TWEE GEWEERSCHOTEN.

Daags daarna en ook in de eerste daarop volgende dagen van September

zag men Aristobulus Beerenkooi niet weerom. Had hij Jona met de

toeristen-boot verlaten, nadat het besef bij hem wakker was geworden,

dat hij vergeefsche moeite aanwendde om de genegenheid van miss

Campbell te winnen? Dat kon niemand zeggen. Hij deed in ieder geval

goed, zich niet te vertoonen; want hij was niet meer onverschillig

voor het jonge meisje, hij boezemde haar thans een soort van afkeer

in. Het dichterlijk waas had hij aan haren straal ontrukt, haren droom

belichaamd, de fladderende sjerp eener Valkyrie was door hem in een

dom gezichtkundig verschijnsel veranderd! Zij zou hem wellicht alles

hebben vergeven, alles, maar dat niet!

De gebroeders Melvill konden zelfs geen verlof bekomen, om na te gaan

waar Aristobulus Beerenkooi was gebleven.

Waartoe zou dat ook dienen? Wat zouden de broeders hem te zeggen

hebben, en welke hoop konden zij nog koesteren? Viel er nog te

denken aan de voorgenomen vereeniging tusschen twee wezens van

nature zoo afkeerig van elkander, die zoo gescheiden waren als het

plat proza dit is van de verheven poëzie. Hij met zijn waanzin,

om alles onder wetenschappelijke formules te willen brengen, zij

met haar droombeelden, die haar slechts in een denkbeeldige wereld

lieten verwijlen en haar de oorzaken en gevolgen deden minachten,

om zich slechts aan haar dichterlijke indrukken te kunnen overgeven.

Partridge intusschen, daartoe aangezet door juffrouw Bess, vernam dat

de »jonge oude geleerde," zooals hij hem noemde, nog niet vertrokken

was, maar nog steeds zijn visschershut opzocht, alwaar hij eenzaam

zijn maaltijden gebruikte.

Maar dat deed er niet toe; het voornaamste was, dat men Aristobulus

Beerenkooi niet meer zag. De waarheid in deze was, dat wanneer hij

opgesloten in zijn kamer zich niet onledig hield met het een of ander

hoogstgewichtig wetenschappelijk vraagstuk, hij met het geweer op

den rug op het strand ronddwaalde en daar zijn kwade luim bot vierde

te midden van een waar bloedbad, op arme zwarte kuifduikers of op

meeuwen, die aan niets schuld hadden, gepleegd. Zou hij nog eenige

hoop koesteren? Spiegelde hij zich voor, dat miss Campbell, wanneer

eenmaal haar gril ten opzichte van den Groenen Straal bevredigd was,

tot betere gevoelens zou terugkeeren. Bij dat lieve persoontje, was,

wel beschouwd, alles mogelijk.

Maar er overkwam hem eens een vrij onaangenaam voorval, dat hem zeer

slecht had kunnen bekomen, zonder de zoo edelmoedige als onverwachte

tusschenkomst van zijn mededinger.

Dit viel voor in den namiddag van den 2den September. Aristobulus had

zich op weg begeven om de rotsen te bestudeeren, die het uiterste

uiteinde van de zuidelijke punt van Jona uitmaken. Een van die

granietmassa's, een »stack", trok in 't bizonder zijn aandacht, en

wel zoodanig, dat hij besloot den top daarvan te beklimmen. Dit kon

wel onvoorzichtig genoemd worden, want de rots was zeer glibberig en

bood geen plekje aan, waarop de voet zou kunnen rusten of waaraan de

hand zich kon vastklemmen.

Toch liet Aristobulus Beerenkooi zich niet afschrikken. Hij begon dus

langs de wanden naar boven te klimmen en kon met behulp van eenige

struiken, die tusschen de rotsaderen wortel hadden geschoten, zich

naar boven hijschen. Hij bereikte zoo, evenwel niet zonder moeite,

den top van dien stack.

