Te midden der onmeetbare heide, die langs de noordelijke grenzen onzer
provincie Limburg, als de bodem eener opgedroogde zee, vele uren verre
onafgebroken voortloopt, ligt een oud en donker bosch.
Waarschijnlijk dat hier in verledene eeuwen een uitgestrekt moeras heeft
bestaan; want het zijn geene masten of dennen, die er groeien: de eik,
de wilg, de abeel, de els en andere breed-bladerige boomen woekeren er
met hunne wortelen in de vette, mullige aarde.
Zoo diep ligt de grond van het bosch, dat de reiziger, die over de heide
trekt, uit de verte nauwelijks de toppen der boomen als eene duistere
vlek op de zandwoestijn ontwaart. Wanneer hij, afgemat en door het
gevoel der lange eenzaamheid zwaarmoedig, den boord der diepte nadert,
verblijdt het gezicht van het schaduwrijk loover hem niet; integendeel,
hij blijft verrast en aarzelend staan. Die ondoordringbare groene klomp,
de volstrekte stilte, welke er heerscht, de koude vochtigheid, welke hem
tegenwasemt,--dit alles doet hem droomen aan eene nog volledigere
eenzaamheid, aan iets geheel afgezonderds, aan iets geheimzinnigs;--en,
of hij vrees hebbe voor kwaaddoeners of voor onbegrepen gevaren, niet
zonder bekommerdheid stapt hij den eenigen weg in, die tusschen het
somber en doodstil geboomte wegschiet.
In den diepsten schoot van dit bosch lag het kasteel Wildenborg.
Het was een groot vierkant gebouw, uit rooden baksteen gemetseld, zwaar,
bonkig en zonder eenig kenmerk van kunst of van smaak.
De twee uitgebrokkelde torens, die boven zijn achterdeel zich
verhieven, en de vorm der vensters lieten herkennen, dat het in den
Spaanschen tijd was gesticht geworden.
Zeker moesten de eigenaars sedert meer dan eene halve eeuw het onderhoud
van dit kasteel geheel verwaarloosd hebben. Vele kareelen waren uit de
muren gevallen, de naden tusschen de steenen waren diep uitgehold,
overal in den gevel wortelden wilde gewassen, en op sommige plaatsen
wiegelden de tengere ranken van het helmkruid in machtige bossen in den
wind.
Een oude, knoestige wijngaard had weleer een gedeelte des gevels
overdekt, maar bij gebrek aan steun was hij voorover gevallen en lag nu
met het hoofd ter aarde neergebogen, zonder dat iemand er aan had
gedacht hem weder op te richten.
Bij het gezicht zulker bouwvalligheid hadde men licht geloofd, dat
Wildenborg eerlang van ouderdom in gruis zou storten, bovenal wanneer
men bemerkte, dat eene breede scheur, met hoekige bewegingen als het
nagelaten spoor des bliksems, tot in de grondvesten des gevels daalde.
Op een honderdtal stappen des kasteels, achter het roestig ijzeren hek,
dat den ingang afsloot, stond een klein boerenhuisje, met zijnen stal en
met zijnen afgezonderden oven, ongetwijfeld bestemd tot woning voor
eenen hovenier.
Indien er zulk een arbeider tegenwoordig was, moest hij niet zeer
vlijtig zijn; want de vruchtboomen, die binnen het landgoed stonden,
waren verwilderd, en tot op de voetpaden zelve groeide woekerend gras,
terwijl de bloembedden en zoden door machtige natuurkruiden, als
bereklauw, smeerwortel en klissen, waren ingenomen.
* * * * *
Op eenen zomermorgen van het jaar 1855 bevond er zich eene zeer oude
vrouw in de benedenkamer van het hoveniershuis. Zij had de koffie
opgeschonken in eenen zilveren pot, en zette nu op een verlakt
schenkbord eene drinkkom van verguld porselein. De kostbaarheid dezer
voorwerpen kwam in het geheel niet overeen met het overige huisraad der
kamer. Alles was er, zoo niet vuil, ten minste zeer oud en versleten.
Men mocht dus vermoeden, dat de zilveren koffiekan en de porseleinen
drinkkom voor eenen persoon van meerderen rang bestemd waren.
De oude vrouw, nadat zij een tarwebrood op het schenkbord had gelegd,
ging tot een wijwatervat, dat aan den muur hing, bevochtigde hare
vingeren en maakte het teeken des kruises met eene uitdrukking van
droefheid. Zij trok daarop eenen rozenkrans uit den zak, zette zich op
eenen stoel en zonk weg in het gebed.
