De vier heilige Evangelisten:
Hij ligt, door uwe schuld, o Lucifer, gevallen,
die, nijdig opgestaan, met honderd duizendtallen
der uwen, nedervielt voor Michaëls "Wie is
Gods weêrga?" in den poel der diepe duisternis!
--Gij stondt en wildet hem, gekropen vóór uw' voeten,
eens, in de wildernis, met 's werelds eere groeten:
hij brak uw' boosheid dan. Gij vluchtet.--Neêr nu ligt
in 't stof der aarden, ja, zijn Godlijk aangezicht.
Verkondt het al die u als opperheer aanschouwen,
verkondt het, en verheugt, is 't mooglijk, uw getrouwen:
eer 't morgen dag is, heeft hij u, in 't voorgeborcht,
geroofd de zielen, die gij in uw' strikken worgt.
--Van hier!--Gaat hangen hem, en galgen, op de rotse,
en weet wie--hij of gij--zal zegepralen,--trotse!