DE BOUWVALLEN VAN JONA.

Miss Campbell, de gebroeders Melvill en de twee jongelieden

vertrokken den gezegden dag terstond na het ontbijt. Het was zeer

fraai herfstweder. Ieder oogenblik drong, of beter nog, zijpelde een

lichtstraal, als ontsnapt aan den kerker, door de scheuren in het

dikke wolkendak, om dan een poos daarna weer te verdwijnen. Onder

de afwisseling van licht en donker vertoonden de bouwvallen, die dit

gedeelte van het eiland bekronen, en de zoo schilderachtig gegroepeerde

rotsen van de kuststrook, en de verstrooid liggende huizen op het

dalend en rijzend terrein van Jona, alsook in de verte de zee,

die er als gestreept onder de liefkoozingen van een briesje uitzag,

zich telkenmale onder een vernieuwd voorkomen en vroolijkten onder

den invloed der zon op.

Het was niet de toeristendag. Daags te voren had de stoomboot een

vijftigtal ontscheept; ongetwijfeld zou zij den volgenden dag een

gelijk getal overbrengen; maar heden behoorde het eiland Jona geheel

en al aan haar nieuwe bewoners. Men zou dus niemand bij de bouwvallen

aantreffen.

In een vroolijke stemming werd de weg afgelegd. De opgeruimdheid

van broeder Sam en van broeder Sib was voor de twee jongelieden

aanstekelijk geweest. Zij koutten, zij gingen en kwamen, verwijderden

zich en verschenen weer te midden van de kleine rotsachtige paden,

tusschen de lage bouwvallen van muren, van gedroogden steen

vervaardigd.

Alles ging dus naar wensch, toen men vlak voor den kruisberg van

Mac Lean stil hield. Dit fraaie rotsblok, uit een stuk rood graniet

bestaande, is veertien voet hoog en beheerscht den straatweg van Main

Street. Het is het eenig overblijfsel der drie honderd zestig kruisen,

die tot aan het tijdperk der Hervorming op het eiland in het midden

der XVIe eeuw geplaatst werden.

Olivier Sinclair wilde zeer natuurlijk een schets maken van dien

monumentalen steen, die goed afgewerkt is en een fraai effekt maakt

te midden eener dorre vlakte, die met een grijsachtig gras bekleed is.

Miss Campbell, de gebroeders Melvill en hij hadden op een vijftig pas

afstand van den kruisberg plaats genomen, om er een algemeen overzicht

van te genieten. Olivier Sinclair ging op een afgebrokkelden kleinen

muur zitten en begon de eerste omtrekken van het terrein, waarop het

kruis van Mac Lean zich verhief, te schetsen.

Eenige oogenblikken later kwam het hun voor, alsof een menschelijk

wezen poogde de eerste grondvesten van dien kruisberg te beklimmen.

»Wat komt die ongenoode gast nu hier doen?" vroeg Olivier. »Als hij

nog in een monnikspij gehuld was, zou hij met dat monument overeenkomen

en kon ik hem aan den voet van dat oude kruis laten knielen."

»Het is eenvoudig een nieuwsgierige, die u wat hinderen gaat, mijnheer

Sinclair," zei miss Campbell.

»Maar is het Aristobulus Beerenkooi niet, die ons vooruitgesneld

is?" vroeg broeder Sam.

»Ja, hij is het," zei broeder Sib.

En inderdaad het was Aristobulus Beerenkooi, die op het voetstuk

van den kruisberg was geklommen en de rots met duchtige hamerslagen

aanviel.

Miss Campbell was verwoed over dat ongegeneerde van den mineralogist

en ging dadelijk tot hem.

»Wat doet gij daar, mijnheer?" vroeg zij.

»Zooals gij ziet, miss Campbell," antwoordde Aristobulus Beerenkooi,

»ik poog een stuk van dat graniet af te slaan."

»Waartoe die gekheid? Ik dacht dat de tijd der beeldstormers voorbij

was!"

»Ik ben geen beeldstormer, maar een geoloog," antwoordde Aristobulus

Beerenkooi, »en als zoodanig wensch ik het samenstel van dat blok

te kennen."

Een nog hardere slag met den hamer had het schendend werk

volbracht. Een stuk steen van het voetstuk rolde op den grond.

