Indien de kapitein van de Clorinda gedurende de laatste vier en twintig
uren zich in een der havens van het Vereenigd Koninkrijk bevonden
had, zou hij kennis hebben bekomen van een meteorologisch bericht,
dat weinig geruststellends bevatte voor de schepen, die zich zeilende
of stoomende op dit gedeelte van den Atlantischen Oceaan bevonden.
En inderdaad, de telegraaf van New-York had een stormvlaag
aangekondigd. Die stormvlaag dreigde, na den Atlantischen Oceaan van
het westen naar het noord-oosten te zijn overgestoken, zich met alle
woestheid op de kusten van Ierland en Schotland te werpen, alvorens
haar krachten op de kusten van Noorwegen te verspillen.
Maar bij gebrek aan dat weerbericht, duidde de barometer van het
jacht toch een groote atmospherische stoornis aan, waarmede ieder
voorzichtig zeeman rekening moest houden.
Dien morgen van den 8sten September dus beklom John Olduck, nog al
verontrust, den rotsrand, die Staffa in het westen begrenst, ten
einde den toestand van de zee en van den dampkring te onderzoeken.
Wolken met zeer onscherpe vormen, eigenlijk meer nevelflarden joegen
reeds met groote snelheid door de luchtruimte. De bries stak meer
en meer op en zou weldra aangroeien tot storm. De zee, met schuim
overdekt, was melkwit. De golven braken met kracht op de basaltkegels,
die den grondslag van het eilandje vormen.
John Olduck was lang niet gerustgesteld. Hoewel de Clorinda in de
kreek van Clam Shell eenigermate gedekt lag, zoo was dit toch geen
veilige ankerplaats, zelfs voor een vaartuig van geringe afmeting. De
aandrang van het water, dat tusschen de eilandjes en den ooster
straatweg gezweept werd, moest een zeer gevaarlijke branding doen
ontstaan, die den toestand van het jacht hachelijk zou maken. Het
was dus zaak een besluit te nemen, en dat wel spoedig ook, althans
voor dat de doorgangen tusschen de eilandjes door den zwaren golfslag
ontoegankelijk zouden zijn.
Toen de kapitein aan boord terug was, vond hij zijn passagiers op het
dek vereenigd. Hij deelde hun zijn vermoedens mede en wees hen op de
noodzakelijkheid om zoo spoedig mogelijk het anker te lichten. Draalde
men daarmede, dan was het te vreezen, dat men een onhoudbare zee zou
vinden in de engte van vijftien mijlen breed, die Staffa van het
eiland Mull scheidt. En men moest achter dat eiland een toevlucht
gaan zoeken, meer in het bizonder in de kleine haven van Achnagraig,
waar de Clorinda niets dan de winden uit volle zee had te vreezen.
»Staffa verlaten!" begon miss Campbell uit te roepen. »Zoo'n heerlijken
gezichteinder prijsgeven!"
»Ik geloof, dat het zeer gevaarlijk zou zijn hier op de ankerplaats
van Clam Shell te blijven," antwoordde John Olduck.
»Maar als het moet! waarde Helena," zei broeder Sam.
»Ja, als het moet!" herhaalde broeder Sib.
Olivier Sinclair, die het ongenoegen bespeurde, dat het overhaast
vertrek bij miss Campbell te weeg bracht, kwam tusschenbeide.
»Kapitein Olduck," vroeg hij, »hoelang kan die storm duren?"
»In dit jaargetij," antwoordde de kapitein, »hoogstens twee of
drie dagen."
»En gij oordeelt het vertrek noodzakelijk?"
»Noodzakelijk en daarbij spoed dringend!"
»Wat zijn dan uw plannen?"
»Om terstond onder zeil te gaan. Met den meer en meer opstekenden
wind zullen wij, voor dat de avond invalt, te Achnagraig zijn. Wij
kunnen te Staffa weerom komen, wanneer de storm overgewaaid is.
»Maar waarom niet naar Jona teruggekeerd, wat de Clorinda binnen het
uur zou kunnen bereiken?" vroeg broeder Sam.
»Neen... neen... in Godsnaam niet naar Jona!" riep miss Campbell,
die reeds de schaduw van Aristobulus Beerenkooi zag opdoemen.