Lang bleef zij dus in stilte de lippen verroeren. Zij had reeds vele
malen de oogen smeekend, ten hemel opgeheven, toen een man met eene
spade op den schouder in de kamer trad en zwijgend en als verschrikt
haar aanschouwde.
Deze man kon wel zeventig jaar oud zijn, want zijne haren waren
zilverwit, zijn rug gekromd en zijn aangezicht doorploegd met diepe
rimpelen. Ofschoon zijne oogen nog levendig waren, gaf de dikheid zijner
lippen--iets ongewoons in zulken ouderdom--hem een zonderling voorkomen
van eenvoudigheid of van bekrompenheid des geestes.
"Peternelle, is Nox nog niet gekomen om mij te roepen?" vroeg hij, zijne
spade ten gronde zettende.
De vrouw schudde ontkennend het hoofd.
Deze stilzwijgendheid scheen den ouden hovenier niet te behagen, want
hij liet zich grommende op eenen stoel vallen en hief de handen in de
hoogte, als om den hemel zijn droevig lot te klagen.
En oogenblik daarna zeide hij:
"Maar Peternelle, bezie de klok, het gewone uur is voorbij. Zou er
mijnheer wel een ongeluk overkomen zijn? O, mijn God, indien wij hem
eens onverwachts dood vonden?"
"Om Gods wil, laat mij bidden," morde de vrouw.
"Het is niet meer om uit te staan!" riep de man. "Ik verga van angst en
schrik, en kan nog geen enkel woordje tot troost of versterking bekomen.
Peternelle, Peternelle, gij zult zeker in eenen visch veranderen, als
gij dood zijt. Ik zou kunnen boos worden, in de gedachte dat gij het
doet om mij te plagen, maar neen, neen, gij hebt er geene schuld aan,
mensch lief, het is eene vermaledijding, die op Wildenborg ligt. Sedert
den ijselijken nacht heeft alles hier de stem verloren. Onze vorige koe
bulkte niet meer, en onze nieuwe was nog geene twee maanden hier, of zij
had hare beestentaal geheel vergeten. Onze eenden kwaken niet eens in
vijftien dagen, of het dreige te regenen of niet. Geen vogel op
Wildenborg, die piept of zingt! Ik ben niet doof; ik hoor den vink wel,
die zingt in den appelboom; maar het is een trekvogel. Blijft hij in
deze vermaledijde streek, dan zal hij haast voor altijd zijn liedje
vergeten. Evenals gij, Peternelle, die eertijds den mond geene minuut
kondet gesloten houden, en nu onmeedoogend mij dwingt, altijd zoo
troosteloos alleen met mij zelven te spreken."
De vrouw haalde de schouders op met eene uitdrukking van ongeduld en
medelijden.
Den rug tot haar keerende, morde de oude man in zich zelven:
"Neen, neen, ik blijf niet hier; ik zal den schrikkelijken dag niet
afwachten. Er gebeuren nu reeds zulke akelige dingen op Wildenborg! Wat
zal het zijn, als de zwarte man.... Onze Lieve Heer beware alle
Christenmenschen, en bovenal den armen Jakob Mispels met zijne onnoozele
vrouw!... Mijn rampzalige meester! zoo jong moeten sterven, en welken
dood, o hemel! Dit komt er van, als de mensch meer wil weten dan God
toe laat en boeken leest, die vol verbodene geheimen staan. Het hart
zakt mij in de schoenen en mijn haar rijst te berge, als ik er aan denk.
De donder heeft reeds eens in den schromelijken nacht het kasteel
opengescheurd. Zal het ditmaal niet door den grond zinken met allen, die
het bewonen? Het kost mij veel, op het einde van mijn leven mijnen
dienst te verlaten; maar ik wil niet wachten, totdat de zwarte man ons
hier den nek kome breken. Neen, neen, ik vlucht weg van Wildenborg; want
men kan toch niet...."
Peternelle eindigde haar gebed met een kruis. Een holle, pijnlijke zucht
welde op uit hare beklemde borst.
De hovenier, door dezen vreemden klank met plotselijken schrik geslagen,
keerde zich om, hief de handen in de hoogte en riep bevend:
"God beware ons, Peternelle! De zwarte man staat onzichtbaar in de
kamer!"
"O, wat gebeurt u, Jacob?" kreet de vrouw verschietend. "Hebt gij iets
gezien?"
