DE GROENE STRAAL.

Eenige minuten later kwam miss Campbell, onder den invloed van de

frischheid der lucht, in de grot van Clam Shell tot haar zelve. Het

was alsof zij uit een droom ontwaakte, maar uit een droom, waarin

het beeld van Olivier Sinclair de heldenrol vervuld had. Er was haar

geen herinnering hoegenaamd bijgebleven van de gevaren, waarin haar

onvoorzichtigheid haar gebracht had.

Zij was nog niet in staat te spreken; maar toen zij Olivier Sinclair

te zien kreeg, blonken tranen van dankbaarheid onder haar schoone

oogwimpers en reikte zij de hand aan haren redder.

Broeder Sam en broeder Sib omhelsden, zonder een enkel woord te kunnen

uitbrengen, den jonkman in een gezamenlijke omarming, Juffrouw Bess

neeg en neeg nogmaals voor hem, en den goeden Partridge ontbrak

waarachtig de lust niet om hem te kussen.

Toen nam gelukkig de vermoeienis de overhand. Allen verwisselden hun

kleedingstukken, die òf door het zeewater òf door den regen doorweekt

waren, en sliepen in, om een zeer rustigen nacht door te brengen.

Maar de indrukken, die allen dien dag hadden opgedaan, zouden zoowel

voor de handelende personen in het drama, dat tot schouwtooneel de

legendarische grot van Fingal gehad had, als voor de toeschouwers,

onuitwischbaar in hun geheugen achterblijven.

Daags daarna, terwijl miss Campbell op haar bedje rustte, dat in den

achtergrond der Clam Shell grot voor haar gespreid was, wandelden de

gebroeders Melvill arm in arm over den nabij gelegen straatweg. Zij

spraken niet; maar hadden zij wel noodig te spreken om hun geheel

overeenkomstige gedachten te vertolken? Beiden bewogen te gelijkertijd

het hoofd op en neer, wanneer zij bevestigden; van rechts naar links,

wanneer zij ontkenden. En konden zij anders bevestigen, dan dat Olivier

Sinclair zijn leven had veil gehad om het onvoorzichtige jonge meisje

te redden? En wat ontkenden zij? Dat hunne oorspronkelijke plannen,

om miss Helena uit te huwelijken, thans onuitvoerbaar waren. In dat

stommetjes-spel werden nog wel andere zaken medegedeeld, waarvan

broeder Sam en broeder Sib de vervulling thans in een naaste toekomst

te gemoet zagen. Voor hen was Olivier niet meer Olivier. Hij was

niets minder dan Amin, de meest volmaakte held uit de zoo heldhaftige

gaëlische heldengedichten.

Olivier Sinclair was van zijn kant ten prooi aan een geheel natuurlijke

opgewondenheid. Een soort van uiterst kiesch gevoel bracht hem er toe,

om alleen te willen zijn. Het zou thans een knellend gevoel voor

hem zijn geweest, zich in tegenwoordigheid der gebroeders Melvill

te bevinden, alsof zijne tegenwoordigheid alleen den prijs voor zijn

toewijding van hen eischte.

Hij wandelde dan ook, na de grot van Clam Shell verlaten te hebben,

geheel alleen op het plateau van Staffa.