Aristobulus Beerenkooi raapte het op, en op het vermeerderend

gezichtsvermogen van zijn bril niet vertrouwende, greep hij een loep

uit haren koker en bracht die bij zijn oog.

»Net als ik dacht," zeide hij. »Het is rood graniet van zeer fijnen

ineengedrongen korrel en bezit veel weerstandsvermogen. Die moet

afkomstig zijn van het Nonneneiland en is geheel gelijk aan de

granietsoort, welke de bouwmeesters in de XIIde eeuw bezigden om de

kathedraal van Jona op te richten.

En Aristobulus Beerenkooi liet zich een zoo schoone gelegenheid niet

ontsnappen om zich in een archeologische verhandeling te verdiepen,

welke de gebroeders Melvill, toen zij zich bij hem vervoegd hadden,

meenden te moeten aanhooren.

Miss Campbell was, zonder veel omslag te maken naar Olivier Sinclair

teruggekeerd en allen bevonden zich, toen de teekening klaar was,

in het portaal de kathedraal bij elkander.

Dat monument was een zeer samengesteld gebouw, gevormd door twee aan

elkander gekoppelde kerken, welker dikke muren en stevige pilaren

als rotsen, de aanvallen van dit ruwe klimaat sedert dertien honderd

jaren weerstaan hadden.

De bezoekers wandelden gedurende eenige oogenblikken in de eerste

kerk, die van romaanschen oorsprong blijkt, afgaande op den boog harer

gewelven; vervolgens in de tweede, die als een gothisch gebouw van de

XIIde eeuw erkend werd en het middenschip met de kruisvleugels der

eerste vormde. Zij drentelden zoo te midden dier bouwvallen, gingen

van het eene tijdperk tot het andere over, en betraden de groote

vierkante vloersteenen, welker voegen de aarde lieten ontzien. Hier

waren het grafdeksels, elders grafsteenen, die de hoeken van het

gebouw met hun uitgebeitelde beelden versierden.

Uit dit alles, dat zich gestreng en ernstig voordeed, sprak de

dichterlijkheid der vervlogen tijden.

Miss Campbell, Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill hadden niet

bespeurd, dat hun geleerde metgezel was achtergebleven. Zij drongen

door tot onder het dikke gewelf van den vierkanten toren. Dit gewelf

beheerschte vroeger het portaal der eerste kerk en verhief zich later

bij het aansluitingspunt der twee kerken.

Eenige oogenblikken later werden regelmatige stappen, die op den

luid weerklinkenden vloer dreunden, waargenomen als van iemand die

zwaarwichtig voortschreed, even als het standbeeld van den Kommandeur

in de zaal van Don Juan.

Het was Aristobulus Beerenkooi, die met zijn meetkundigen pas, de

uitgestrektheid der kathedraal opnam.

»Een honderd en zestig van het oosten naar het westen," zei hij en

noteerde dat getal in zijn zakboekje, terwijl hij de tweede kerk

binnentrad.

»Ah! zijt gij het, mijnheer Beerenkooi!" riep miss Campbell

spottend. »Na den mineralogist de landmeter?"

»En zeventig voet slechts langs de aslijn der kruisvleugels,"

antwoordde Aristobulus Beerenkooi.

»En hoeveel duim?" vroeg Olivier Sinclair.

Aristobulus Beerenkooi keek Sinclair aan als iemand, die niet recht

weet of hij zich boos zal maken of niet. De gebroeders Melvill kwamen

evenwel ter geschikter ure tusschen beiden en noodigden miss Campbell

en de beide jongelieden uit, hen bij het bezoeken van het klooster

te vergezellen.

Dit gebouw heeft slechts onherkenbare overblijfselen nagelaten,

hoewel het de verminkingen der Hervorming overleefd heeft. Na dat

tijdvak diende het tot vereenigingspunt van eenige stiftsdames van

Sint Augustijn, waaraan de Staat die schuilplaats aanwees. Het zijn

thans slechts nog maar ellendige bouwvallen van een klooster, door de

stormen geteisterd, die noch gewelven, noch bogen, noch romaansche

pilaren bezitten, om straffeloos de ruwheden van dit noordsche

luchtgestel te kunnen trotseeren.