"Ik heb niets gezien," was het antwoord; "maar ik hoorde achter mij
eenen heeschen zucht gelijk de stem van Nox. Hij is dus tegenwoordig in
deze kamer, zonder dat wij het wisten!"
"Maar ik zelve heb dien zucht gelaten, ik ben een beetje verkouden."
"Gij zijt het, die hebt gezucht, Peternelle? Wel zeker?"
"Geheel zeker. Ach Jacob, waarom maakt gij mij dus altijd nutteloos
vervaard?"
"Uw zwijgen maakt mij vervaard."
"Waarom zou ik spreken, Jakob? Gij zegt niets dan dwaasheden, die mij
doen verschieten of mij vervelen. En wat kan spreken ons helpen? Bidden,
bidden alleen is het redmiddel, indien er nog een redmiddel bestaat."
"Ja, en kruisen maken. Hadden wij met eenen gewonen geest te doen, ik
zou hopen, dat wij hem door dit middel zouden kunnen overwinnen; maar,
Peternelle, staat er niet een groot kruis in de kamer, waar hij alle
nachten slaapt? Het is te zeggen, indien hij slaapt. Neen, neen, het
beste is, van Wildenborg te vertrekken, vooraleer de noodlottige dag
verschijne. Indien onze ongelukkige meester moet ... moet sterven, wij,
zwakke schepsels, kunnen het toch niet beletten; en ik gevoel mij niet
den minsten lust om hem naar de andere wereld te vergezellen. Willen wij
heden nog onzen dienst opzeggen, Peternelle?"
"Foei, welk afschuwelijk voornemen is dit!" sprak de oude vrouw met
verontwaardiging. "Wij, die, om zoo te zeggen, van kindsbeen af het
brood der Reimonds hebben gegeten, wij zouden onzen ongelukkigen meester
gaan verlaten, nu een droeve dood hem bedreigt? Nimmer, Jakob; wat er
ook geschiede, ik verlaat hem niet zoolang hij leeft."
"Zijt gij dan niet vervaard, Peternelle? Vreest gij niet, dat de zwarte
man ons beiden...."
"Ik ben vervaard en bedrukt, omdat onze arme meester gaat sterven. Wat
mij zelve betreft, mijne ziel is in vrede met God. Acht dagen zijn
spoedig voorbij."
"Ja, Peternelle, het is niet, dat iets mij op het geweten drukt, ik ben
Zondag immers te biechten geweest? En ik zal zorg dragen, in den avond
vóór den ijselijken dag nog eens den pastoor te gaan spreken."
"Welnu, Jakob, wat vreest gij dan voor u zelven?"
De oude man schudde grimmig het hoofd.
"Wat ik vrees?" morde hij, "van alles. Zoudt ge niet zeggen, Peternelle,
dat wij hier in volle zekerheid tusschen engelen leven, terwijl
integendeel de lucht op Wildenborg krielt van kwade zielen en booze
geesten?--Trek de schouders niet op, Peternelle. Dezen nacht heb ik
weder druppelen gezweet van angst. Nauwelijks had ik de oogen gesloten,
of er kwam iets, als een ruig beest met gloeiende oogen en knarsende
tanden, mij op de borst liggen...."
"Gij hebt gisterenavond te veel gegeten," bemerkte de vrouw.
"Neen, neen; de nachtmare, wilt gij zeggen? Dit was het niet. Ik schoot
wakker, en, hoe ik mij wendde of keerde, ik kon niet meer slapen. Dan
ging ik aan het venster; het was daarbuiten donker als in de hel. Wat ik
tusschen de boomen heb gezien, durf ik u niet zeggen."
"Wat hebt gij gezien?" vroeg de vrouw. "Alweder dwaze grillen, zeker?"
"Wat ik heb gezien? Ik weet het zelf niet, Peternelle. Witte, grijze
gedaanten, als dooden, die uit het graf zijn opgestaan: zoo gelijk eene
processie van lijkdoeken met geraamten er onder, en zwarte vogels en
beesten, onduidelijk als morgenmist, maar ijselijk toch om te
aanschouwen."
Peternelle onthaalde deze woorden met eenen grimlach van medelijden.
"Ik weet wel een middel om onzen armen meester te redden," zeide de
hovenier na een oogenblik stilte.
"Een middel om onzen meester te redden?" kreet de vrouw. "Ha, het is uw
goede engel, die het u insprak!"