Al zijne gedachten voerden hem in dit oogenblik als van zelf naar

miss Campbell. Hij herinnerde zich zelf de gevaren niet, die hij had

geloopen, die hij vrijwillig met haar had gedeeld. Wat hij zich van

dien vreeselijken nacht herinnerde, waren de uren, in het bijzijn

van Helena in dat donker toevluchtsoord doorgebracht, toen hij haar

in zijn armen hield gesloten, om haar aan het geweld der baren te

ontrukken. Hij zag bij het phosphoresceerend lichten der golven het

gelaat van dat overschoone jonge meisje voor zich, het gelaat, dat

wel ietwat bleek uitzag, niet door vrees, maar door vermoeienis, het

gelaat dat boven de woedende zee en de kokende waterkolken verrees als

de geest der stormen! Hij hoorde haar met een bewogen stem vragen: »Hoe

wist gij het?" toen hij haar had gezegd: »Ik weet wat gij gedaan hebt,

toen ik op het punt was om in de Corryvrekan-kolk om te komen! Hij

vond zich terug in die smalle toevluchtsplaats, die als een nis veeleer

gemaakt was, om een of ander koud steenen beeld te bevatten; de plaats

waar twee jonge liefdevolle wezens geleden en, de een tegen den anderen

aangedrukt, gedurende lange uren geworsteld hadden. Daar was het zelfs

niet meer Sinclair en miss Campbell geweest. Daar hadden zij elkander

Olivier en Helena genoemd, alsof zij in het oogenblik, waarin de dood

hen naderde, zich aan een ander leven wilden vastklemmen!

Zoo openbaarden zich de meest opgewonden en de meest verhitte

denkbeelden in het brein van den jonkman, toen hij daar op dat plateau

van het eiland Staffa rondwandelde. Hoe groot zijn verlangen ook was om

naar miss Campbell terug te keeren, zoo weerhield hem een overkomelijke

macht ondanks hem zelven; omdat hij in hare tegenwoordigheid zijne

gedachte niet zou hebben kunnen verbergend, en hij zich voorgenomen

had te zwijgen.

Intusschen was het weder, zooals het gewoonlijk na plotseling

ingetreden en plotseling verdwenen dampkrings-stoornissen geschiedt,

bewonderenswaardig schoon geworden, en de hemel volmaakt helder en

zuiver. Zeer dikwijls, ja veelal laten die dampkrings-zuiveringen

door de zuidwestenwinden veroorzaakt, geen sporen na, en schenken zij

aan de ruimte het prachtvolle ultramarijn blauw terug, dat slechts

door een onvergelijkelijke zuiverheid kan ontstaan. De zon had het

toppunt harer baan overschreden, zonder dat de geringste nevel den

horizon had verduisterd.

Olivier Sinclair wandelde alzoo met een verhit brein, te midden dier

machtige uitstraling, die door het bovenvlak van het eiland weerkaatst

werd. Hij baadde te midden van die warme uitstroomingen, hij ademde

de zeebries in en hardde zich in dien levendmakenden dampkring.

Plotseling kwam een gedachte bij hem op, toen hij den helderen

gezichteinder beschouwde, die zich daar voor hem onmetelijk

uitstrekte--een gedachte, die hem te midden van al de andere, die

zijn brein thans vervulden, ontschoten was.

»De Groene Straal!" riep hij uit. »Wanneer ooit de hemel zich tot

onze waarneming leent, dan is het van daag! Geen enkele wolk! geen

enkel nevelblokje! En het is niet waarschijnlijk, dat er komen zullen,

na dien schrikkelijken storm van gisteren, die alle dampen naar het

oosten gedreven heeft. En miss Campbell, die niet gist, dat de avond

van dezen dag haar een allerprachtigsten zons-ondergang bereidt!.... Ik

zal.... ja, ik zal haar zonder verwijl moeten waarschuwen...."

Olivier Sinclair gevoelde zich gelukkig, zoo'n natuurlijk voorwendsel

gevonden te hebben om bij Helena terug te komen en spoedde zich naar

de grot van Clam Shell.

Hij bevond zich eenige oogenblikken later in het bijzijn van miss

Campbell en haar beide ooms, die haar met innige toegenegenheid

aankeken, terwijl juffrouw Bess haar bij de hand hield.

»Wel, voelt gij u beter, miss Campbell?...." vroeg hij. »Ja,.... ik

zie het,.... de krachten zijn teruggekomen!"

»Ja, mijnheer Olivier," antwoordde miss Campbell trillend, toen zij

den jonkman ontwaarde.

