WINDTOCHT

't Is helderblauw, vandage,

en warmer als twee dagen

of drie geleên, de tocht

die 'k aseme is voortaan

zoo licht en onbelaân,

dat door mijn longen ik

hem lustig late jagen.

Hij loopt omtrent me heen,

hij speelt me vóór de voeten;

mijn haar omwentelt, en

mijn kaken kust hij koel;

in lijf en leên gevoel

ik weer den jongen dag

den ouden dag verzoeten.

Hoe raast die wilde wind

mijne ooren vol! Ze tuiten,

ze tieren allerhand

geruchten in mij, recht

een stamerend gevecht

van stemmen is 't, die 'k slaan

en bermen hoore, buiten.

Dan buige ik mij vooruit

en wil de borst hem bieden;

'k ga stevig, stap voor stap,

en 'k leune, lijf sta bij;

wie zalder, ik of gij

nu zege halen, wind,

of 't zegeveld ontvlieden?

Zoo wierd er vroeger, 't is

mij eeuwen lang geleden,

door hem die "_Israël_"

nadien voor name droeg,

bij nachte en 's morgens vroeg,

op een die, na den strijd,

hem zegen gaf, gestreden.

Dan, laat mij zegen ook,

uit uwen mond, verwachten,

o sterke vechter, Wind,

die, loopende achter 't veld,

mij schier omverrevelt

en worstelt tegen mij,

en wijgt uit al uw krachten.

Ik bidde u, zegent mij:

niet eer en wilde ik wapen

omleege leggen, u

ontwijkende, eer gij doet

ontwaken mij dat bloed,

dat al te langen tijd,

gerust heeft en geslapen.

Laatste verzen · 第 93 / 155 题