De bezoekers konden evenwel, na de overblijfselen van het klooster, dat

vroeger zoo bloeiend was, bezocht te hebben, de kapel nog bewonderen,

die beter bewaard was gebleven. Aristobulus Beerenkooi vermeende

die niet te behoeven op te meten. Aan die kapel, die of later of

hechter gebouwd was dan de eet- en slaapzalen van het klooster,

ontbrak alleen het dak. Het koor, dat evenwel geheel ongeschonden is,

wordt door de oudheidkundigen, als een bouwstuk van groote verdiensten,

zeer gewaardeerd.

In het westergedeelte daarvan wordt het graf aangetroffen van haar,

die de laatste abdis der gemeenschap was. Op den zwartmarmeren

zerksteen is tusschen twee engelen een heilige Maagd uitgebeiteld,

die het kind Jezus in hare armen draagt.

»Even als de Maagd op den Stoel en de Madonna van Sint Sixtus, de twee

eenige O. L. Vrouwenbeelden van Raphael zonder neergeslagen oogleden,

kijkt ook deze rechtuit terwijl een glimlach uit hare oogen straalt!"

Deze opmerking werd door miss Campbell zeer ter snede gemaakt. Zij had

echter geen ander gevolg dan op de lippen van Aristobulus Beerenkooi

een trek van vrij duidelijke spotternij en van minachting te voorschijn

te roepen.

»Waar hebt gij ooit gezien, miss Campbell," vroeg hij, »dat een

glimlach uit iemands oogen kan stralen?"

Wellicht had miss Campbell wel trek hem te antwoorden, dat men bij hem

zoo iets niet kon waarnemen, wanneer men hem aankeek. Zij zweeg echter.

»Het is een algemeen verspreide dwaling," sprak Aristobulus Beerenkooi

op een toon, alsof hij ex cathedra doceerde, »wanneer men van den

glimlach der oogen spreekt. De gezichtsorganen zijn juist geheel

misdeeld van uitdrukking, zoo als ons de gezichtkunde leert. Ten

bewijze: stel een masker voor een gelaat en bekijk dan de oogen door

de daarin overeenkomstige gaten, en ik tart u alsdan uit te maken,

of dat gelaat opgeruimdheid, droefgeestigheid of toorn verraadt."

»Ah! waarlijk?" vroeg broeder Sam, die in de les belang scheen

te stellen.

»Hé! dat wist ik niet!" vulde broeder Sib aan.

»Het is toch zoo," hernam Aristobulus Beerenkooi. »Wanneer ik een

masker had, dan...."

Maar dat vreemdsoortig jongmensch had geen masker, de proefneming

kon dus niet afdoend geschieden, om iederen twijfel weg te nemen.

Daarenboven hadden miss Campbell en Olivier Sinclair reeds het klooster

verlaten en richtten hunne schreden naar het kerkhof van Jona.

Die plek werd de relikwiekast van Oban genaamd, ter herinnering aan

den makker van Sint Columban, wien men de stichting van de kapel

verschuldigd is, welker bouwvallen te midden van den doodenakker

verrijzen.

Dat terrein, bezaaid met grafsteenen, is een wonderlijke plek, waar

acht en veertig schotsche koningen, acht onderkoningen der Hebriden,

vier onderkoningen van Ierland en een koning van Frankrijk den eeuwigen

slaap slapen. Van laatstbedoelde is de naam verloren geraakt, alsof

hij reeds tot de voorhistorische tijden behoort. Men zou die plek bij

een Druïdenveld hebben kunnen vergelijken, waarvan steenen monumenten

door grafsteenen vervangen zouden zijn. Daartusschen strekt zich de

granietsteen uit, die het graf dekt van Duncan, den Schotschen koning,

die door het sombere treurspel van Macbeth vereeuwigd is. Op sommige

dier steenen zijn slechts eenvoudige geometrische figuren gebeiteld,

op anderen zijn eenige woeste Celtische koningen voorgesteld, die

daar stijf als een lijk uitgestrekt liggen.

Welke herinneringen doemen uit dien doodenakker van Jona op! Welk

een terugkeer tot het verledene doorkruist het denkvermogen bij het

betreden van die koninklijke begraafplaats!

En hoe zou het mogelijk zijn, zich dit vers van Ossian niet te

herinneren, dat den dichter hier ter plaatse ongetwijfeld bezield

heeft?