»Ik meen, dat gij wel zoudt doen," hernam Olivier Sinclair, »wanneer

gij boven op het vlak een weinig van de lichte bries gingt inademen,

die door den storm van gisteren gezuiverd is. De zon schijnt

overheerlijk. Zij zal u verwarmen."

»Mijnheer Sinclair heeft gelijk," zei broeder Sam.

»Geheel en al gelijk," vulde broeder Sib aan.

»En als ik alles moet zeggen," ging Olivier Sinclair voort, »dan kon

ik er bijvoegen, dat, wanneer mijn voorgevoelens mij niet bedriegen,

ik geloof, dat gij binnen weinige uren uw dierbaarsten wensch zult

vervuld zien."

»Mijn dierbaarste wensch?" mompelde miss Campbell, schier onhoorbaar,

alsof zij zich zelve een antwoord gaf op een geheime gedachte.

»Ja... de hemel is merkwaardig helder en zuiver, en het is zeer

waarschijnlijk, dat de zon achter een wolkenloozen gezichteinder

zal ondergaan!"

»Zou het mogelijk zijn?" riep broeder Sam uit.

»Waarachtig, zou het mogelijk zijn?" schreeuwde broeder Sib hem na.

»En, er is reden te gelooven," vervolgde Olivier Sinclair, »dat gij

dezen eigen avond den Groenen Straal zult kunnen waarnemen."

»Den Groenen Straal!...." antwoordde miss Campbell.

Het scheen, dat zij in haar verward geheugen zocht, wat die straal

wel kon zijn.

»Ah.... dat 's waar ook!...." zeide zij. »Wij zijn hier te Staffa

gekomen om den Groenen Straal waar te nemen!"

»Komaan! komaan!" zei broeder Sam, die verheugd was, dat een

gelegenheid zich opdeed om het jonge meisje aan de matheid te

onttrekken, die haar sedert het voorval in de grot van Fingal

overvallen had. »Komaan, naar den anderen kant van het eiland!"

»En wij zullen straks bij onze terugkomst des te smakelijker dineeren,"

vulde broeder Sib vroolijk aan.

Het was toen vijf uur in den namiddag.

De geheele familie, waaronder ook juffrouw Bess en Partridge begrepen

waren, verliet toen, onder geleide van Olivier Sinclair, terstond

de grot van Clam Shell, klom langs de houten trap omhoog en bereikte

spoedig den rand van het bovenplateau.

Men had de vreugde van de beide ooms moeten kunnen zien, toen zij den

prachtvollen hemel aanschouwden, waarlangs de schitterende dagvorstin

langzaam daalde. Misschien overdreven zij thans; maar neen, nimmer,

neen nimmer! hadden zij zooveel geestdrift voor het natuurverschijnsel

aan den dag gelegd als nu. Het scheen eer, dat niet voor miss

Campbell, maar voor hen al die verhuizingen hadden plaats gehad, en

zoo veel beproevingen van allerhanden aard, sedert het verlaten van

het buitenverblijf te Helenaburg tot hier op Staffa ondergaan waren,

waarbij Jona en Oban niet behoefden vergeten te worden!

En waarlijk, de ondergang der zon beloofde dien avond zoo wonderschoon

te zijn, dat de meest ongevoelige, de meest practische, de meest

prozaïsche koopman van the City of London, of der handelaren van

Cannongate het zeepanorama zou bewonderd hebben, dat zich daar voor

zijn oogen ontrolde.

Miss Campbell voelde zich herleven in dien dampkring, die door de

zoutdeelen van de zee, welke door een lichte bries uit volle zee

overgebracht werden, bezwangerd was. Haar mooie oogen openden zich

zoo groot mogelijk voor het fraaie tafereel van den Atlantischen

Oceaan. Op haar wangen, die door de vermoeienissen van den vorigen

dag verbleekt waren, ontloken weer de rooskleurige tinten van haar

Schotsch bloed! O, wat was zij schoon! Welke bekoorlijkheid straalde

van haar geheele wezen uit! Olivier Sinclair trad een weinig naar

achteren en beschouwde haar in stilte en hij, die vroeger zonder

eenige verlegenheid uren lang haar op haar wandelingen had kunnen

vergezellen, voelde zich thans verward, met een angstig gevoel in

het hart, en bemerkte dat hij haar ter nauwernood durfde aankijken!

