HET LEVEN TE JONA.

Intusschen kwam Jona--dat oudtijds het Golfeiland genoemd werd--met

zijn heuvel, die den Abt heette, en een hoogte van niet meer dan vier

honderd voet boven de oppervlakte der zee bereikte, al meer en meer

te voorschijn, en naderde de stoomboot het thans met snelheid.

Het was ongeveer middag, toen de Pioneer bij een kleinen dam aanlegde,

die van rotsen opgetrokken was, welke ter nauwernood vierkant bekapt

waren, en er slijmerig groen van het water uitzagen. De passagiers

ontscheepten, het meerendeel evenwel slechts kortstondig, om een uur

later weer te vertrekken, en langs de zeeëngte van Mull naar Oban

terug te keeren; de anderen evenwel, slechts weinigen--de lezer weet

hoeveel--met het doel om te Jona te verblijven.

Eigenlijk heeft het eiland geen haven. Een steenen kade beschermt

een kleinen inham tegen de deining uit volle zee. Dat is alles. Daar

zoeken gedurende het fraaie seizoen eenige plezierjachten en de

visschersschuiten, die deze streken afvisschen, bescherming tegen

den machtigen golfslag.

Miss Campbell en haar reisgezellen, lieten de overige toeristen,

die slechts twee uur voor zich hebben om het eiland te bezichtigen,

aan hun lot over, en beijverden zich onverwijld om een doelmatig

onderkomen te vinden.

Men moest evenwel niet te veeleischend zijn. Te Jona is de comfort,

welke in de rijke steden van het Vereenigd Koninkrijk aangetroffen

wordt, nagenoeg onbekend.

En inderdaad, het geheele eiland Jona heeft geen grootere

uitgestrektheid dan van drie mijl lengte, en van één breedte, en telt

ter nauwernood vijfhonderd inwoners. De hertog van Argyle, wien het

eiland toebehoort, trekt er van een inkomen slechts eenige honderden

ponden. Een stad, of een dorp, zelfs een gehucht bestaat er eigenlijk

niet. Eenige verspreide huizen, voor het meerendeel slechts hutten,

schilderachtig zoo men wil, maar bekrompen oorspronkelijk, bijna zonder

vensters, terwijl het daglicht slechts door de deur toegang heeft,

met een gat in het dak, dat de rol van schoorsteen vervult, met muren,

kaal en naakt, van klipsteen opgetrokken, met een dakbedekking van

riet of van heidekruid, dat met grofvezelig zeewier wordt saamgehouden.

Wie zou echter kunnen gelooven, dat Jona in de eerste tijdperken van

de Scandinavische geschiedenis de bakermat is geweest der Druïden? Wie

zou kunnen gissen, dat na hen Sint Columban--de Ierlander, wiens naam

het eiland ook draagt--er in de zesde eeuw het eerste klooster in

Schotland stichtte, met het doel om van daar uit de nieuwe leer van

Christus te prediken, en dat monniken van Cluny daar woonden, tot

dat de Hervorming ingevoerd werd. Maar waar thans die uitgestrekte

gebouwen te vinden, die vroeger de kweekschool waren, waaruit de

bisschoppen en de groote abten van het geheele Vereenigde Koninkrijk

voortsproten? Waar thans te vinden, te midden van de hoopen puin, de

overblijfselen van de boekerij, die zoo rijk aan oude archiefstukken

was, zoo rijk aan allerlei handschriften, betrekking hebbende op de

romeinsche geschiedenis, en waaraan toen der tijd de geleerden zich

kwamen laven? Neen! thans bestaan slechts puinhoopen en bouwvallen,

waar vroeger de beschaving, die het noorden van Europa zoo veranderen

zou, hare wieg had staan. Van het Sint Columba van voorheen blijft

niets dan het tegenwoordige Jona over, dat Jona met zijn weinige

ruwe boeren, die met moeite op dien zandgrond een middelmatigen oogst

van gerst, koren en aardappelen teelen, met zijn weinige visschers,

wier sloepen de vischrijke wateren der kleine Hebriden beploegen.

»Vindt miss Campbell," vroeg Aristobulus Beerenkooi op smadelijken

toon, »dat dit nest hier op het eerste gezicht een vergelijking met

Oban kan doorstaan?"

»Wel zeker, en het is boven Oban te verkiezen!" antwoordde miss

Campbell, hoewel zij er ongetwijfeld bij dacht, dat er een bewoner

te veel op het eiland zoude wezen.

Bij gebrek van een Casino of van een hotel slaagden de gebroeders

Melvill er in, een herberg te ontdekken, die dragelijk was. Zij werd

gewoonlijk in beslag genomen door de toeristen, die zich niet tevreden

lieten stellen met den tijd, dien de boot hun beschikbaar liet om de

druïdische en christelijke bouwvallen van Jona te bezichtigen. Zij

namen dus dienzelfden dag hun intrek in het Wapen van Duncan, terwijl

Olivier Sinclair en Aristobulus Beerenkooi ieder voor zich een zoo

goed mogelijk onderkomen in een visschershut zochten.