»Vreemdeling, gij betreedt een met helden overdekten grond. Bezing

somwijlen den roem van die gedenkwaardige dooden. Dat hunne lichte

schimmen zich rondom u mogen verblijden!"

Miss Campbell en hare metgezellen waren geheel oogen, maar zwegen. Zij

werden niet gedwongen de verveling van een beëedigden gids te

ondervinden, die den sluier der geschiedenis voor de toeristen

opheft. Zij konden zich verbeelden die afstammelingen van den

beheerscher der eilanden van Angus Og, den metgezel van Robert Bruce,

den wapenbroeder van dien held, die voor de onafhankelijkheid zijns

lands streed, voor zich te zien.

»O! wat zou ik hier gaarne bij het vallen van den avond terugkomen,"

zei miss Campbell. »Mij dunkt, dat dit het gunstigste tijdstip

zou wezen, om die herinneringen op te roepen! O, ik zou dan het

ontzielde lichaam van den ongelukkigen Duncan zien aandragen. Ik zou

dan de gesprekken der doodgravers hooren, terwijl zij hem in het

graf legden, in de aarde, die aan zijn voorouders gewijd is. Wel,

mijnheer Sinclair, zou dat het goede oogenblik niet zijn, om de

geesten, die de koninklijke begraafplaats bewaken, op te roepen?"

»Ja, miss Campbell, en ik meen dat zij niet zouden kunnen weigeren

op uwe stem te verschijnen."

»Hoe, miss Campbell, gelooft gij aan geesten?" riep Aristobulus

Beerenkooi uit.

»Ja, daar geloof ik aan, mijnheer; als echte Schotsche, geloof ik

aan geesten!" antwoordde miss Campbell.

»Maar gij weet toch, dat dit slechts denkbeeldig is, dat niets van

al dat wonderbaarlijke in werkelijkheid bestaat!"

»En als ik er aan wil gelooven!" antwoordde miss Campbell onder den

aandrang van een ontijdige zucht tot tegenspraak. »En als ik er behagen

in schep om te gelooven aan de huis-brownies, die den huiselijken haard

bewaken, aan de heksen, wier betoovering toe te schrijven is aan de

runische verzen, die zij uitgalmen, aan de Valkyriën, de noodlottige

jonkvrouwen uit de scandinavische mythologie, die de lijken der

gesneuvelde strijders van het slagveld weghalen, aan die goedige

toovergodinnen, door onzen dichter Burns in onsterfelijke verzen

bezongen, die door geen waren zoon der Hooglanden vergeten worden:

»Heden nacht dansen de feeën op Casselis Dawnans of begeven zij zich

bij het bleeke maanlicht naar Colzean, om te gaan dwalen in de Coves

te midden der rotsen en der beken."

»Maar miss Campbell," hernam de stijfhoofdige dwaas, »denkt gij

dan, dat de dichters zelven aan die droombeelden hunner verbeelding

gelooven?"

»Zeer zeker, mijnheer," antwoordde Olivier Sinclair. »Ware dat niet,

dan zou hunnen dichtstukken een valsche klank aankleven, zoo als

iedere gedachte die niet uit een onwrikbare overtuiging geboren is."

»Zoo, gij ook, mijnheer," grinnikte Aristobulus Beerenkooi. »Ik wist

wel dat gij schilder, maar niet dat gij dichter waart."

»Dat staat geheel en al gelijk!" viel miss Campbell in. »De kunst is

slechts één onder verschillende vormen!"

»Maar neen.... neen!.... dat is onaanneembaar!.... Gij kunt aan al

die fabelen der oude barden niet gelooven! Hunne gekrenkte hersenen

riepen slechts denkbeeldige godheden in het leven!"

»Oh! mijnheer Beerenkooi!" riep broeder Sam zeer gebelgd

uit. »Mishandel zoo onze voorouders niet, die ons oud Schotland

hebben bezongen!"

»Leen er liever het oor aan," zei broeder Sib, die de gelegenheid

niet liet voorbijgaan om aanhalingen te doen uit het door hen beiden

zoo geliefkoosd dichtstuk:

»Ik dweep met den zang der barden. Het is voor mij bekoorlijk naar

de verhalen uit lang vervlogen tijden te luisteren. Die zijn voor

mij als de heilige kalmte van den morgenstond, als de verkwikkelijke

frischheid van den dauw, die de heuvelen bevochtigt...."