»Wij zouden in de haven van Jona niet veiliger zijn dan hier op de
ankerplaats van Staffa," merkte John Olduck op.
»Welnu, vertrek, kapitein," zei Olivier Sinclair, »vertrek onmiddellijk
naar Achnagraig en laat ons hier te Staffa."
»Hier te Staffa," antwoordde John Olduck. »Hier te Staffa, waar gij
zelfs geen huis hebt om in te schuilen!"
»Zou de grot van Clam-Shell voor die weinige dagen niet voldoende
zijn?" hernam Olivier Sinclair. »Welk gebrek zullen wij daarin
hebben? Geen nietwaar? Wij hebben aan boord voldoenden leeftocht,
wij hebben het beddegoed onzer kooien, wij hebben kleêren genoeg tot
wisseling. Dat alles kan onmiddellijk ontscheept worden. En eindelijk
een kok; welnu, die zal niets liever doen dan bij ons blijven."
»Ja!... ja!..." juichte miss Campbell, terwijl zij van vervoering
in de handen klapte. »Vertrek terstond met uw jacht naar Achnagraig
en laat ons hier te Staffa achter. Wij zullen hier als verlatenen
op een woest eiland zijn. Wij zullen er het leven van vrijwillige
schipbreukelingen leiden. Wij zullen den terugkeer van de Clorinda
bespieden met evenveel ontroering, met evenveel benauwdheden, met
evenveel doodsangsten als Robinson Crusoë ondervonden heeft, toen hij
een schip in volle zee ontwaarde en met inspanning van zijn geheel
gezichtsvermogen uitkeek of dat vaartuig zijn eiland naderde. Wat
zijn wij hier komen doen? Een roman in de werkelijkheid beleven, is
het niet zoo, mijnheer Sinclair? En, waarde oompjes, wat zal er meer
romanesk te bedenken zijn dan onze toestand hier? Daarenboven een
storm, een windvlaag doorstaan op dit dichterlijk eiland, het woelen
te mogen aanschouwen van deze noordelijke zee, den verheven strijd
der ontketende elementen te kunnen waarnemen. O! ik zou het mij mijn
geheele leven lang verwijten, zulke grootste natuurtafereelen gemist
te hebben! Vertrek dus, kapitein Olduck, wij blijven hier en zullen
u afwachten!"
»Maar..." begonnen de gebroeders Melvill, wien dit vreesachtig woord
bijna te gelijker tijd ontsnapte.
»Ik meen, dat de oompjes een tegenwerping willen maken," viel miss
Campbell in. »Ik geloof echter een middel te hebben om die tegenwerping
te bestrijden, en hen onfeilbaar tot mijn gevoelen over te halen."
Zij stond op en gaf aan ieder hunner den morgenzoen.
»Ziedaar, dat is voor u, oom Sam!"
»En dit voor u, oom Sib!"
»Ik wed dat niemand uwer nog iets in te brengen zal hebben!"
De goede ooms dachten er niet meer aan nog een enkele tegenwerping te
maken. Zoodra het hunne nicht voegde om te Staffa te blijven, waarom
zou men dat verlangen niet inwilligen? Het kwam hun vreemd voor,
dat zij niet allereerst dat zoo eenvoudig, zoo natuurlijk denkbeeld
opgevat hadden, dat zoo goed aller belangen en aller inzichten
waarborgde en voldeed?
Maar het denkbeeld was van Olivier Sinclair uitgegaan, en miss Campbell
vermeende hem daarvoor in het bizonder te moeten bedanken.
Toen het besluit om te blijven genomen was, ontscheepten de matrozen
de voorwerpen, die voor het verblijf der toeristen op het eiland
benoodigd waren. Clam Shell was spoedig tot een voorloopige woning
hervormd en werd met den weidschen naam van Melvill House gedoopt. Men
zou er evengoed, ja zelfs beter zijn dan in de herberg van Jona. De kok
beijverde zich een doelmatige plek voor zijn keukenwerkzaamheden bij
den ingang der grot op te sporen, en vond die achter een uitstekende
rots, die tot dat doel klaarblijkelijk geschapen was.
