MOSCROEN, 27/4 '98.

=LENTEGROEN=

Hoe lief is, op het donkerblauw

der zwangergaande wolken,

die donderpijlen dreigen dra,

het lieve lentegroen,

daar schielijk, uit de zuiderlucht

de middendaagsche dolken

der zonne, 'et lustig meievier

een deuntje op dansen doen.

't Is groen, dat diepe in 't blauwe bijt,

zoo hel en zoo doorschijnend,

of eerst het uit den regenboog

geboren ware; en blauw,

dat dieper nog als hemelsch blauw

des avonds is, verdwijnend

in 't zwangergaande duister van

de wolken, gram en grauw.

De zonne loopt daar smijtende in

heur middendaagsche dolken,

die speiten zoo geweldig op

het lieve lentegroen,

dat 't pinkelt en dat 't pierelt op

de blauwheid van de wolken,

die, zwangergaande, dreigen dra

nen donderdeun te doen.

Aan EUG. DE LEPELEER,

4/5 '98.

=VOORBIJ=

Voorbij is, eer het woord voluit

mijn tonge ontsnapt, het veêrgefluit

des vogels, die is verre en wijd

van hier, bijkans in géénen tijd.

Voorbij, zoo vaart het stoomgetuig

zijn vechtend vier- en vonkgespuig,

de schenen langs, één stonde, en is

verdwenen in de duisternis.

Voorbij zoo loopt een schaduw langs

de stappen meê mijns wandelgangs,

dóór 't onafmeetbaar veld, dat ik

ontgroenen zie van stik tot stik.

Voorbij, zoo valt een striepken licht,

een valsterre, over 't aangezicht

des hemels, en 'k en zie daarvan

geen speur, eer zesse ik tellen kan.

Voorbij o God, u uitgespaard,

gaat 't al voorbij en tendenwaard,

gaat al dat is of was voorbij:

Gij zijt alleene en blijft God, Gij!

Laatste verzen · 第 96 / 155 题