"Neen, Peternelle, want ik denk er sedert lang aan, en daarenboven het
is onmogelijk om uit te voeren. Durfde ik slechts een beetje vergif in
het eten van dien vervloekten Nox doen. Dan ware mijnheer van zijnen
verleider en van zijnen helschen bewaker verlost; maar Nox zou het op
voorhand weten, en wat zou ons dan geschieden?--Gij wilt het kasteel
niet verlaten, Peternelle? Gij zijt besloten om hier nog eene gansche
week te blijven en den noodlottigen dag af te wachten? Wij zullen dus
den akeligen dood van onzen meester moeten bijwonen? In Gods naam dan,
indien wij niet eerder van schrik bezwijken.--Het is wonder, dat Nox nog
niet gekomen is om mij te roepen. Een half uur reeds is hij ten
achteren.--Wilde mijnheer mij slechts toelaten eenen waker of twee in
huis te nemen? Ach, hij wil er niet van hooren. Noch ziekendienster noch
dokter mag den voet op Wildenborg zetten; de pastoor alleen komt hier
somwijlen; maar de pastoor, als ik hem van al die schrikkelijke dingen
spreekt, lacht mij uit...."
"Zwijg, Jakob, daar is Nox!" zeide de vrouw.
Er kwam een groote zwarte hond in de kamer. Hij moest zeer oud zijn;
want hij had een gedeelte van zijn haar verloren, terwijl het overige in
verwarring rechtstond. Hij hief het hoofd tot den verschrikten man op,
bezag hem met zijne glasachtige oogen en opende den muil, als wilde hij
spreken of bassen; maar het schorre geluid, dat uit zijnen gorgel
opklom, geleek veeleer aan den kuch van eenen verkouden grijsaard dan
aan de stem van een dier.
Jakob Mispels antwoordde bevend:
"Het is wel, Nox, zeg mijnheer, dat ik aanstonds ga komen."
De hond keerde zich om en liep het huis uit.
"Hebt gij opgemerkt, Peternelle, hoe grimmig Nox mij heeft bezien?"
"Ja, ik dacht, dat hij u ging bijten."
"Bijten? Gave God, dat wij anders niets van hem te vreezen hadden. Hij
weet het reeds, dat wij onvriendelijk van hem hebben gesproken!"
Hem het schenkbord op de armen zettende, zeide de vrouw:
"Kom, spoed u maar; mijnheer zal misschien reeds spijtig zijn, omdat
zijne koffie schier koud geworden is."
Jakob Mispels begaf zich door het eenige nog gebaande voetpad naar het
kasteel, stapte door eenen donkeren gang, trad in eene soort van zaal,
zette het schenkbord op eene tafel en zeide:
"Mijnheer, ziehier uw ontbijt. Wel bekome het u!"
De persoon, wien hij deze woorden toerichtte, wees tot alle antwoord
naar eenen stoel, waarop de ontstelde hovenier zich liet nederzakken
zonder eenig gerucht te durven maken, dewijl hij wel zag, dat zijn
meester met iets bezig was en niet wilde gestoord worden.
Mijnheer Reimond, de eigenaar van Wildenborg, zat in eenen leunstoel
voor eene breede tafel, met de rechterhand op een doodshoofd en met den
blik in de holle oogen van den schedel gevestigd, als ware hij er mede
in samenspraak geweest. Hij bleef zwijgend en roerde niet.
De zonderlinge man kon ongeveer de vijftig jaar bereikt hebben, alhoewel
hij veel ouder scheen. Zoo buitengewoon mager was hij, dat zijn gebeente
op rug en schouders den kamerrok ophief, waarin hij zich gewikkeld had;
ja, zijne mouwen vielen zoo plat op de tafel, dat men er noch vleesch
noch beenderen kon onder vermoeden. Gansch weggesmolten waren zijne
wangen, en hij had volstrekt het voorkomen van een gekleed geraamte.
Maar zijne oogen, hoe diep ook in hunne holen verzonken, waren nog
helder en schitterden, als hadde in elk eene vuurvonk geglinsterd.
Nox, de hond, zat nevens hem met den muil op zijne knie, en schijnbaar
het oogenblik afspiedend, dat zijn meester uit zijne stille samenspraak
met het doodshoofd zou ontwaken.
In de zaal, die behangen was met oud en verdonkerd goudleder, was weinig
ander huisraad dan eene breede tafel en twee of drie stoelen. Op
berderen, die in eenen hoek aan den wand waren bevestigd, stonden eenige
groote boeken met perkamenten band; wat hooger bemerkte men eenen
wereldbol, een gestel met glazen schijven, dat gediend had om
_electriciteit_ te verwekken, eene soort van koperen tooverlantaarn of
_fantasmagorie_ en twee of drie geraamten van dieren, alles ontsteld,
uiteengevallen en overdekt met spinnewebben en met eene dikke laag stof.
