I.

Paula stond op van haar stoeltje in de studeerkamer van haar man. Ze

had er met hem koffie gedronken, zooals ze dat gewoon waren sinds

jaren, na den eten. Hij had intusschen wat zitten bladeren in een oud

manuscript, een bijna vergeten stuk werk uit een portefeuille met half

voltooide of afgekeurde opstellen, die hij toevallig weer in handen

gekregen had. Nu en dan hadden ze een woord gewisseld. Zij had zich

verveeld.

„Kom, ik ga ’s naar Louise. Ik moet haar kindje eens zien,” zeide zij,

trad op hem toe, en gaf hem een tikje tegen de wang.

„Blijf je lang uit?” vroeg hij, op eens geheel aandacht.

Ze lachte even. Ze wist dat hij haar vooral ’s avonds moeilijk missen

kon.

„O, nee, een oogenblik. Ik ben terug vóor de thee; maak je maar niet

ongerust. Daag!”

„Goed, goed, tot straks!”

Weg was ze.

Hij keek haar na, en bleef staren naar de deur waardoor ze heen was

gegaan.

Ze waren dertien jaar getrouwd, en nòg was hij verliefd. Hij begreep

het soms zelf niet.... Hij, de ernstige man van studie, reeds de

veertig voorbij, nog verliefd als in de eerste dagen van hun huwelijk!

’t Was hem nu weer duidelijk op dat oogenblik: die vrouw was een

element in zijn leven dat hij niet missen kon. Hij kon zich het leven

niet buiten haar denken, zij was hem dierbaar en onontbeerlijk als het

licht zijner oogen. Neen, meer nog; want blind zou hij nog aan ’t leven

hechten, zonder zijn Paula scheen het hem waardeloos. En zij had hem

immers lief, het bekoorlijke vrouwtje dat zijn bestaan doorzonde.

Ondanks haar vier-en-dertig jaren was ze altijd even aantrekkelijk voor

hem. Hij kende geen gebaar van haar, geen houding, geen stemgeluid, dat

hem ooit mishaagd had, en haar schoonheid was hem telkens en telkens

weer een bron van nieuw genot.

Droomerig staarde hij vóor zich uit, half omgedraaid in de

bureau-stoel. Haar beeld was nog niet weggewischt van zijn geest: hij

zag haar nog, zooals ze, bevallig als altijd, met een beminnelijk

lachje weggewipt was, luchtig als een vogeltje, en toch met volkomen

zelfbewuste bewegingen.

Hij was toch een zondagskind! Hij.... zoo’n vrouwtje!.... En hij dacht

aan al de moeilijkheden die indertijd hun huwelijk in de weg hadden

gestaan, haar aanvankelijke tegenzin, zijn aanhouden. En thans, ná

zooveel jaren nog geluk.... Hij was vader, sinds het tweede jaar van

hun echt, en het nieuwe geluk had zich naast het oude gesteld, had het

aangevuld en verhoogd, zonder het in ’t minst te verdringen. Hun

eenigst kind was een meisje van elf jaar, en zijn verlangen naar een

zoon was na korte vervulling—’t ventje was nu vijf jaar geleden na

dertien maanden levens gestorven—verder onbevredigd gebleven. Ander

verdriet had hij nooit gekend, en ’t gemeenschappelijk leed had man en

vrouw immers dichter bijeen gebracht, als dat mogelijk was.... O, geen

twijfel: hij was gelukkig. Hij.... En ’t kwam hem voor de zooveelste

maal vóor de geest, hoe weinig aantrekkelijk hij als man wel moest

wezen. Hij was ernstig en in zich zelf gekeerd, een man van studie en

huiselijke neigingen, en .... waarlijk geen verschijning om een

vrouwenhart in gloed te zetten. Men moest hem kennen, goed kennen. Ja,

dat wàs ’t: zij kènde hem, en daarom had ze hem lief.... Dat pleitte

voor haar degelijkheid. Ze had best andere, even goede partijen kunnen

doen. ’t Is waar, hij was „knap”, maar de meeste vrouwen hebben dat

woord, op een man toegepast, liever in de andere beteekenis. Hij was

professor op zijn acht-en-twintigste jaar, en had wat geld. Doch wat

zou dat? Paula had hem zeker niet daarom genomen, al waren haar ouders

vrij onbemiddeld; zij de gevierde, mooie, geestige Paula Lindes.

