Den volgenden morgen reeds ten zes uur vertrok uit de kleine haven van
Jona de Clorinda, een bevallig vaartuig van vijfenveertig of vijftig
ton, dat bij een lichte noordwesterbries, met stuurboordshalzen over,
zoo scherp mogelijk bij den wind de open zee trachtte te bereiken.
De Clorinda had miss Campbell, Olivier Sinclair, broeder Sam, broeder
Sib, juffrouw Bess en Partridge aan boord.
Er behoeft niet bijgevoegd, dat de onhandige Aristobulus Beerenkooi
te huis was gelaten.
Ziehier wat men overeengekomen was en waartoe men onmiddellijk na
het voorval van daags te voren had besloten.
Terwijl men den Abtsheuvel afdaalde om zich naar de herberg te begeven,
had miss Campbell kortaf gezegd:
»Waarde ooms, daar mijnheer Beerenkooi in weerwil van alles, te
Jona wenscht te blijven, zullen wij mijnheer Aristobulus Beerenkooi
te Jona laten. Door zijn schuld hebben wij een eerste maal te Oban,
een tweede maal hier te Jona onze waarneming gemist. Wij blijven geen
oogenblik langer op een plaats waar die lastige man zijn onhandigheid
laat blijken."
Tegen dit voorstel, zoo kortaf en helder uitgesproken, hadden de
gebroeders Melvill niets in het midden te brengen. Zij deelden ook het
algemeen misnoegen en verwenschten Aristobulus Beerenkooi. De toekomst
was inderdaad voor hun gunsteling verloren. Nooit zou miss Campbell
voortaan iets van hem willen hooren. Zij gevoelden het, zij moesten
de hoop op de vervulling van hun plan, dat onmogelijk geworden was,
laten varen.
»Welnu, alles wel beschouwd," merkte broeder Sam tot broeder Sib,
dien hij tot een apartje genoodigd had, zacht fluisterend op, »zulke
onvoorzichtige beloften zijn geen ijzeren handboeien!"
Wat met andere woorden beteekende, dat men nimmer door een
voorbarig uitgesproken toezegging zich onherroepelijk gebonden kan
achten. Broeder Sib had dan ook met een afdoend gebaar zijn goedkeuring
aan dit Schotsche spreekwoord geschonken.
Toen men elkander goeden nacht wenschte in de algemeene zaal van het
wapen van Duncan, had miss Campbell gezegd:
»Wij zullen morgen ochtend vertrekken; ik blijf geen dag meer hier!"
»Goed, dat is uitgemaakt, waarde Helena," antwoordde broeder Sam;
»maar waarheen zullen wij gaan?"
»Dat is mij onverschillig. Slechts daarheen, waar wij zeker zijn dien
mijnheer Beerenkooi niet te ontmoeten."
»Het is dus van groot gewicht dat niemand wete, dat wij Jona verlaten
en nog minder waar we naar toe gaan. Zou de Schotsche kust niet ergens
een onbewoonde en onbewoonbare plek kunnen aanbieden, waar wij onze
waarnemingen konden voortzetten?"
Voorzeker zouden de gebroeders Melvill met hun tweeën die dubbele
vraag, die noch uitvluchten, noch nevengedachten gedoogde, niet hebben
kunnen beantwoorden.
Maar Olivier Sinclair was daar--en gelukkig ook.
»Miss Campbell," zei hij, »alles kan terecht komen. Ziehier, hoe. Hier
in de nabijheid is een eiland, of beter gezegd een eilandje gelegen,
dat voor onze waarnemingen zeer geschikt is. Op dat eilandje zal geen
mensch ons komen storen."
»Hoe heet dat eiland?"
»Staffa is de naam. Gij kunt het van hier zien op hoogstens twee
mijlen afstands ten noorden van Jona."
»Kan men er leven, en bestaat er mogelijkheid om er heen te
komen?" vroeg miss Campbell.
»Ja, en zeer gemakkelijk zelfs," antwoordde Olivier Sinclair. »Ik heb
in de haven van Jona een van die jachten gezien, die steeds gereed
zijn om zee te kiezen, zooals men in iedere engelsche haven gedurende
het zomerseizoen aantreft. De kapitein en verdere bemanning zijn
geheel ter beschikking van den eersten den besten toerist, die hunne
diensten, hetzij voor het Kanaal, voor de Noordzee of voor de Iersche
zee wenscht te gebruiken. Welnu, wat belet ons, om dat jacht te huren,
er de noodige provisiën voor een veertien dagen in te schepen, daar
Staffa hoegenaamd geen hulpmiddelen aanbiedt, en reeds morgen bij
het aanbreken van den dag te vertrekken?"
»Mijnheer Sinclair," hernam miss Campbell, »wanneer wij morgen
dit eiland in het geheim verlaten zullen hebben, zal ik u oprechte
dankbaarheid verschuldigd zijn."
»Morgen vóór het middaguur zullen wij, wanneer ten minste wat bries,
bij het doorkomen der zon, opsteekt, te Staffa zijn," betuigde
Olivier Sinclair. »Daar zullen wij, behalve op de toeristendagen,
die tweemaal per week plaats hebben en dan slechts een uur duren,
door niemand gestoord worden."