Boven den schoorsteen hing een groot crucifix en daaronder stond een
zwaar uurwerk, waarvan de vorm en de beweging iets zonderlings hadden.
Geene naalden of wijzers waren er aan te bemerken; het was de uurplaat
zelve, die draaide; maar daarnevens op het voetstuk zat het beeld des
doods, dat met den vinger den loop des tijds aantoonde.
Jakob Mispels had zijnen meester in het eerst met diep medelijden
aanschouwd, en hij had zelfs eenen glinsterenden traan van de wangen
gevaagd. Nu evenwel klopte het benauwde hart hem onstuimig in den boezem
en hij begon op zijnen stoel te woelen. Het stilzwijgen zijns meesters
duurde ook zoo tergend lang, en het was den armen man zoo eendig en zoo
akelig in deze zaal, bovenal nu de afgrijselijke hond het hoofd naar hem
hield gericht en zijne gloeiende oogen niet meer van hem wilde afkeeren.
Een zucht ontsnapte hem, toen hij bemerkte, dat zijn meester de hand van
het doodshoofd ophief en bukte om eenen houten schotel te grijpen, die
onder de tafel stond.
Mijnheer Reimond sneed een gedeelte van het brood, brokkelde het in den
schotel en zette het den hond voor, die uit dankbaarheid hem de handen
lekte en met een heesch geknor van blijdschap zijn voedsel begon te
verslinden.
Wonder vrij en krachtig waren de bewegingen van mijnheer Reimond, ten
minste voor zulk uitgemergeld mensch. Bij den glans zijner oogen en de
heldere uitdrukking zijns gelaat, waarop nu een zoete glimlach speelde,
zou men geoordeeld hebben, dat hij, ondanks zijne buitengewone
magerheid, gezond was en hem niets scheelde. Hij brak van het brood een
stukje zoo groot als een duim, doopte het in wat koffie en stak het zich
in den mond. Dan het schenkbord terzijde schuivende, zeide hij:
"Wanneer de ziel al onzen tijd vordert, blijft er niet veel van over
voor het lichaam.... Jakob, ik heb met u te spreken."
De oude hovenier, die met eenen versmachten kreet was rechtgesprongen,
riep klagend uit:
"O, mijnheer, is dit nu eten? Wilt gij u zelven dan van honger laten
sterven?--Ik begrijp het, de schrik ... maar gij kunt het niet weten:
misschien is er nog hoop!"
"Welke hoop, mijn vriend?" was het stille antwoord. "Dat mijn lichaam
niet ten einde dezer dagen zal sterven? Waarom zou ik hopen? Ik verlang
het niet. Zet u neder en blijf rustig."
"Alzoo?" kreet Jakob Mispels met tranen in de oogen, "het is wel waar,
het is onherroepelijk? Ik ga mijnen goeden meester verliezen voor
altijd?"
"Vandaag, binnen acht dagen of later, wat is daaraan gelegen, Jakob? Het
leven is op zich zelf niets; het is een klein gedeelte van ons bestaan,
een enkele stap der ziel in de baan der eeuwigheid."
"Ja maar, mijnheer, met uw oorlof, men kan dien stap zoowel later als
vroeger doen."
"Neen, Jakob, het uur, het oogenblik van dien stap staat aangeteekend in
het groote boek der zielen. En indien gij het verlangdet, zou ik u
waarschijnlijk kunnen zeggen, op welken dag gij onfeilbaar zult
sterven."
"Om Gods wil, mijnheer, doe het niet!" smeekte de verschrikte hovenier,
met de handen opgeheven. "Moest ik het uur mijns doods weten, ik zou van
nu af aan beginnen te sterven, al ware ik zeker van nog twintig jaar te
leven."
"Wees niet bevreesd, ik zal het u niet zeggen," antwoordde mijnheer
Reimond met eenen glimlach. "Uwen geest ontbreekt het licht en uwer
ziele de sterkte, die er noodig zijn om den dood aan te zien, zooals hij
is. Uwe natuur is nog zeer onvolmaakt, en gij zult nog meer dan eens
moeten herleven, vooraleer de eeuwige rust en het eeuwige geluk te
bereiken."