De bureau-stoel kraakte. Larsen’s blik dwaalde naar de andere zijde van

’t ruime studeervertrek. Daar stond Paula’s schrijftafeltje. ’t Paste

eigenlijk niet in de strenge eenvoud der omgeving: ’t stond daar als

het beeld van haar losse gratie tegenover de ietwat logge ernst van

zijn wezen. Zij had het meubeltje boven laten brengen uit haar

„pruilkamertje”, voor de gezelligheid, om meer bij hem te zijn, zooals

ze zeide.

Als onwillekeurig aangetrokken, richtte Larsen zich op, en ging naar

het schrijftafeltje toe.

O, er was niets bizonders aan te zien. Hij had het honderd malen

gezien. Zij had er in zijn bijzijn nu reeds tientallen geurige briefjes

aan vriendinnen en verwanten aan zitten afpennen, haar werk slechts

afbrekend om nu en dan guitig op te kijken, en hem, quasi ruw, toe te

roepen:

„Zeg’s, geleerde, slepen met twee e’s of met éen? Kom, gauw ’s wat!” of

iets dergelijks.

Ze had immers ook geen geheimen voor hem.... Aan ’t tafeltje was niets

bizonders, evenmin als aan de inhoud der laadjes. Hij kende al haar

brieven. Hij keek ze voor haar na, steeds. Bij al haar ontwikkeling had

de spelling van haar moedertaal haar steeds moeilijkheden in de weg

gelegd. Ze vond die „stupide”, en „kon er geen touw aan vastknoopen”.

Ze was te levendig, ongedurig, zenuwachtig, om ooit de ingewikkelde

regels onzer orthografie behoorlijk uit een te houden. En op

„Kollewijnsche” manier te spellen vond ze te „burgerlijk” of

„kruidenierachtig”, wat bij haar op ’t zelfde neerkwam.

Wat kon ze ’n brieven schrijven! Zes kleine, geurige, rooskleurige of

roomgetinte velletjes waren in een ommezien vol gekrabbeld. En wat een

hand! Zes regels op een bladzijde. O, hij zag haar zitten, met het

gitzwarte haar in een sierlijke dikke wrong, waarin éen fraaie

haarnaald haar fonkelend knopje vertoonde, de „dolle” haartjes in de

nek, en dan ’t enkele lokje, dat vóor over ’t voorhoofd neerviel, en

telkens met een driftige beweging werd weggetrokken, tusschen twee

vurige adjectieven eener ontboezeming in. Dan haar plotseling zich

omwenden, om een vraag te doen, of naar „hem” te kijken, uit pure

ongedurigheid: de pen balanceerend tusschen wijs- en middenvinger der

linkerhand, de rechterarm languit over de leuning van haar stoeltje

geslagen, met groote, kinderlijk open blik en iets sterk verwachtends

in de oogopslag als van een paardrijdster, die zich plotseling

voorbereidt tot een sprong door een hoepel.

Hij had dikwijls opgezien van zijn werk, als zij zoo opkeek, de

verliefde „lobbes”, zooals zij hem noemde. En had hij haar dan in

stilte gadegeslagen, wanneer ze half omgewend in gepeins zat met de

saamgeknepen lipjes, waarboven ’t fijne zwarte dons zoo aardig uitkwam.

Soms had ze hem betrapt en, bruusk als altijd, had ze hem toegeroepen:

„Hei daar, ouwe jonge, eet me niet op met je oogen! Schaam je wat. Ga

aan je werk.” En met een ruk zette zij zich dan weer aan haar brief, om

voort te kriewelen in ritselende vaart.

Larsen zat voor het schrijftafeltje.