Toen verlieten miss Campbell met Olivier Sinclair en de gebroeders
Melvill, alsook juffrouw Bess en Partridge, de Clorinda, en liet John
Olduck het anker lichten, na de kleine vlet van het jacht, die den
toeristen van groot nut kon zijn om van de eene rots naar de andere
te komen, ter hunner beschikking gesteld te hebben.
Een uur later was de Clorinda met dubbel gereefde zeilen en met
neergelaten stengen en onder haar stormfok onder weg en manoeuvreerde,
om het eiland Mull ten noorden te ronden, ten einde Achnagraig
langs de zeeëngte, die dat eiland van den vasten wal scheidt, te
bereiken. Haar passagiers, op het hoogste punt van Staffa staande,
volgden haar met de oogen, zoolang hun zulks mogelijk was. Onder den
druk van den wind stuurboord overhellende, geleek zij een witte meeuw,
die met rappe wiek de golftoppen scheert. Een half uur later was zij
achter het eilandje Gometra verdwenen.
Maar, hoewel het weer dreigde, de dampkring was niet geheel en al
beneveld. De zon drong nog door de groote wolkenscheuren, die de wind
in het zenith veroorzaakte. Men kon nog over het eiland wandelen
en den voet der basaltrotsen, waarop het rust, rondom volgen. Het
eerste verlangen, dat miss Campbell te kennen gaf, was met hare ooms,
de gebroeders Melvill, evenwel onder geleidde van Olivier Sinclair,
de grot van Fingal te bezoeken.
De toeristen, die van den kant van Jona aankomen, doen dit gewoonlijk
met de sloepen van de stoomboot van Oban. De mogelijkheid bestaat
evenwel, om tot in haar volle diepte door te dringen, wanneer men op
de rotsen ter rechter zijde ontscheepte, waar die als het ware eene
soort bruikbare kaai vormden. Men kon zelfs op dien oever zonder
vaartuig komen.
Olivier Sinclair besloot dan ook om de grot langs dien kant binnen
te dringen, zonder de vlet van de Clorinda te gebruiken.
Men verliet dus Clam Shell. Men nam den natuurlijken weg, die de
oostkust van het eiland omzoomt. Het uiteinde der loodrecht vlak
naast elkander staande achtkante spijlen of zuilen vormde, alsof
een ingenieur er zich mede bemoeid had, een stevigen en volkomen
drogen straatweg aan den voet der groote rotsen. De wandeling werd
al keuvelende afgelegd, terwijl men de eilandjes bewonderde, die
soms door de branding werden gestreeld en wier grondvlak toch in het
groene water tot op een groote diepte was te ontwaren. Er is geen
bewonderenswaardiger pad uittedenken dan de weg, die naar die grot
voert, welke overwaard is door den een of anderen held uit de Duizend
en één nacht bewoond te worden.
Bij het zuid-oostelijke uiteinde van het eiland aangekomen, deed
Olivier Sinclair zijn metgezellen eenige natuurlijke treden opklimmen,
die de eeretrap van een paleis niet zouden ontsierd hebben.
In den hoek van het trapportaal verheffen zich de buitenpijlers, die,
even als de zuilen van den kleinen tempel van Vesta te Rome, zich
tegen de wanden der grot groepeeren, maar zoodanig naast elkander
geplaatst zijn, dat zij het ruwe van den achtergrond bemantelen. Op
hun toppeneind rust het ontzaglijk rotsgevaarte, dat dien hoek van
het eilandje vormt. De schuine kloofvlakken dier rotsen, die volgens
de meetkundige doorsnee der sluitsteenen van een verwulfsel schijnen
gevormd te zijn, steken zonderling af bij den loodrechten stand der
zuilen, die haar dragen.
Aan den voet van die traptreden rees en daalde de zee, wel is waar
nog rustig, maar toch reeds minder kalm en reeds onder den invloed
van het weer buiten, even als door de ademhaling van een levend wezen
bewogen. Daar weerkaatsten de geheele grondvesten van de vervaarlijke
rotsmassa hun beeld en wierpen een zwartachtige schaduw op de golvende
wateren.