Eenmaal daar aangekomen, hield hij zich met zijn mineralogischen

arbeid onledig. Maar toen hij weer omlaag wilde klimmen, was de

moeielijkheid grooter. En inderdaad, nadat hij zorgvuldig opgespoord

had, langs welken kant van den wand hij zich naar beneden zou laten

glijden, wilde hij daartoe overgaan. Maar juist in dat oogenblik

gleed zijn voet uit en rolde hij, zonder zich te kunnen weerhouden,

naar beneden. Hij zou in de zware branding die aan den voet der rots

bruiste, terecht gekomen zijn, wanneer hij niet door een afgebroken

boomstam gestuit was.

Aristobulus Beerenkooi bevond zich toen in een toestand, die hoewel

gevaarlijk, toch belachelijk was. Hij kon niet naar boven klimmen,

maar ook niet neerdalen.

Zoo verstreek een geruime tijd--meer dan een uur,--en wie weet

wat gebeurd zou zijn, wanneer Olivier Sinclair, die met zijn

schildersrandsel op den rug rondkuierde, in dit oogenblik niet

voorbijgekomen was. Deze hoorde geschreeuw en stond stil om te

luisteren. Toen hij evenwel Aristobulus Beerenkooi, dertig voet

hoog in de lucht vastgehaakt, zich zag bewegen als een draaipop in

een Jan-Klaassen-spel, kon hij eerst, zooals wel te begrijpen valt,

zijn lachen niet bedwingen, maar daarna aarzelde hij geen oogenblik om

alles te wagen, ten einde hem uit dien noodlottigen toestand te redden.

Dat ging evenwel niet zonder moeielijkheid. Olivier Sinclair moest

op den top van den stack klimmen, om den hangenden Beerenkooi weder

naar boven te hijschen, ten einde hem vervolgens aan den anderen kant

weer naar beneden te laten.

»Mijnheer Sinclair", zei Aristobulus Beerenkooi, zoodra hij weer

vasten grond onder de voeten voelde, »ik had den hellingshoek van

dien wand met de loodlijn fout berekend. Van daar dat ik uitgleed en

zoo vasthaakte...."

»Mijnheer Beerenkooi," antwoordde Olivier Sinclair, »ik ben gelukkig,

dat het toeval mij veroorloofd heeft u te hulp te kunnen komen!"

»Laat mij ten minste u bedanken...."

»Och, het heeft zooveel niet om het lijf, mijnheer. Gij zoudt net

zoo gehandeld hebben als ik in dit geval."

»Ongetwijfeld!"

»Welnu, bij voorkomende gelegenheid houd ik mij aanbevolen!"

En de twee jongelieden scheidden van elkander.

Olivier Sinclair meende over dit voorval, waaraan hij geen te groot

gewicht hechtte, te moeten zwijgen. Ook Aristobulus Beerenkooi sprak

er niet over. Maar daar hij nog al aan zijn ongeschonden huid gehecht

was, voelde hij zich toch dankbaar gestemd jegens zijn mededinger,

die hem uit dien naren toestand gered had.

Hoe ging het intusschen met den beruchten Straal? Het moest erkend

worden, dat hij zich vreemdsoortig genoeg uitnoodigen liet! En toch

was er geen tijd meer te verliezen. De herfst zou niet nalaten zijn

nevelsluier aan den hemel uit te spreiden. Dan zouden er geen heldere

avonden meer bestaan; want September is er zeer gierig mede onder

deze hooge breedte. Dan geen scherpe kim meer, die eerder met den

passer van een landmeter getrokken scheen dan met het penseel van een

schilder. Zou de hoop moeten opgegeven worden, het natuurverschijnsel

te zien, dat tot zooveel verhuizingen aanleiding had gegeven? Zou

men de waarneming tot het volgende jaar moeten uitstellen? Of moest

men haar hardnekkig in andere luchtstreken gaan vervolgen?