Waarom lustte het hem op dat oogenblik de laadjes open te trekken, éen

voor éen, en er de bundeltjes veelkleurige brieven en briefjes uit te

nemen? Om ze te lezen? Och, hij kende ze immers alle! Geleuter en

gebabbel van vrouwtjes, overdreven uitingen van vriendschap, van

verveling of ergernis, van vreugdetjes of smartjes van meest

onbeduidende vrouwenleventjes! Om de geur in te ademen die Paula binnen

haar fijne bewegelijke neusvleugeltjes liet dringen, om aan te raken

wat haar poezele vingertjes betast hadden, om in dwaas verliefd doen te

grasduinen in een atmosfeer van haar wezen....

Droomerig nam hij pakje voor pakje uit de laadjes en legde ze weer

neer, ordelijk, zooals ze gelegen hadden. Enkele losse brieven keek hij

even in, nauw glimlachend nu en dan bij een woord, dat hij las—„lieve

zoete Paulepoetje”: dat was van Louise, een brief van huis geschreven

door Louise, toen ze haar zielsvriendin de eerste roes van ’t komend

moederschap meedeelde—„doe mijn uitbundige groeten aan je beminde

zooltreder of huisband”: dit was van Margot, die hem altijd op zoo’n

vervelende manier „in ’t ootje” wilde nemen, en steeds meende daarin te

slagen—och, hij gunde haar ’t genoegen: ze moest haar aardigheden met

alle geweld luchten—en zoo ging het voort. Een enkel halfvoltooid

briefje van Paula zelf, later afgekeurd: „Och, help me, red me, verlos

me uit deze zee van verveling, die me overstelpt en verzwelgt! En mijn

man, die zoo geleerd is en zoo degelijk en zoo ernstig! Kom bij ons

eten: je moet, versta je? en vandaag nog....” Wat had hij er om

gelachen indertijd, en juist dit had haar ontwapend en haar van ’t

zenden van ’t schriftuur doen afzien.

Een dwaas vrouwtje! En toch: hij wenschte haar zich niet anders. Zijn

Paula was een geheel van dwaasheden en lieve eigenschappen, die hij

zich niet anders denken kon. Hij had zich geen moeite gegeven haar te

leiden. Trouwens, had hij ’t gekund? Kon een man als hij een vrouw

leiden? Hij lachte zelf om ’t idee. Wat schaadden hem haar kleine

onvolkomenheden! ’t Is waar, in de dertien jaar van hun huwelijk was

zijn kapitaal tot op de helft geslonken, maar wat zou dat nog? Hij had

immers nog voldoende, en nu was zijn traktement toch groot genoeg om

bijna toe te komen. Anderen betaalden hun geluk wel duurder—of wat ze

voor geluk aanzagen.

Een merkwaardig archiefje, dat van zijn vrouw.... Waarom hield ze die

brieven alle bij elkaar? ’t Was toch alles, of grootendeels althans,

nullig... Ja, maar ’t waren trouwe afdrukken van echt-vrouwelijk leven,

’t was natuur, al deed de weelderigheid aan tropische plantengroei

denken; en uit alles steeg de bedwelming der elegante vrouw, als de

geur eener grillige orchidee.

Aanbiddelijk, verrukkelijk, ondanks haar grilligheid, neen òm haar

grilligheid. Want was ze niet edel en beminnelijk, bij al haar kleine

tekortkomingen, niet ontoegankelijk voor ontheiliging als de bloem der

diepe wouden, die slechts geurt en bloeit voor de gelukkige die haar

vindt. Hij was die gelukkige. Hij was zoo zeker van zijn bezit, dat hij

nooit jaloezie voelde bij al haar behaagzieke streekjes en

aanstellerijtjes—hij kende ze, hij vond ze „lief”, o, „ergerlijk lief”,

zooals hij ’t vaak noemde—hij was zóo overtuigd van de degelijke

grondslag van haar karakter, dat hij bijna nooit boos werd om haar

driftbuitjes, die nu en dan voorkwamen; hij lachte er om op goedige,

lobbesachtige wijze. Dan vond ze hem „stupide”, en ook dit vond hij

vermakelijk...