Volgens oude gewoonte der gebroeders Melvill, klonken de bijnamen
van de huishoudster weer:
»Bet!"
»Beth!"
»Bess!"
»Betsy!"
»Betty!"
Juffrouw Bess verscheen ditmaal terstond.
»Wij vertrekken morgen!" zei broeder Sam.
»Morgen, bij het krieken van den dag!" vulde broeder Sib aan.
Dat was voldoende; zonder naar meer te vragen, beijverden juffrouw Bess
en Partridge zich, alles dadelijk voor het vertrek gereed te maken.
Middelerwijl ging Olivier Sinclair naar de haven en trof daar de
noodige beschikkingen met John Olduck.
John Olduck was de kapitein van de Clorinda, een echte zeerob met zijn
ouderwetsch mutsje met gouden lis op het hoofd, zijn buisje met metalen
knoopen en zijn broek van grof blauw laken. Zoodra de zaak haar beslag
had gekregen, beijverden hij en zijn zes matrozen zich, om alles voor
het vertrek in gereedheid te brengen. Het was uitgelezen volk, dat
aan boord was, en zich gedurende den winter aan de visscherij wijdde,
maar des zomers een bemanning van een onbetwistbare voortreffelijkheid
boven al de zeelieden van andere landen voor de pleiziervaart leverde.
Ten zes uur des morgens scheepten zich de nieuwe passagiers van de
Clorinda in, zonder iets, aan wien ook, gezegd te hebben, omtrent
de bestemming van het jacht. Men had zich meester gemaakt van al de
levensmiddelen, versch vleesch of verduurzaamd en van al de dranken,
die maar te krijgen waren. Daarenboven zou de kok van de Clorinda
nog steeds het hulpmiddel hebben om den voorraad aan te vullen uit de
stoomboot, die den geregelden dienst van Oban naar Staffa onderhoudt.
Miss Campbell had bij het aanbreken van den dag bezit genomen van een
lief en bevallig kamertje, dat zich in het achteruit van het jacht
bevond. De beide broeders betrokken de hutten van de »Main Cabin,"
die in de nabijheid van het salon in het breedste gedeelte van het
schip zeer gemakkelijk ingericht waren. Olivier Sinclair had een hut
achter de groote trap, die naar het salon voerde. Ter weerszijde
van de eetzaal, waarin de groote mast stond, beschikten juffrouw
Bess en Partridge ieder over een kribkooi. Meer vooruit stond de
keuken in wier nabijheid de kok logeerde. Nog verder vooruit bevond
zich het matrozen-logies, waarin de noodige hangmatten voor de zes
matrozen. Niets ontbrak aan dit fraaie vaartuig, dat door Rotsey en
Cowes gebouwd was. Bij gladde zee en stijve bries had het steeds eer
ingelegd tijdens de zeilwedstrijden van de »Royal Thames yacht Club."
Het was een waar genoegen voor allen, toen de Clorinda zeil gemaakt
had en, nadat haar anker gelicht was, den wind begon te vatten in
haar groot zeil, haar achterzeil, haar stagfok en vlieger. Zij boog
bevallig onder den druk der bries, zonder dat haar witgeschuurd dek,
van Canada-pijnboomen dekbalken vervaardigd, ook maar een spatje
overnam van de golfjes, welke door den steven gesneden werden, die
zich loodrecht boven de waterlijn verhief.
De afstand, die deze beiden Hebriden-eilanden Jona en Staffa van
elkander scheidt, is zeer klein. Met goeden wind zouden twintig à
vijfentwintig minuten voldoende zijn geweest om dien af te leggen voor
een jacht, dat zonder moeite en zonder met zeil overladen te worden,
zijn acht mijlen loopt in het uur. Maar het had in dit oogenblik den
wind, die slechts flauw blies, tegen; de eb liep en het was tegen een
vrij merkbaren stroom in, dat gelaveerd moest worden om ter hoogte
van Staffa te komen.
Maar dat alles kon miss Campbell weinig schelen. Dat de Clorinda
onder zeil was, kon als het voornaamste gerekend worden. Een uur
later was Jona in den morgennevel verdwenen en met dat eiland ook
het verafschuwde beeld van dien plezier-bederver, wiens naam Helena
zelfs wilde vergeten.
Openhartig bekende zij dat aan haar ooms:
»Heb ik geen gelijk, papa Sam?"
»Volkomen gelijk, mijn waarde Helena."
»En keurt mama Sib mijn meening niet goed?"
»Ten volle."
»Welnu," voegde zij er bij, terwijl zij aan ieder hunner een zoen gaf,
»gij moet mij toch toegeven, dat ooms, die mij zoo'n man wilden doen
huwen, een wonderlijk denkbeeld gekoesterd hebben."
Beiden ontkenden het niet.
Alles wel beschouwd, was het een overheerlijke spelevaart, waaraan
slechts het gebrek kleefde van te kort te duren. Maar wie belette
die te verlengen en het vaartuig den Groenen Straal te gemoet te
laten gaan, hem in den vollen Atlantischen Oceaan op te zoeken? Maar
neen! Men was overeengekomen naar Staffa te stevenen, en John Olduck
nam zijn maatregelen, om dit eilandje, dat het meest beroemde van al de
Hebridische eilanden is, bij het doorkomen van den vloed te bereiken.