Waarlijk, het was zoowel voor miss Campbell als voor Olivier Sinclair

om er kregel van te worden. Beiden waren ernstig woedend dat de

gezichteinder der Hebriden steeds beneveld was.

Zoo gingen de vier eerste dagen van de nevelachtige Septembermaand

voorbij.

Iederen avond waren miss Campbell, Olivier Sinclair, broeder Sam,

broeder Sib, juffrouw Bess en Partridge, op de een of andere rots

waartegen de golfjes klotsten, gezeten, en woonden den ondergang bij

der zon, die meestal plaats had te midden van bewonderenswaardige

lichteffecten, oneindig prachtvoller, dan wanneer de hemel volmaakt

helder ware geweest.

Een kunstenaarsziel moet de verheven schouwspelen toejuichen, die

zich iederen avond bij het dalen der zon ontwikkelen, wanneer de

oogenverblindende kleurenschaal, die als van de eene wolk tot de

andere overgaat, van het violette af, dat in het toppunt verschijnt,

tot het gulden rood van den horizon, zich voor het oog vertoont,

wanneer de vuurweerkaatsingen zich op de wolken als op gloeiende

rotsen laten waarnemen, wanneer die wolken de zonneschijf schijnen

aantetasten en haar laatste stralen opslorpen, vooral die welke onze

waarnemers zoo gaarne gezien hadden.

Wanneer dan na de verdwijning van de dagvorstin allen opstonden,

dan gevoelden zij zich teleurgesteld, evenals de toeschouwers van

een tooverballet, waarvan het sloteffect door de schuld van den

tooneelwerktuigkundige gemist was, en keerden zij naar de herberg

»het wapen van Duncan" terug.

»Tot morgen!" zei miss Campbell.

»Tot morgen!" antwoordden de beide ooms. »Wij hebben een voorgevoel,

dat morgen...."

Iederen avond hadden de gebroeders Melvill een voorgevoel en iederen

avond kwam dat bedrogen uit.

De dag van den 5den September begon evenwel prachtig. De morgennevel

loste zich door de warmte van de eerste zonnestralen op.

De wijzer van den barometer, die reeds sedert eenige dagen

vooruitgaande was, rees nog en bleef op »bestendig". Het was niet meer

warm genoeg om de luchttrilling te doen ontstaan, die in de heete

zomerdagen wordt waargenomen. De droogte van den dampkring was dien

dag bij de oppervlakte der zee gelijk aan die, welke op een berg,

eenige duizenden voeten hoog, te midden van ijle lucht te vinden was.

Het zou onmogelijk zijn de angstige spanning te schetsen, waarmede

allen de verschillende overgangstijdperken op dien dag nagingen. Met

welk kloppend hart zij uitkeken of niet eenige wolk in het uitspansel

was te bespeuren, is niet te beschrijven. En het zou vermetel genoemd

moeten worden, te trachten weer te geven, met welke benauwdheid zij

de zonnebaan gadesloegen.

Gelukkig blies de bries zacht, maar bestendig van de landzij. Terwijl

zij over de bergen heenstreek of langs de oppervlakte der weilanden

gleed, kon zij geen waterdeelen opnemen, zooals zij doet, wanneer

zij over den uitgestrekten Oceaan waait en die zij dan ook aanbrengt,

wanneer zij van den zeekant komt.

Maar wat viel die dag lang! Miss Campbell kon onmogelijk rustig op

haar plaats blijven. Zij gaf niets om de warmte, maar trippelde heen

en weer, terwijl Olivier Sinclair op de hoogste punten van het eiland

ronddwaalde, om een ruimeren gezichtskring te hebben. De twee ooms

snoven met hun beiden een geheele snuifdoos leeg en Partridge, alsof

hij een schildwacht op post was, had de houding aangenomen van een

onbezoldigd rijksveldwachter, die de hemelsche dreven moest bewaken.

