog
geboren ware; en blauw,
dat dieper nog als hemelsch blauw
des avonds is, verdwijnend
in 't zwangergaande duister van
de wolken, gram en grauw.
De zonne loopt daar smijtende in
heur middendaagsche dolken,
die speiten zoo geweldig op
het lieve lentegroen,
dat 't pinkelt en dat 't pierelt op
de blauwheid van de wolken,
die, zwangergaande, dreigen dra
nen donderdeun te doen.
Aan EUG. DE LEPELEER,
4/5 '98.
=VOORBIJ=
Voorbij is, eer het woord voluit
mijn tonge ontsnapt, het veêrgefluit
des vogels, die is verre en wijd
van hier, bijkans in géénen tijd.
Voorbij, zoo vaart het stoomgetuig
zijn vechtend vier- en vonkgespuig,
de schenen langs, één stonde, en is
verdwenen in de duisternis.
Voorbij zoo loopt een schaduw langs
de stappen meê mijns wandelgangs,
dóór 't onafmeetbaar veld, dat ik
ontgroenen zie van stik tot stik.
Voorbij, zoo valt een striepken licht,
een valsterre, over 't aangezicht
des hemels, en 'k en zie daarvan
geen speur, eer zesse ik tellen kan.
Voorbij o God, u uitgespaard,
gaat 't al voorbij en tendenwaard,
gaat al dat is of was voorbij:
Gij zijt alleene en blijft God, Gij!