»Wanneer de zon nog slechts matte stralen op hare hellingen werpt,"

vulde broeder Sam aan. »Zij zijn voor mij, even als het stille en

blauwachtige meer in de diepte van het dal!"

De beide ooms zouden ongetwijfeld voortgegaan zijn met de verrukkelijke

verzen van Ossian aan te halen, wanneer slechts Aristobulus Beerenkooi

niet goedgevonden had, hen plotseling in de rede te vallen:

»Mijne heeren!" vroeg hij, »hebt gij wel ooit eens een dier geesten

ontmoet, die u zoo verrukken? Neen! En zijn ze te zien? Ook niet,

nietwaar?"

»Daarin dwaalt gij, mijnheer," antwoordde miss Campbell, die haren

tegenstanders geen haarbreed wilde toegeven, »en ik beklaag u, dat

gij ze nog nimmer bespeurd hebt. Men ziet ze verschijnen door geheel

Schotland. Zij glijden langs de verlaten glens; zij stijgen op uit

de diepte der ravijnen; zij zweven huppelend langs de oppervlakte der

meren; zij spelen in de vreedzame wateren der Hebriden; zij dartelen

te midden van de stormen, die de noordsche winter hier aanbrengt. En

ziet ge, die Groene Straal, dien ik zoo hardnekkig najaag, waarom

zou die niet de sjerp kunnen zijn van de een of andere Valkyrie,

die bij den horizont in de wateren der zee sleept?

»Waarachtig niet!" riep Aristobulus Beerenkooi uit. »Neen, dat niet! Ik

zal u uitleggen, wat uw Groene Straal is...."

»Doe het niet, mijnheer," antwoordde miss Campbell met drift, »ik

wil het niet weten!"

»Jawel, jawel!" riep Aristobulus Beerenkooi, geheel en al meegesleept

door zijn geest van dispuut.

»Ik verbied het u stellig!...."

»Ik zal het u toch zeggen, miss Campbell. Wanneer de laatste straal,

dien de zon werpt, als de bovenrand van hare schijf den horizon raakt,

groen is, dan komt dit wellicht uit het feit, dat hij door eene dunne

waterlaag van de zee glijdt en daarvan de kleur opneemt...."

»Zwijg...., mijnheer Beerenkooi!...."

»Of het moest zijn, dat de groene kleur geheel natuurlijk volgde

op het purperrood van de schijf na haar plotselinge verdwijning, en

waarvan het netvlies van ons oog den indruk bewaard heeft. Gij weet,

dat in de gezichtkunde het groen de aanvullingskleur is van het rood!"

»Och mijnheer, uw natuurkundige redeneeringen...."

»Mijn redeneeringen komen geheel en al met den aard der dingen

overeen," antwoordde Aristobulus Beerenkooi. »Ik ben juist bezig

een verhandeling over dit onderwerp op te stellen, die ik eerstdaags

zal uitgeven."

»Kom, laten wij weggaan!" zei miss Campbell, werkelijk vertoornd,

tot hare ooms. »Die mijnheer Beerenkooi zou mij met zijn uitleggingen

mijn Groenen Straal bederven!"

Olivier Sinclair wendde zich toen tot den pedanten geleerde:

»Mijnheer," zei hij, »ik denk dat uw verhandeling nopens den Groenen

Straal voorzeker belangrijk zal zijn; maar veroorloof mij u op een

anderen arbeid te wijzen, die misschien nog belangwekkender is."

»En welke dan, mijnheer?" vroeg Aristobulus Beerenkooi, terwijl hij

zich op zijn hakken verhief, evenals een haan op zijn sporen.

»Gij zult voorzeker weten, dat eenige geleerden het zoo belangrijke

vraagstuk: Over den invloed van den staart der visschen op de golvingen

der zee wetenschappelijk behandeld hebben?...."

»Mijnheer!!!...."

»Welnu, er is nog een ander werk, dat ik u ook in het bizonder

aanbeveel, om in geleerde overweging te worden genomen. Dat luidt:

Over den invloed van de blaasinstrumenten op het ontstaan der stormen."

De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht · 第 33 / 68 题