Wat de gebroeders Melvill betreft, zij waren bepaaldelijk even

stralend als de zon zelve. Zij richtten het woord met geestdrift

tot de dagvorstin. Zij noodigden haar uit om achter een wolkeloozen

horizon onder te gaan. Zij smeekten haar hun haar laatsten straal

bij het einde van dezen fraaien dag te schenken.

En toen kwamen de herinneringen aan de dichtstukken van Ossian voor

den dag, die zij vers voor vers, ieder op zijn beurt, opdreunden:

»O gij, die boven onze hoofden zweeft, rond als het schild onzer

voorvaderen, zeg ons, van waar komen uw stralen, o! goddelijke zon? Van

waar komt uw eeuwig licht?"

»Gij schrijdt voorwaarts vol majesteit en vol schoonheid op uw baan! De

sterren verdwijnen in het uitspansel! De bleeke en koude maan verbergt

zich in de westersche golven! Gij alleen beweegt u, o zon!"

»Wie zou uw tochtgenoot zijn op uw baan! De maan verliest zich in de

diepte der hemelen? Gij alleen blijft steeds dezelfde! Gij verblijdt

u zonder ophouden in uw schitterende loopbaan!"

»Als de donder rolt en de bliksemflits schiet, dan komt gij in

uw schoonheid achter de wolken uit en gij bespot den storm en het

onweder!"

Allen schreden in dien geestdriftvollen toestand naar het uiterste

uiteinde van het plateau van Staffa voort, van waar men een gezicht

heeft op de volle zee. Daar namen zij plaats en zetten zich op de

buitenste rotsblokken, en hadden ze een gezichteinder voor zich,

waarvan niets de zoo fijne lijn, die door de vereeniging van de lucht

met het water schijnt getrokken te zijn, zou verduisteren.

En dezen keer zou er geen Aristobulus Beerenkooi zijn, die het zeil

van zijn vaartuig zou komen schuiven voor of een vlucht watervogels

zou opjagen tusschen de ondergaande zon en het eilandje Staffa!

Intusschen viel met het vallen van den avond ook de bries, en de

laatste deininggolven kwamen in het op en neer gaan der branding aan

den voet der rotsen sterven. Verder op naar buiten verscheen de zee

als een spiegel en had zij dat olieachtig uiterlijk, dat door geen

enkele rimpel gebroken werd.

Alles liep dus wonderbaarlijk te zamen, alle omstandigheden hielpen

mede om de verschijning van den Groenen Straal gemakkelijk te doen

waarnemen.

Maar zie, een half uur later strekte Partridge de hand naar het Zuiden

uit en riep:

»Een zeil!"

Een zeil! Zou dat dezen keer ook voor de zonneschijf voorbijschuiven

op het oogenblik, dat zij in de golven zou onderduiken? Waarlijk,

dat zou meer dan kwade kans moeten genoemd worden!

Het vaartuig stevende de zeeëngte uit, die het eiland Jona van de

kaap van Mull scheidt. Het gleed, met den wind vlak van achteren,

vooruit eerder onder den invloed van den opkomenden vloed dan onder den

druk eener bries, welker laatste zuchtjes ternauwernood het zeiltuig

konden vullen.

»Het is de Clorinda," zei Olivier Sinclair, »en daar zij koers zet

om ten oosten van Staffa voor anker te komen, zoo zal zij binnen door

varen en onze waarneming niet kunnen hinderen."