Men was overeengekomen, dien dag te vijf uur te dineeren, om bij tijds

op den waarnemingspost te kunnen zijn. De zon zou eerst ten zes uren

negen en veertig minuten ondergaan, men zou dan tijd genoeg hebben,

om haar op dat oogenblik te kunnen volgen.

»Ik geloof, dat wij den straal dezen keer te pakken krijgen!" zei

broeder Sam, terwijl hij zich in de handen wreef.

»Dat geloof ik ook!" bevestigde broeder Sib, met hetzelfde gebaar.

Tegen drie uur ongeveer ontstond er een loos alarm. Een dikke

nevelvlok, met den vorm van een saamgepakte wolk, kwam in het oosten

op en dreef door de landbries voortgestuwd naar den Oceaan.

Miss Campbell zag haar het eerst. Zij kon een kreet van teleurstelling

niet onderdrukken.

»O! het is alleen die wolk," zei een harer ooms. »Van die hebben wij

niets te vreezen. Zij zal spoedig opgelost worden...."

»Of zij spoedt sneller dan de zon voort," beaamde Olivier Sinclair,

»en zal vóór haar achter den horizon verdwijnen."

»Maar is de wolk de voorloopster niet van een mistbank?" vroeg miss

Campbell.

»Dat zullen we moeten afwachten."

Olivier Sinclair spoedde zich wat hij loopen kon, naar de

kloosterbouwvallen. Van daar kon zijn blik meer oostwaarts tot ver

achter de bergen van Mull doordringen.

Die bergen staken scherp af tegen het blauw der lucht, hun kam scheen

een met potlood getrokken lijn op een volmaakt zuiveren achtergrond.

Er waren geen andere dampen in het uitspansel, en de scherpe omtrek

van den Ben More, die zich op drie duizend voet boven de oppervlakte

van de zee verheft, was door geen nevellagen verduisterd.

Olivier Sinclair kwam een half uur later met geruststellende

verzekeringen terug. Die wolk was slechts een verloren vlokje in de

ruimte. In den drogen dampkring zou zij zich niet kunnen uitbreiden

en onderweg wel opgelost worden.

De witachtige vlok schreed evenwel naar het zenith voort. Het verwekte

algemeen misnoegen, dat die wolk juist de baan der zon volgde. Zij

naderde haar reeds onder den invloed der bries. Terwijl zij in de

ruimte voortgleed, wijzigden zich haar vormen onder den aandrang van

de tegenbewegingen in den luchtstroom. Eerst had zij den vorm van een

hondskop, daarna van een platvisch, zoo iets als van een reuzenrog;

toen rolde zij zich op als een bal, was donker in het midden en

schitterend aan haren zoom. Eindelijk bereikte zij de zonneschijf en

schoof er voor.

Een kreet ontsnapte miss Campbell. Zij strekte haar beide armen ten

hemel uit.

De schitterende dagvorstin, achter dat gordijn van dampen verborgen,

schoot geen enkele harer stralen op het eiland af. Jona, buiten

den direkten uitstralingskegel gelegen, was door een breede schaduw

omsluierd.

Maar die groote schaduw verplaatste zich. De zon verscheen weer in

haren vollen glans. De wolk daalde naar den horizon. Zij zou dien

zelfs niet bereiken; zij verdween als door een opening, die in den

hemel als het ware geboord was.

»Eindelijk is zij weg!" riep het jonge meisje, »en God geve, dat zij

door geen andere gevolgd worde!"

»Neen, miss Campbell, wees daaromtrent gerustgesteld," antwoordde

Olivier Sinclair. »Dat die wolk zoo spoedig en op deze wijze verdwenen

is, kan als bewijs gerekend worden, dat er geen andere dampen in de

lucht zijn, en dus de ruimte in het westen volmaakt zuiver is."

Ten zes uur des avonds waren de waarnemers op een open plek

gegroepeerd, op hun post.