"Indien ik maar geen hond of varken moet worden, is het mij al gelijk,
als ik slechts leef," morde de hovenier. "Ja, mijnheer, neem het mij
niet kwalijk; maar mijn dom verstand zegt mij, dat het niets zou zijn te
weten, wanneer men zal sterven, indien men maar wist, waar men naartoe
zal gaan."
"Inderdaad, Jakob, het ware ten minste eene groote voldoening; maar er
zijn geheimen, welke God zelfs voor de zielen en de geesten houdt
verborgen. Meer dan eens heb ik den geest, die in dit doodshoofd woont,
over mijn toekomstig lot ondervraagd. Hij is altijd stom gebleven en
heeft mij doen verstaan, dat hij het niet weet of niet mag
openbaren...."
Onverwachts, als voelde hij zich door een venijnig dier gebeten, sprong
de hovenier van zijnen stoel op en deinsde met grooten schrik achteruit.
Hij had Nox verrast, die met den snuit in den zak van zijnen jas
wroetelde, en, niet wetende wat het beest voorhad, riep hij uit:
"O, mijnheer, help! help! De duivel, ik wil zeggen de hond! O, hemel,
wat wil hij van mij?"
Maar Nox, op de dreigende stem zijns meesters, ging met hangenden staart
tot hem en legde iets in zijne hand, dat naar een eind verdroogde worst
geleek.
"Ha, Jakob, Jakob," zeide mijnheer Reimond op treurigen toon, "gij eet
vleesch? Hadt gij mij niet beloofd, al wat leven heeft te sparen, en
slechts in kruiden en in gegroeide dingen uw voedsel te zoeken? Hebben
de dieren geene ziel? Is het lichaam niet dikwijls bij hen, gelijk bij
ons, het stoffelijk omkleedsel van een wezen, dat door lijden en
beproeving tot volmaaktheid wordt voorbereid? En indien bij geval uwe
ziel in den vorm van een zwijn, van een schaap of van welk ander dier
moest verhuizen, zoudt gij het niet beklagen, dat het mes der
beenhouwers uwe baan naar de eeuwigheid kwame onderbreken en
belemmeren?"
"Ach, mijnheer!" stamelde de onthutste man, "vergeef mij mijne
eenvoudigheid. Wat die weinig aangename verhuizing der zielen betreft,
het is mogelijk, dat het zal zijn zooals uw doodskop,--neen, ik meen,
zooals gij het zegt, maar mijn verstand is te klein om het te begrijpen.
En al begreep ik het, zonder vleesch, of ten minste vet of boter, zou ik
niet kunnen leven. Ik heb het eens beproefd en het acht of tien dagen
volgehouden. Ik herkende mij zelven in den spiegel niet meer, en mijne
arme vrouw deed niets dan tranen storten, in de meening dat ik de tering
had."
"Nu, het is uwe zaak, Jakob, gij zult er na uwen dood voor boeten, wees
zeker," zeide mijnheer Reimond. "Laat ons van andere dingen spreken, die
niet boven het bereik van uwen zwakken geest zijn. Nader uwen stoel tot
de tafel en zet u daar voor mij. Zooals ik u gezegd heb, Jakob, in den
nacht tusschen den 31sten Augustus en den 1sten September, op
klokslag twaalf, zal mijne ziel haar stoffelijk omkleedsel verlaten: in
andere woorden, ik zal sterven."
"Is er dan geene de minste hoop meer?" zuchtte de hovenier.
"Geene. Dit uur is noodlottig, onveranderlijk en onwederroepelijk."
"Maar, mijn arme meester, indien gij de hulp van den pastoor wildet
afsmeeken, en ze met een Christelijk gemoed aanvaarddet? Hij zou
misschien de ... de kwade geesten verjagen, die u omringen--en daar, uw
zonderlinge dienstknecht, die u geen oogenblik verlaat.... Nox.... Neen,
het is niet dat ik wil zeggen; maar toch, ziet gij, alle honden zijn
geene beesten...."
Daar hij zag, dat de hond, op het hooren uitspreken van zijnen naam, den
muil had opgeheven en hem met strakken blik aanschouwde, dorst hij niet
voortgaan en keerde zwijgend het gezicht af.
"Onnoozele, waar dwaalt gij met uwe gepeinzen?" zeide mijnheer Reimond.
"De geesten zijn machtiger dan de menschen en zij laten zich niet
verjagen. Hoe zou onze goede pastoor iets kunnen beletten, dat
onfeilbaar geschieden moet?"
"Ja, maar indien God het toelaat?"