Het was inderdaad de Clorinda, die na het eiland Mull langs het zuiden

omgezeild te hebben, haar ankerplaats in de kreek van Clam Shell weer

kwam opzoeken.

Aller blikken wendden zich toen weer naar den horizon in het westen.

De zon daalde reeds met de snelheid, die zij bij het naderen der zee

schijnt aan te nemen. Op de oppervlakte van het water beefde een lange

zilverstreep, voortgebracht door de zonneschijf, welker aanblik nog

onverdragelijk was. Weldra ging zij van de kleur van mat goud, die zij

aannam bij het dalen, tot het helderkleurig goud over. Wanneer men de

oogen sloot, schitterden op het netvlies langwerpige roode ruiten en

gele cirkels, die elkander kruisten als de vluchtige tinten van een

kaleidoscoop. Lichte golvende ribben streepten die soort komeetstaart,

welke de weerkaatsing op de oppervlakte van het water te voorschijn

tooverde. Het water vertoonde zich als bezaaid met vlokjes verzilverde

loovertjes, welker glans verbleekte bij het naderen van den oever.

Er was geen spoor te bekennen van wolk of van nevel of van damp, hoe

ijl ook op den geheelen omtrek van den gezichteinder, Niets bedierf

de zuiverheid dier cirkellijn, die met een passer niet fijner op het

fraaiste wit velijn papier had kunnen getrokken worden.

Allen zaten daar onbeweeglijk, meer ontroerd dan men wel meenen zou

en zij zelf wel wilden bekennen, den bol aan te staren, die zich in

schuine richting naar den horizon bewoog. Hij daalde nog meer, en

bleef toen als boven den afgrond een oogenblik hangen. Toen begon de

misvorming van de schijf, die door de straalbreking gewijzigd werd,

zich langzamerhand te vertoonen. Zij verbreedde ten koste van haar

loodrechte doorsnede, en herinnerde aan den vorm van een Etruskische

vaas met ronden buik, welker voetstuk in het water dompelt.

Er kon geen twijfel meer over de verschijning van het

natuurverschijnsel geopperd worden. Niets zou den bewonderenswaardigen

ondergang van de schitterende dagvorstin storen. Niets zou haar

laatste stralen komen breken of onderscheppen!

Weldra was de helft der zon achter de horizonslijn verdwenen. Eenige

schitterende stralenbundels, aan gouden pijlen gelijk, kwamen de

voorste rotsen van Staffa treffen.

Meer achterwaarts hulden zich de steile kusten van Mull en de top

van den Ben More in het purper, en was het of zij met vuur waren

aangeraakt. Zij gloeiden.

Eindelijk was er niets meer te zien dan een uiterst fijn segment

van den bovenboog der zonneschijf, dat nu ook de oppervlakte der zee

begon aan te raken.

Nog een seconde van gespannen verwachting.

»De Groene Straal! de Groene Straal!" riepen als uit één mond de

gebroeders Melvill, juffrouw Bess en Partridge, wier netvlies gedurende

het vierde gedeelte van een seconde als gedrenkt was geworden door

die onvergelijkelijke tint van vloeibaar smaragd.

Olivier en Helena alleen hadden niets van het natuurverschijnsel

gezien, dat thans eerst, na zooveel vruchtelooze waarnemingen,

eindelijk zich voordeed!

Op het oogenblik, dat de zon haren laatsten straal het luchtruim

inzond, kruisten beider blikken elkander, en vergaten de gelukkigen

alles, wat om hen heen gebeurde, bij de beschouwing, waarin zij

verzonken waren.

Maar Helena had de zwarte schittering, den zwarten straal waargenomen,

die de oogen van den jonkman schoten, en Olivier had den zacht blauwen

glans niet laten verloren gaan, die aan het oog van het jonge meisje

ontsnapte!

De zon was thans geheel en al ondergegaan. Helena noch Olivier hadden

den Groenen Straal gezien!

De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht · 第 47 / 68 题