Op het boventrapportaal aangekomen, wendde Olivier Sinclair links om
en toonde aan miss Campbell een soort smalle kade, of beter een door
de natuur gevormde bank, die den wand tot bij het binnenste uiteinde
der grot volgde. Eene leuning, gedragen door ijzeren spijlen, die in
het basalt verankerd waren, diende tot handgeleide tusschen wand en
den scherpen rotskant van die smalle kade.
»Oh!" zei miss Campbell, »die leuning bederft wel wat het tooverpaleis
van Fingal."
»Maar wanneer zij nuttig is, moet men haar gebruiken," zei broeder Sam.
»En zie, ik gebruik haar," vulde broeder Sib aan.
Op raad van hun gids stonden de bezoekers een oogenblik stil bij den
ingang van Fingals' spelonk.
Voor hen opende zich iets als een kerkgewelf, hoog en diep, gevuld
met een geheimzinnig halfduister. De afstand van de beide zijwanden,
aan het zeevlak genomen, bedroeg ongeveer vier en dertig voet. Ter
rechter en ter linker zijde verborgen basaltzuilen, de eene tegen de
andere gedrongen, zooals wel in sommige kathedralen uit het laatste
gedeelte van het gothische tijdperk waargenomen wordt, de massa der
stutmuren. Op de kapiteelen dier zuilen rustten de hellingen van
een onmetelijk ogiefvormig gewelf, dat bij haar sluitstuk zich ruim
vijftig voet boven den gemiddelden stand der water-oppervlakte verhief.
Miss Campbell en hare metgezellen, opgetogen bij dat eerste gezicht,
moesten zich met geweld ontrukken aan hunne bewonderende beschouwing,
om dit uitsteeksel, dat de innerlijke bank vormde te volgen.
Daar rangschikten zich in volmaakte orde honderden prismatische
zuilen, van ongelijken omvang, geheel gelijk aan de voortbrengselen
eener reusachtige kristalvorming. De fijne scherpe kanten komen zoo
zuiver uit, alsof de beitel eens beeldhouwers ze bewerkt heeft. In
de inspringende hoeken der eene sluiten de uitspringende hoeken der
anderen aan. Deze zijn drievlakkig, de andere vier- vijf- zes- en
zelfs zeven- en achtvlakkig, hetgeen bij de algemeene uniformiteit
van het bouwstuk toch eene afwisseling aanbiedt, die den kunstzin
der natuur voordeelig doet uitkomen.
Het licht, van buiten binnendringende, speelt op al die veelvlakkige
hoeken. Op het binnenwater als door een spiegel teruggekaatst,
gevoed als het ware op de schitterende vlakken der onderzeesche
gesteenten, door de waterplanten groen of somber rood en helder geel
getint, ontlokte dat licht duizende schitteringen op de hoeken en
uitstekende punten der basaltrotsen, die de innerlijke nokken van dit
overgelijkelijk onderaardsche gewelf met onregelmatige vakken tooide.
Binnen die grot heerschte een klankvolle stilte,--wanneer deze
twee woorden in zoo ééne uitdrukking aan elkander mogen gekoppeld
worden.--Dat is eene stilte, aan diepe holen eigen, die de bezoekers
niet poogden te storen. Slechts de wind deed er een stroom van
langgerekte akkoorden hooren, die uit eene droefgeestige serie van
halfnoten schijnen te bestaan, welke zich verheffen en dan langzaam
wegsterven. Men zou meenen al die prisma's onder dien machtigen
adem te hooren weerklinken evenals de triltonen van een machtigen
harp. Wellicht is aan dat zonderling geluid, de naam van An-Na-Vine,
»de geheimzinnige grot," zooals die spelonk in de keltische taal
genoemd wordt, te danken.
»En welke naam zou haar beter voegen?" vroeg Olivier Sinclair, »daar
Fingal de vader van Ossian was, wiens genie de poëzie en de muziek
als in ééne kunst heeft weten te vereenigen."
»Voorzeker," antwoordde broeder Sam, »maar zoo als Ossian het zelf
zeide: »Wanneer zal mijn oor den zang der barden hooren? Wanneer zal
mijn hart trillen en kloppen bij het verhaal van de heldendaden mijner
voorvaderen. De harp doet de bosschen van Sebora niet meer weergalmen!"