Tegen acht uur, werd het eerste ontbijt, bestaande uit thee, boter en
»sandwich's" in de eetzaal van de Clorinda voorgezet. De gasten allen
goed gemutst, deden de tafel aan boord alle eer aan en betreurden
den wal niet. Die ondankbaren!
Toen miss Campbell op het dek terug kwam, was het jacht over stag
gegaan en lag bakboord over. Het stevende naar den prachtigen vuurtoren
terug, die op de Skerryvoren rots gebouwd is en op honderd vijftig
voet boven hoogwater zijn licht van den eersten rang des nachts laat
schijnen. De bries stak op; de Clorinda worstelde onder haar groote
waterzeilen tegen den stroom, maar won weinig in de richting van
Staffa. En toch, zij »schoor als over de veeren", om de schotsche
uitdrukking te bezigen voor de snelheid van haar vaart.
Miss Campbell had zich op een van de dikke kussens van grof linnen
uitgestrekt, die aan boord van alle britsche pleizier-vaartuigen
worden aangetroffen. Zij was verrukt over die snelheid van beweging,
die noch door het geschok van een straatweg, noch door het getril
van een spoorweg veronaangenaamd werd, over de snelheid, als van een
schaatsenrijder, die met volle vaart over de spiegelgladde oppervlakte
heenglijdt van een bevroren meer. Niets was bevalliger te zien dan
de elegante Clorinda, die lichtelijk over één zij gebogen, met de
deining op en neer ging. Soms scheen zij in de lucht te zweven als
een buitengewoon groote vogel, die door zijn machtige wieken wordt
gedragen.
De zee, waarop men voer, was van het noorden naar het zuiden door de
groote Hebriden en ten oosten door de vaste kust gedekt. Zij vormt daar
een binnenwater, welks oppervlakte door de bries nog niet was bewogen.
Het jacht liep in schuine richting op het eiland Staffa aan, dat zich
voordoet als een groote dikke rots, die eenzaam meer zeewaarts van het
eiland Mull is gelegen en zich niet hooger dan honderd voet boven de
hoogste springvloeden verheft. Men kon gelooven, dat die rots het was,
die van plaats veranderde en nu eens haar steile basaltachtige oevers
van den westkant en dan weer de ruwe opeenstapeling van rotsblokken op
haren oostkant te zien gaf. Door een soort van gezichtsbedrog scheen
zij te draaien op haar grondvlak naar gelang de hoeken, waaronder de
Clorinda haar nu eens naderde en dan zich weer van haar verwijderde.
Toch won het jacht een weinig, in weerwil van den stroom en van
de bries. Wanneer het buiten de uiterste punten van Mull westwaarts
opstevende, dan schudde de zee het heviger, maar het hield zich daarbij
uitstekend tegen den golfslag, die uit volle zee aanrolde. Bij den
volgenden slag kwam het weer in stiller water, die het bewoog als
ware het de wieg van een pasgeboren kind.
Tegen elf uur was de Clorinda genoegzaam in het noorden opgestoken om
te kunnen afhouden op Staffa. De schooten werden gevierd, de vlieger
gegeid en de kapitein maakte zich gereed om ten anker te gaan.
Er is geen haven te Staffa, maar het is bij alle winden aldaar
gemakkelijk langs de steile oostkust te glijden, te midden van de
grillig verspreide rotsen ten tijde der schommelingen van de aardkorst
in de geologische tijdperken. Evenwel zou het bij zeer bar weer een
zeer slecht vaarwater zijn voor een vaartuig van een zekeren diepgang.
De Clorinda stevende dus vrij dicht langs een opeenhooping van
zware basaltrotsen. Zij bewoog zich behendig, liet ter eene zijde
de Bouchaillie rots liggen, aan wier voet bij den lagen stand der
eb, de prismatische zuilen, die als in bundels zijn samengevat
boven water uitsteken, aan de andere zijde den straatweg, die ter
linkerzij langs de kuststrook voert. Daar is de beste ankerplaats
van het geheele eiland, daar nemen de sloepen de toeristen weer op,
die zij aangebracht hebben, na hun wandeling op de hoogten van Staffa.
De Clorinda drong een kleine kreek binnen, bijna aan den ingang van de
Clam-Shell-grot gelegen. De zeilen werden geborgen en weldra plompte
het anker in het water en vond een goeden ankergrond.
Miss Campbell en haar metgezellen ontscheepten een oogenblik later op
de eerste treden van basalt ter linkerzijde van de grot. Een houten
trap, voorzien van een stevige leuning, voerde van de oppervlakte
der zee tot op den afgeronden top van het eiland.
Allen klommen daar langs op en bereikten het bovenste plat.
Zij waren alzoo eindelijk te Staffa en zoodanig van de bewoonde wereld
afgescheiden, alsof een storm hen op het meest verlaten eiland der
Stille Zuidzee had geworpen.