BESLUIT.

Den volgenden morgen, den 12den September, lichtte de Clorinda het

anker en ging onder zeil. Zij had een fraaie zee en een gunstige bries,

en stevende met volle zeilen naar het zuidwesten van den Archipel

der Hebriden. Weldra verdwenen Staffa, Jona, de noordkaap van Mull

achter den hoogen rotsoever van het grootste dier eilanden.

De passagiers van het jacht ontscheepten na een zeer voorspoedigen

overtocht in de kleine haven van Oban, gingen vervolgens met den

spoortrein van Oban naar Dalmaly en van Dalmaly naar Glasgow, dwars

door het meest schilderachtige gedeelte der Hooglanden, en kwamen

zoo op het buitenverblijf van Helenaburg terug.

Achttien dagen later werd een huwelijk met groote plechtigheid in de

kerk van Sint-George te Glasgow gesloten. Het moet erkend worden,

dat het niet het huwelijk was van Aristobulus Beerenkooi met miss

Campbell. Neen, de bruidegom was Olivier Sinclair, en broeder Sam

en broeder Sib betoonden zich niet minder vergenoegd daarover dan

hun nicht.

Dat deze vereeniging, onder zulke omstandigheden ontloken en gesloten,

alle waarborgen van geluk aanbood, zal wel niet behoeven gezegd

te worden. Het buitenverblijf te Helenaburg, de fraaie woning in

de West-George Street te Glasgow, zelfs de geheele wereld waren

ter nauwernood voldoende om zooveel geluk te bevatten. En toch dat

geheele geluk was in de grot van Fingal, wat zeg ik, in den armstoel

van Fingal besloten geweest.

Van dien laatsten avond, daar boven op het bovenvlak van Staffa

doorgebracht, wilde Olivier Sinclair, hoewel hij het zoo gezochte

natuurverschijnsel niet ontwaard had, de herinnering op het doek

verduurzamen. Op een dag stelde hij dan ook »een zonsondergang" ten

toon, van een bizonder effekt, waarin een soort van groenen straal,

die uitermate scherp zich voordeed, alsof hij met vloeibare smaragd

geschilderd was, bizonder de aandacht trok, en de bewondering opwekte.

Die schilderij lokte natuurlijk terstond bevreemding en getwist

uit. De een beweerde, dat daar een natuurlijk verschijnsel op

bewonderenswaardige wijze was weergegeven, terwijl de ander stokstijf

vasthield, dat die straal slechts fantasie was, dat de natuur dien

nimmer voortbracht.

Dit laatste verwekte grooten toorn bij de beide ooms, die den straal

gezien hadden, verzekerden zij, en gaven dus den jongen schilder

gelijk.

»En zelfs," zei oom Sam, met innige overtuiging, »het is beter een

geschilderden Groenen Straal te zien dan...."

»Een natuurlijken," vulde broeder Sib aan: »want wanneer men verplicht

is zoovele zons-ondergangen, den eenen na den anderen, waar te nemen,

doet dat wel pijn aan de oogen."

En daarin hadden de gebroeders Melvill gelijk.

Twee maanden later wandelden de beide jeugdige echtgenooten met hunne

ouders langs de oevers der Clyde, voor het park van het buitenverblijf,

toen zij op het onverwachtst Aristobulus Beerenkooi ontmoetten.

De jeugdige geleerde, die de werken tot uitdieping der rivier met

belangstelling volgde, was juist op weg om zich naar de spoorweghalte

van Helenaburg te begeven, toen hij zijn oude reismakkers van Oban

ontwaarde.

Wij zouden Aristobulus Beerenkooi uitermate miskennen, wanneer wij

beweerden, dat hij onder de onverschilligheid van miss Campbell

voor zijn persoon had geleden. Hij ondervond dan ook hoegenaamd

geen verlegenheid, toen hij zich in tegenwoordigheid van mistress

Sinclair bevond.

Men groette elkander vormelijk en Aristobulus Beerenkooi bood den

jeugdigen echtgenooten zijn beleefde gelukwenschen aan.

Toen de gebroeders Melvill die gunstige geestesgesteldheid bemerkten,

deden zij volstrekt geen moeite om te verbergen, hoe gelukkig zij

zich over het gesloten huwelijk gevoelden.

»Zóó, zóó gelukkig," zei broeder Sam, »dat ik mij, wanneer ik alleen

ben, soms op een glimlach betrap!"....

»En ik, dat ik soms tranen van geluk moet vergieten!" zei broeder Sib.

»Zoo, zoo mijne heeren," merkte Aristobulus Beerenkooi op, »gij moet

dus erkennen, dat gij minstens eenmaal in uw leven in oneenigheid

waart. De een weent en de ander glimlacht...."

»Welnu, dat is voor hen geheel en al hetzelfde, mijnheer Beerenkooi,"

merkte Olivier Sinclair op.

»Geheel en al hetzelfde, niet waar oompjes?" bevestigde de jonge vrouw,

terwijl zij de hand aan het waardig broederpaar reikte.

»Hoe? geheel en al hetzelfde?" antwoordde Aristobulus Beerenkooi op

dien toon van verstandelijke meerderheid, die hem zoo uitstekend

afging. »Waarlijk niet!.... Volstrekt niet!.... Want, wat is

een glimlach? Een willekeurige uitdrukking van het gelaat en een

willekeurige samentrekking van de aangezichts-zenuwen, waarbij de

ademhalingswerktuigen nagenoeg niets te verrichten hebben; terwijl

de tranen....

»Welnu de tranen?".... vroeg mistress Sinclair.

»Slechts een vloeistof zijn, die den oogappel verduistert. Die

vloeistof is samengesteld uit chloruur van sodium, phosphorzure kalk

en chloorsoda!"

»Scheikundig gesproken, hebt gij gelijk, mijnheer," zei Olivier

Sinclair, »maar uit dat oogpunt alleen."

»Dat onderscheid vat ik niet," antwoordde Aristobulus Beerenkooi vrij

scherp en bits.

En met de stijfheid van een meetkundige groetende, stapte hij met

afgemeten treden naar de spoorhalte toe. Men gevoelde zich gelukkig,

hem kwijt te zijn.

»Die dwaze mijnheer Beerenkooi!" zei mistress Sinclair, »die de

gevoelszaken uit een scheikundig oogpunt wil uitleggen, zooals hij

met den Groenen Straal heeft gedaan."

»Ja, maar, waarde Helena, terzake!" antwoordde Olivier Sinclair,

»wij hebben den straal niet gezien, dien wij toch zoo gaarne hadden

willen waarnemen!"

»Wij hebben veel beter gezien," lispte de jonge vrouw heel zacht. »Wij

hebben het geluk zelf gezien. Het geluk, dat volgens de legende aan de

waarneming van dat natuurverschijnsel verbonden zou zijn.... En daar

wij het gevonden hebben, laat ons dat genoeg zijn, en het opsporen

van den Groenen Straal overlaten aan hen, die dat geluk niet kennen,

maar er kennis meê willen maken."

Einde van den Wonderstraal.

De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht · 第 49 / 68 题