"Het is God zelf, die het einde van mijn tegenwoordig leven heeft
bepaald. Hoopt gij dan, dat Hij beslisse tegen Zijnen eigen wil?"
Deze zonderlinge schijnwaarheid was te hoog voor den loomen geest des
hoveniers. Zij verblufte hem en gaf hem de overtuiging, dat niets zijnen
armen meester van den akeligen dood kon redden. Hij boog het hoofd onder
het gewicht der moedeloosheid.
"Kom, mijn vriend, wees niet droef," zeide mijnheer Reimond op
troostenden toon. "Ik zal zorg dragen, dat gij geene redenen hebt om
mijnen overgang tot een nieuw leven te betreuren. Daarvan wilde ik u
spreken. Luister en onderbreek mij niet meer door nuttelooze klachten.
Gij hebt mijnen vader en mij met verkleefdheid gediend. Voordat ik de
wereld verlaat, wil ik uwe trouw beloonen, met uwe oude dagen tegen alle
zorg te behoeden. Gij kent de hofstede achter Raveghem. Zij betaalt meer
dan duizend franken aan jaarlijksche pacht. Het vruchtgebruik dezer
hofstede zal ik u tot het einde uwer dagen in mijn testament als erfenis
toekennen. Gij zult dus na mijnen dood met uwe goede Peternelle gerust
kunnen leven, zonder werken en zonder kommer, totdat voor u ook het uur
der opvaart slaat. Zijt gij daarover tevreden, Jakob?"
De oude hovenier, door deze mildheid diep getroffen, stortte tranen.
Zijne ontroering met geweld bedwingende, snikte hij:
"Tevreden? Neen, neen, ik ben niet tevreden! Al het goed der wereld,
mijn eigen bloed zou ik geven om uwen bitteren dood te mogen afkoopen.
O, mijn God, zulke goede mensch, zulke edelmoedige meester, en zóó, zóó
de wereld te moeten verlaten! Gij overlaadt mij met weldaden, mijnheer,
ik ben u dankbaar uit den grond mijner arme, ontstelde ziel; maar toch
ik ben niet gelukkig, en waarschijnlijk zal de oude Jakob Mispels u niet
lang overleven."
Mijnheer Reimond poogde door troostende woorden den bedrukten man gerust
te stellen, en toen hij bemerkte, dat hij daarin grootendeels was
gelukt, hernam hij zijn vorige rede.
"Jakob, ik heb u nog van andere dingen te spreken. Wanneer de
menschelijke ziel gevoelt, dat een tijdvak zich voor haar gaat sluiten,
dan denkt zij aan het maken harer rekening, en, kan zij het goede dier
rekening vermeerderen of het kwade verminderen, dan haast zij zich het
te doen. Ik heb mijn geweten onderzocht en de rekening van mijn
tegenwoordig leven opgemaakt. Ach, Jakob, ik bevond mij schuldig. Ik ben
niet rechtvaardig geweest jegens iedereen; misschien zijn er menschen,
aan wie ik kwaad heb gedaan."
"Onmogelijk!" kreet de hovenier. "Gij, mijnheer, die zelfs niet
verdragen kunt, dat men eene vliege verjage, gij zoudt eenen mensch
hebben kwaad gedaan?"
"Gij begrijpt mij niet," hernam zijn meester. "Het is waar, er staat
geschreven: _doe niet aan anderen wat gij niet wilt, dat u gedaan
worde_, maar dit is slechts een gedeelte der wet, want er staat nog
geschreven: _bemin God bovenal en uwen evennaaste als u zelven_. Men
betracht slechts ten halve zijnen plicht, wanneer men geen kwaad doet,
men moet het goede volbrengen, waartoe de hemel ons de macht verleende.
Al het goede, dat men verzuimt te verrichten, is zooveel kwaad dat men
doet, en het staat aangeteekend op de donkere bladzijde onzer
levensrekening. Om gansch alleen te zijn en de aanraking der menschen te
ontvluchten, heb ik sedert vijftien jaar alle betrekking met de leden
mijner familie op eene volstrekte wijze afgebroken. Meest allen zijn
intusschen gestorven, slechts twee weezen blijven er nog over.
Inderdaad, ik heb door tusschenkomst van vreemde handen voor hunne
opvoeding gezorgd, en nu nog verzeker ik eene kleine rente ten minste
aan den zoon mijns broeders."
"Arme Willem!" zuchtte de hovenier. "Wat moet hij groot geworden zijn!
Mijn hart snakt, om het kind nog eens te zien, dat ik zoo dikwijls op de
armen heb gedragen."