Larsen had de beide laadjes doorsnuffeld, en schoof ze nu met kracht

dicht.

Links van ’t bureautje hing een spiegel. Onwillekeurig viel zijn oog op

zijn beeld, ’t Gebeurde niet vaak, dat hij in een spiegel keek, en de

tegenstelling met Paula trof hem als iets grappigs. Hij zag zijn door

’t vele lezen en schrijven ietwat gekromde gestalte, zijn dun haar aan

de slapen, het hoog voorhoofd, de borstelige wenkbrauwen—rood! evenals

zijn baard en snor—zijn eenigszins breede neus, de vrij groote mond,

als wegschuilend in ’t overvloedige baardhaar met de dunne op elkaar

geknepen lippen met een trekje van goedige ironie, zijn moede blauwe

oogen; ’t geheel wel forsch en mannelijk, maar hoekig en onbeholpen!

Hij had iets van een beer, een „zooltreder”, zooals de would-be

geestige Margot hem noemde: niet daarom alleen, maar ook omdat hij op

zijn gemak gesteld was als alle geleerden, en thuis meestal op

pantoffels liep. Hij zag ook de onberispelijkheid van zijn

linnengoed—haar zorg, ondanks al zijn protesten!—de strik van zijn

zwarte das—door haar gelegd! Nee, zeker, hij was niet terugstootend of

onaangenaam.... maar toch welk een contrast tusschen die beiden! Hij

glimlachte, kalm voldaan over zijn geluk, en wendde zich om.

Daar viel zijn blik op een wit stuk papier onder ’t bureautje van zijn

vrouw. O, hij had bij ’t dichtschuiven der lade een briefje er uit

laten vallen. ’t Had tusschen tafel en lade beklemd gezeten.

Hij raapte ’t op. ’t Was in elkaar gevouwen, en hij opende het, als

ongedachtig. ’t Was een oude brief, reeds geel geworden.

De inhoud boeide hem onmiddellijk op onweerstaanbare wijze. Hij zette

zich weer op de stoel vóor ’t bureautje, boog zich voorover, en steunde

het hoofd op éen arm.

’t Papier ontgleed aan zijn vingers, en viel op de grond.

Wat stond er eigenlijk? ’t Schemerde hem vóor de oogen en hij beefde.

Zenuwachtig bukte hij zich, en hervatte de lectuur, ontdaan, een ander

mensch dan te voren.

Dan liet hij ’t vóor zich vallen, boog geheel voorover, de beide handen

krampachtig aan ’t hoofd gedrukt.

„Mijn God, mijn God!” kermde hij.

Hij was geen man van hevige gemoedsuitingen. Zijn zielsleven was tot

dusverre zoo kalm, zoo vredig en ongestoord geweest; en al wat daar in

zijn binnenste omging kwam zoo zelden aan de oppervlakte. In zijn

oogenblikken van hoogste intimiteit bleef hij schijnbaar onbewogen.

Toch was zijn gevoeligheid groot, zijn ontvankelijkheid voor indrukken

fijn ontwikkeld. Wat anderen koud liet deed hem vaak pijnlijk aan, wat

anderen onverschillig voorbijgingen was hem dikwijls genot. Hij voelde

diep, al uitte hij weinig. Vereering was daarom bij hem verafgoding,

liefde aanbidding. Zijn liefde voor Paula was hem heiliger dan het

heiligste, samenhangend en innig verbonden met de edelste aandoeningen

zijner ziel, neen, éen daarmee, ’t Geloof in haar was ’t geloof in ’t

schoone en reine. Al was hij ’t zich niet volkomen bewust, hij had de

dichter kunnen nazeggen:

Ton nom est ma prière de la nuit et du jour!

Paula was wat wuft, wat lichtzinnig, wat dol soms, goed, maar.... ze

was immers rein als een engel, de belichaming van wat aanbiddelijk is

in een vrouw. En die overtuiging had hem gelukkig gemaakt, nu dertien

jaren lang, was zijn kracht geweest en zijn trots...

