DE SPERRETAKKEN

De sperretakken staan, nabij

den boom, alsof hun blâren

gestorven, over langen tijd

aan jeugd en jonkheid waren;

maar, al zoo zaan de zomer komt

herzie 'k hun verste vingeren

met jeugdig groen en zappigheid

den ouden boom omslingeren.

Nog winter is 't, men zeggen zou,

omtrent het bol; en neven

het bol, zijn zwart de takken, die

maar tendenwaards en leven:

het oude draagt het nieuwe dat

nog jong is; maar van dagen

ook oud geworden, beurtelings

zal 't oude 'et nieuwe dragen.

Op de ouden blijft gesteund, en zijt

voorzichtig, jonge spranken;

'n laat u niet verleiden, om

te vroeg u vrij te danken

van 't oude: uit de oude grauwte van

de schiergestorven boomen

zal nieuwgeboren schoonheid eens,

en sterkte, henenstroomen.

30/5 '97.

Laatste verzen · 第 76 / 155 题