KORTRIJK, 10/5 1897.

'T SCHEERWIEL

Het versch geschoren gers is zoet

om zien, en, in de zonne

verpreuvelen 't mijn herte doet,

van louter levenswonne.

Het scheerwiel hoor ik rijden, met

gerul, en zijnen draf

aan 't draven, alles snijden met

zijn' scherpe tanden af.

Geen scheerder, die zoo scheren kan;

geen wever die zoo weven:

geen een en kent de konste van

zijn laken doen te leven.

't Doen leven kan 't de zonneschijn,

't doen blinken in den glans

des hemels en nog groender zijn

als 't groenste laken, gansch.

Nu loopt erin, en laat u 't spel,

de louter levenswonne

verpreuvelen, en jeunt u wel,

gij kinders, in de zonne;

daar 't laken ligt en zult gij nu

verwringen hand en voet:

loopt spelen daar en zegene u

de zomerzonne zoet.

13/14/5 '97.

Laatste verzen · 第 64 / 155 题