»Ja," vulde broeder Sib aan, »het paleis is thans eenzaam en verlaten,
en de echo's zullen de gezangen van weleer niet meer herhalen!"
De geheele diepte der grot wordt op ongeveer honderdvijftig voet
geschat. Op den achtergrond van het hooge gewelf, verschijnt een
soort van buffetorgel, waarop een zeker aantal zuilen verrijzen van
minder omvang dan die bij den ingang, maar even volmaakt van lijnen
als de laatstbedoelde.
Daar wilden miss Campbell, Olivier Sinclair en de beide ooms een
oogenblik verwijlen.
Van dat punt was het verschiet, dat zich naar den kant van de
volle lucht opende, bewonderenswaardig. Het water, als doortrokken
van lichtdeelen, gaf de gesteldheid te zien van den onderzeeschen
bodem der grot, die uit de toppeneinden van vier- tot zevenvlakkige
zuilen bestond, welke zoodanig in elkander passen, dat zij als de
vlakken van een mozaiekwerk aansluiten; op de zijwanden vertoonden
zich verwonderlijke licht- en schaduweffekten. Alles verdween,
doofde uit, wanneer een wolk voor den ingang der grot als voor het
voorgedeelte van een tooneel voorbijgleed. Maar alles schitterde
ook daarentegen en verlevendigde onder de zeven prisma-kleuren,
wanneer een zonnestraal, door het kristalheldere water van den bodem
teruggekaatst, in lichtgevende strooken tot zelfs het sluitstuk van
het bovengewelf bescheen.
Buiten de grot brak de zee op de eerste grondvesten van den
reusachtigen boog. Die omlijsting, zwart als een boordsel van
ebbenhout, maakt geen inbreuk hoegenaamd op de fraaiheden van
den achtergrond. Daar buiten verscheen de gezichteinder bij de
aanraking van den hemel met het water in zijn geheelen luister, met het
vergezicht op Jona, waar, op een afstand van twee mijlen, de bouwvallen
van zijn klooster zich als wit uitgebeeld tegen de lucht afteekenden.
Allen, opgetogen over de tooverachtige tooneelversiering, wisten niet,
hoe hunne bewonderende gevoelens te uiten.
»Welk tooverpaleis!" zei eindelijk miss Campbell, »en wat zou de man,
met een prozaïschen geest bedeeld zijn, die weigeren mocht te gelooven,
dat God het geschapen heeft voor de luchtgeesten en waternimfen. Voor
wien toch zouden die tonen van de groote aeolische harp, door den adem
der winden voortgebracht, weerklinken? Is dat niet de bovennatuurlijke
muziek, die Waverley in zijn droomen hoorde; de stem van Selma, waarvan
de zanger de akkoorden onder noten gebracht heeft, om er zijn helden
mede te verrukken?"
»Gij hebt gelijk, miss Campbell," antwoordde Olivier Sinclair, »en
ongetwijfeld heeft Walter Scott, wanneer hij zijn beelden in dat
dichterlijk verleden der Schotsche Hooglanden zocht, aan het paleis
van Fingal gedacht."
»Hier zou ik de schim van Ossian wenschen op te roepen," hernam het
jonge meisje geestdrift vol. »Waarom zou de onzichtbare bard, na een
slaap van vijftien eeuwen niet op mijn stem verschijnen? O! het is
mij een weelderige behoefte te denken, dat die ongelukkige, blind als
Homerus, dichter evenals hij, meer dan eens, wanneer hij de heldendaden
van zijn tijdperk bezong een toevlucht in dit paleis heeft gezocht,
dat nog den naam zijn vaders draagt! Hier hebben ongetwijfeld de echo's
van Fingal zijn epische en lyrische ontboezemingen in den zuiversten
gaëlischen tongval herhaald. Gelooft gij niet, mijnheer Sinclair,
dat Ossian neergezeten was op de plek, waarop wij ons thans bevinden
en dat de tonen zijner harp zich met de ruwe klanken van Selma's stem
vermengd hebben?"
