NEVELDUISTERNIS

Gegrauwdoekt is de grond

der kimme en allenthenen

vol damp en duisternis;

de boomen, half verdwenen,

half zichtbaar, hebben, daar

ze stille staan en stom,

van wolkenweefsel elk

een grauwen tabbaard om.

't Hoogmorgent en, zoo 't schijnt,

't en wilt geen dag meer dagen:

daar moet iets ongesteld

of los zijn aan den wagen

der zonnehingsten, dat

ze in toom gehouden staan

en, immer nippend, nooit

een schreê vooruit en gaan.

De wereld mist den troost

dier zoete zonnestralen,

die alles leven doen,

daar ooit zij nederdalen;

die 't schoone schoon doen en

die 't goede goed doen zijn:

die God verbeelden in

Gods beeld, den zonneschijn.

De wereld mist dat nu:

ze treurt en, langs de lanen,

daar 't eenmaal blommen droop

en druipen nu maar tranen;

daar 'k eenmaal stemmen hoorde

en vogelzang en ziet

mijne ooge onschoonheid maar

en sprakeloos verdriet.

Dat 't schaduw nu nog ware

en wolken daar de winden,

zoo in een schapentrop

de honden, weg in vinden,

en bleve een plekske vrij,

dat blauw is, hier of daar!

Och, neen, 't is nevel, al

omtrent me, en nevel, maar.

O nevelduisternis,

bij nachte zien mijne oogen

de duizend teekens nog,

die 't ommegaan vertoogen

des sterrenhemels! Gij,

o nevelduisternis,

en toogt mij niets van al

daar hope of troost in is.

't Is meer als leed genoeg,

en droefheid in mij, zonder

uw droef afwezig zijn,

o 't weergalooste wonder

van al dat wonder is

in 's werelds heerlijkheid!

o Zonne, en zij mij nooit

te lange uw licht ontzeid.

Laatste verzen · 第 91 / 155 题