Hij zag ze thans vóor zich, die dertien jaren van slechts kort

gestoorde levensvreugde, al de herinneringen doorliepen zijn geest als

een verbijsterende fantasmagorie, scherp omlijnd en voorbij snellend

als een koortsdroom. Hij doorleefde nog eens al die onvergetelijke

gebeurtenissen van zijn huwelijksleven, van ’t oogenblik dat hij Paula

zijn eerste kus gaf, tot nu. En ’t was of thans de reeks afsloot; en ’t

slottafereel der afgerolde jaren week en week terug in zijn

voorstellingsvermogen met wondere snelheid.

Tusschen nu en straks—nauw vijf minuten!—lag een eeuwigheid voor hem.

Hij richtte het hoofd op, als verdwaasd. Zijn haren waren verward, hij

staarde rond, wezenloos, zonder gedachte dan deze éene, die hem

waanzinnig maakte:

„’t Is uit, mijn God, ’t is uit, voor goed!”

En toch, ’t was ongelooflijk, ’t kon, ’t mocht niet waar zijn. ’t Kon

er niet staan, ’t was een zinsbegoocheling, hij moest gedroomd hebben.

Wederom greep hij naar de brief, en voor de derde keer las hij de

woorden, die in zijn gemoed brandden met onduldbare smart:

Liefste,

’t Kan niet langer zoo. Dit leven is mij een hel geworden en ik ga

heen, zooals ik je gezegd heb. O, Paula, hoe kàn je anders van mij

verwachten, hoe kan je van me vergen dat we dat komediespel nog éen

dag langer voortzetten? ’t Is mij onbegrijpelijk, hoe ik het nog

deze maand heb kunnen uithouden. Ons kind te zien en mij te

verheugen in ’t bezit van zulk een schat, ’t pand van onze liefde,

en steeds te huichelen, alsof zijn vadervreugde mij een

verkwikkelijk schouwspel was; aan te zien dat hij, mijn weldoener,

degeen aan wie ik alles te danken heb, zich gelukkig waant, en mij

in zijn hartelijkheid over zijn geluk spreekt in geestdriftige

woorden, alsof ik erin deelen moest; terwijl hij anders zoo

gesloten is tegenover anderen.... o, ’t is mij onmogelijk verder.

Ik kan hem de hand niet meer drukken, en hem in de trouwe oogen

zien, zonder dat mijn geweten mij voor een verrader, een ondankbare

huichelaar scheldt.

Ik ga naar Indië. Je weet dat ik er hem over gesproken heb, en dat

hij mijn plan goedkeurt. Ik heb hem gezegd dat ik haastig weg

moest, omdat de maatschappij, die mij door zijn tusschenkomst

uitzendt, mijn diensten eerder noodig had dan ik oorspronkelijk

dacht—een plotseling telegram uit Indië—en ik zou na de noodige

besprekingen te Amsterdam, nog eens terugkomen, om afscheid van jou

en Didi te nemen. Ik doe ’t echter niet, en ik zal wel een

uitvlucht vinden, en hem uit Amsterdam schrijven, dat ik tot mijn

grooten spijt niet meer kan terugkomen.

Draag je smart zoo goed je kunt. En, o Paula, wees goed voor hem.

Tracht hem lief te hebben en mij te vergeten. Ik ben een onwaardige

en hij is zoo goed! Mijn God, als ik denk dat zijn goedheid zóo

vergolden is!

’t Ga je goed in je verdere leven. Vergeet mij en mijn liefde. Ik

zal als een man strijden tegen het misdadige gevoel en ’t

overwinnen, om eindelijk na jaren van boete mij waardig te maken,

om hem terug te zien en om vergiffenis te smeeken.

Rudolf.

Weder zonk Larsen’s hoofd neder, en in doffe wanhoop snikte hij ’t uit,

verplet, vernietigd.

Heilige Banden: Roman · 第 2 / 22 题