"Gij zult hem waarschijnlijk zien," bevestigde zijn meester, "maar
onderbreek mijne rede niet. Den ganschen nacht heb ik hier voor deze
tafel gezeten, denkende aan Willem Reimond, de geest van het doodshoofd,
tot den morgen toe, wilde mij geen antwoord geven, maar eindelijk toch
heeft hij klaar gesproken en den wensch mijner ziel goedgekeurd. Jakob,
ik ben voornemens aan mijnen neef te schrijven."
"Ha, dank, mijnheer, dan zal ik ten minste iemand hebben om mij te
troosten en te versterken!"
"Indien hij komen wil."
"Hij zal komen, seffens, onmiddellijk, twijfel daar niet aan."
"Hopen wij het, Jakob. Ik ben ook voornemens naar den notaris, te
Antwerpen, eenen brief te sturen voor het kind der zuster mijner vrouw.
Leeft Theresia De Wit nog, dan wilde ik haar nog eens zien, voordat ik
sterve."
De oude man trok een zuur gezicht en liet een dof gegrol hooren. "De De
Wits," zeide hij, "hebben nooit dan kwaad van u gezegd, mijnheer, zij
hebben u bespot en mij vervolgd. Zij haten ons, gij weet het wel."
"Voor alle kwaad is vergiffenis," was het antwoord, "daarenboven mijne
nichte Theresia is niet verantwoordelijk voor de schuld harer ouders.
Mijn plicht eischte, dat ik over haar bleve waken, en sedert vele jaren
heb ik haar geheel vergeten. Wat is er van haar geworden? Zij is vrouw
en de wereld vol gevaren. Ik ben onrechtvaardig jegens haar geweest, en,
is het arme schaap verdoold, mijne ziel zal er voor te boeten hebben. Ik
wil het weten."
"En gij gaat ze op Wildenburg doen komen?" morde de hovenier met eene
soort van verschriktheid.
"Zeker, zij is mijne erfgename, zoowel als de zoon mijns broeders."
"Maar, om Gods wil, mijnheer, gij zult toch uwe goederen niet aan Willem
Reimond ontnemen, om ze aan de ondankbare De Wits te geven?"
"De goederen, die ik bezit, zijn voor de helft herkomstig van mijne
vrouw zaliger, die ik, eilaas, reeds in het eerste huwelijksjaar
verloor. Het goed gaat terug van waar het gekomen is, zoo wil het de
rechtvaardigheid."
Mijnheer Reimond trok de lade der tafel open en nam er twee gesloten
brieven uit.
"Gij gaat naar het dorp loopen," zeide hij, "om deze brieven in de post
te leggen."
Jakob Mispels was opgestaan en aanvaardde de brieven, hij meende er mede
ter zaal uit te gaan; maar de hond rukte ze hem uit de hand en droeg ze
terug naar zijnen meester.
Eene zonderlinge uitdrukking, een mengsel van schrik en blijdschap,
ontstond op het gelaat van den ouden man.
"Ha, ha, hij is vervaard van Willem! Goed teeken! Wie weet?" mompelde
hij in zich zelven.
Mijnheer Reimond ontnam Nox de brieven en gaf ze terug aan Jakob, die ze
zeer diep in zijnen binnenzak verborg en zich haastte de zaal te
verlaten.
Bij zijne vrouw gekomen, zeide hij zeer snel:
"Ik moet naar het dorp, seffens. Geef mij mijnen anderen jas. Er komt
volk hier. Wij zullen niet meer alleen zijn. Ik draag brieven om Willem
Reimond op Wildenburg te roepen. Willem Reimond... en Theresia De Wit."
"Theresia De Wit?" kreet de vrouw met verrassing.
"Ja, onze vijandin, maar wat belet mij, haren brief onderweg te
verliezen of in den turfput te smijten?"
"Foei, Jakob, heb zulke gedachten niet. Uwen meester zoo verraderlijk
bedriegen!"
"Ik zeg het om te lachen, Peternelle. God weet, waar Theresia De Wit
gevaren is. Misschien is hare woonplaats aan den notaris van Antwerpen
ook onbekend; dan komt zij in het geheel niet. Het ware een ongeluk,
indien zij eerder dan Willem Reimond op Wildenborg verscheen. Nox is
vervaard van Willem; hij poogde de brieven te verslinden. Daar zit iets
achter. Misschien is alle hoop nog niet verloren. Vaarwel, vaarwel, ik
loop in éenen adem!"