»Hoe zou het mogelijk zijn," antwoordde Olivier Sinclair, »geen geloof
te slaan aan hetgeen gij met zoo innige overtuiging zegt?"
»Indien ik hem opriep?" mompelde miss Campbell.
En met haar frissche stem liet zij herhaalde malen den naam van den
ouden bard te midden der windtrillingen weerklinken.
Maar al was het innig verlangen van miss Campbell ook groot, en al
had zij hem ook tot driemaal toe opgeroepen, de echo alleen antwoordde
haar. De schim van Ossian verscheen niet in zijn vaderlijk paleis.
De zon was middelerwijl achter dikke dampen verdwenen. De grot werd
met zwarte schaduwen vervuld; de zee begon buiten op te komen, haar
lange deininggolven kwamen reeds breken op de laatste basaltlagen in
het achterste gedeelte der grot.
De bezoekers betraden dus weer het smalle pad, dat reeds meer dan half
met de spatten der golven overdekt was. Ze sloegen den hoek van het
eilandje om, waartegen de wind van uit volle zee met kracht loeide;
toen bevonden zij zich, althans voor het oogenblik, in veiligheid op
den straatweg.
Tijdens de twee uren, dat zij in de grot vertoefden, was het slechte
weer aanmerkelijk toegenomen. De windvlagen wakkerden aan, terwijl zij
zich op de kusten van Schotland wierpen, en dreigden aan te groeien
tot een orkaan.
Maar miss Campbell en haar tochtgenooten, beschermd als zij waren door
de basaltkusten, konden gemakkelijk de grot van Clam Shell bereiken.
Den volgenden dag vertoonde de kwikkolom van den barometer een nieuwe
daling en ontketende zich de wind met groote woestheid. Zware en zwarte
wolken vervulden het luchtruim, terwijl zij het aardrijk naderden.
Het regende nog niet, maar de zon bleef onzichtbaar en vertoonde zich
zelfs niet bij korte tusschenpoozen.
Miss Campbell scheen niet zoo teleurgesteld door het slechte weder,
als men meende te moeten duchten. Het verblijf op een verlaten eiland,
dat door den storm gezweept werd, kwam met haar warmbloedig gestel
overeen. Als een heldin van Walter Scott vond zij er genoegen in
tusschen de rotsen van Staffa meestal alleen rond te dolen, en was
dan in haren nieuwen gedachtenkring afgetrokken. Iedereen eerbiedigde
haar zucht tot eenzaamheid.
Zij was ook verscheidene malen naar de grot van Fingal, welker
dichterlijke vreemdsoortigheid haar aantrok, teruggekeerd. Daar bracht
zij geheele uren in mijmering door en hield al heel weinig rekening
met de aanbevelingen, die haar gedaan waren, om er niet onvoorzichtig
in te dringen.
Daags daarna, den 9den September, bevond het maximum van de
dampkringspressie zich ter hoogte van de Schotsche kusten. In de
nabijheid van dat stormcentrum verplaatsten zich de luchtlagen met
een weergaloos geweld. Het was in den volsten zin des woords een
orkaan. Niets zou hem op de bovenste punt van het eiland kunnen
weerstand bieden.
Tegen zeven uur des avonds, tijdstip, waarop het diner in Clam Shell
werd opgedragen, hadden Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill
alle redenen om zich zeer ongerust te gevoelen.
Miss Campbell was tegen drie uur uitgegaan, zonder te zeggen waarheen,
en nog was zij niet terug gekeerd.
Men oefende geduld tot zes uur, evenwel niet zonder dat de angstige
ongerustheid voortdurend stijgende was. Miss Campbell kwam echter
niet opdagen.
Olivier Sinclair was herhaalde malen op het bovenplat van het eiland
geklommen, zonder haar te bespeuren....
De storm loeide met een onvergelijkelijke woede en de zee zweepte
met haar torenhoog opgejaagde golven zonder verpoozen het gedeelte
van het eilandje, dat naar het zuidwesten gekeerd was.
»Ongelukkige miss Campbell!" riep Olivier Sinclair eensklaps uit;
»wanneer zij nog in de grot van Fingal is, dan moet zij er uitgehaald
worden of zij is verloren!"