Dat was een plek op het noordelijkste uiteinde van het eiland,

op den hoogsten top van den Abtsheuvel. Van dien top kon de blik

in het oosten als in een kring het hooger gedeelte van het eiland

Mull omvatten. Ten noorden verscheen het eilandje Staffa als een

ontzaglijke schildpadschaal, die in de Hebridische wateren gestrand

zou zijn. Iets verder verschenen Elva en Gometra als afgescheurde

gedeelten van de kuststreek van het groote eiland. Naar den kant van

het westen, het zuidwesten en het noordwesten was niets te zien dan de

onmetelijke zee. De zon daalde snel langs een schuine baan. De omtrek

van den gezichteinder vertoonde zich zwart, alsof hij met Chineeschen

inkt was getrokken. Aan den tegenovergestelden kant glinsterden al

de vensters van Jona vlammend, als de weerkaatsing van een brand,

welker vlammen met gulden spitsen woedden.

Miss Campbell en Olivier Sinclair, de gebroeders Melvill, juffrouw Bess

en Partridge, geboeid door dat overschoone schouwspel, zaten eerbiedig

stilzwijgend neder. Zij aanschouwden, terwijl zij de oogleden half

toeknepen, de schijf, die zich bij de waterlijn afplatte en den vorm

aannam van een scharlaken halven bol. Er was geen spoor van damp aan

den zeekant te zien.

»Ik geloof, dat wij hem ditmaal te pakken hebben," begon broeder Sam.

»Ik geloof het ook," antwoordde broeder Sib.

»Stil, waarde ooms!..." riep miss Campbell.

Zij zwegen en hielden hun adem in, alsof zij vreesden dat de

waterdeelen daarvan zich zouden kunnen verdichten en den vorm aannemen

eener wolk om den zonneschijn te benevelen.

De zon had reeds den horizon met haren onderrand aangeraakt. Zij

verbreidde en verstrooide zich alsof zij inwendig met een lichtgevende

vloeistof gevuld was.

Allen zogen als het ware hare laatste stralen op.

Zoo moet Arago hebben zitten turen, toen hij in de woestenijen van

Palma op de kust van Spanje, het vuursignaal bespiedde, dat op den

top van het eiland Ivika moest verschijnen, om hem te veroorlooven

den laatsten driehoek zijner graadmeting te sluiten.

Eindelijk bleef nog een klein segment van den bovensten boog boven

de watervlakte over. Nog weinige seconden, en de laatste straal zou

schitteren voor de oogen, die gereed waren hem op te vangen, en het

paradijsachtig groen laten schijnen!...

Plotseling werden twee geweerschoten vernomen, die beneden aan den

heuvel te midden der rotsen van de kuststrook weerklonken. Men zag een

rookwolkje, tusschen welks kronkels een zwerm van zeevogels: meeuwen,

stormvogels en eiders, door ontijdige geweerschoten verschrikt,

rondfladderde.

Die wolk steeg recht op en schoof als een gordijn tusschen den

gezichteinder en het eiland; zij zweefde voor de ondergaande zon,

juist op het oogenblik, dat zij haar laatsten lichtstraal over de

oppervlakte der wateren schoot.

Men kon in dit oogenblik den onvermijdelijken Aristobulus Beerenkooi

op een punt van de steile kust bespeuren, die met het nog rookend

geweer in de handen, den vogelenzwerm met de oogen volgde.

»O! ditmaal hebben we er genoeg van!" riep broeder Sib uit.

»Neen, wij hebben er te veel van!" riep broeder Sam.

»Ik had hem aan zijn rots moeten laten hangen," mompelde Olivier

Sinclair. »Dan zou hij ten minste hier niet zijn."

Miss Campbell, staroogende en met de lippen op elkaar geklemd, sprak

geen enkel woord.

Andermaal had zij door de schuld van Aristobulus Beerenkooi den

Groenen straal gemist.

De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht · 第 35 / 68 题