Maar miss Campbell, het bedorven kind, was zoodanig in haar nopjes in

haar kleine kamer, welker vensters op het westen en op de zee uitzagen,

alsof zij zich op het boventerras van het hooge torentje van Helenaburg

bevond; in ieder geval was zij er liever dan in het salon van het

Caledonian Hôtel. Als zij aan haar venster zat, dan ontwikkelde

zich voor haren blik een gezichteinder, welks cirkelvorm door geen

enkel eilandje gebroken werd, en met een beetje verbeeldingskracht

kon zij zich op drie mijl afstands de Amerikaansche kust voor oogen

tooveren, hoewel die aan de andere zijde van den Atlantischen Oceaan

was gelegen. Waarlijk, de zon had daar een schoone gelegenheid,

om in al haar pracht onder te gaan!

Het gemeenschappelijk leven was dus gemakkelijk en spoedig

geregeld. Men zou gezamenlijk de maaltijden in de eetkamer van

de herberg nuttigen. Volgens een oud eerbiedwaardig gebruik namen

juffrouw Bess en Partridge bij hun meesters plaats aan tafel. Misschien

liet Aristobulus Beerenkooi daarover eenige verwondering blijken,

Olivier Sinclair vond dat heel natuurlijk. Hij had zelfs reeds eenige

genegenheid opgevat voor die beide dienaren, die ook hem begonnen

lief te krijgen.

Toen leidde dat gezin het oude Schotsche bestaan in zijn geheele

eenvoudigheid. Na de wandeluren rondom en door het eiland, na de

verhandelingen over den ouden tijd, waartusschen Aristobulus Beerenkooi

nimmer naliet zijn moderne wetenschap te luchten, vereenigde men zich

aan het gemeenschappelijk diner dat te twaalf uur en aan het avondmaal,

dat te acht uur genuttigd werd. Dan kwam de zonsondergang, en miss

Campbell ging dien steeds waarnemen, welk weer het ook was. Het kan

toch zijn, wie weet dat een opening zich in de lagere wolkenmassa

voordeed, een scheur, een spleet, in één woord, een kleine ruimte om

den laatsten straal doortocht te verleenen.

Maar welke maaltijden deed men daar te Jona! De Caledonische

lekkerbekken van Walter Scott bij het diner van Fergus Mac-Gregor,

of bij het avondmaal van Oldbeck den Oudheidkundige, zouden geen

aanmerkingen te maken hebben gehad op de spijzen, die volgens de

kookwijze van het oude Schotland toebereid waren. Juffrouw Bess en

Partridge gevoelden zich alsof zij in den loop der tijden een eeuw

terug gevoerd waren en achtten zich gelukkig, alsof zij ten tijde

hunner voorouders geleefd hadden. Broeder Sam en broeder Sib ontvingen

met een genadig goedkeuren en met een blijkbaar genoegen de heerlijke

gerechten, die vroeger bij de familie Melvill in eere waren.

En ziehier de gesprekken die in de eetkamer plaats vonden:

»Nog een weinig van die »cakes" van havermeel, die anders smakelijker

zijn dan de dodderige gebakken van Glasgow."

»Nog een weinig van die »sowens", die nog steeds door de bergbewoners

in de Hooglanden gegeten worden."

»Nog wat van die »haggis", die door onzen grooten dichter Burns

waardiglijk als de eerste, de beste, de meest vaderlandlievende van

al de puddings van geheel Schotland in zijn verzen bezongen is."

»Nog wat van die »cockylecky!" O! al is de haan, die het bestanddeel

er van uitmaakt, een weinig taai, de er bij gevoegde peertjes zijn

overheerlijk."

»Mag ik voor de derde maal van dien »hotpotch", die beter smaakt dan

welke schotel ook van Helenaburg!"

Waarachtig men at goed in het Wapen van Duncan. Men moest evenwel

alle twee dagen voorraad opdoen van de stoombooten, die den dienst

langs de kleine Hebriden verrichten. Maar men dronk ook goed.

Men moest de gebroeders Melvill zien met het glas in de hand, elkanders

gezondheid drinken en zich inschenken uit de groote kannen, die een

inhoud van niet minder dan vier engelsche pinten hebben en waarin

de »usquebaugh", het nationale bier bij uitnemendheid, schuimde,

of de »hummok", die bepaald voor hen gebrouwen werd! En de whisky,

uit gerot graan getrokken, waarvan de gisting zich in de maag der

drinkebroers schijnt voort te zetten! En had ook al het krachtige bier

ontbroken, dan nog zouden zij zich met eenvoudige »mum", uit graan

gestookt, vergenoegd hebben, of wel met »two-penny", die altijd met

een glaasje gin opgefleurd kon worden. Waarlijk zij dachten er niet

aan de sherry en den portwijn van de kelders van Helenaburg of van

Glasgow te betreuren!

En al beklaagde Aristobulus Beerenkooi, meer verslaafd aan het moderne

comfort, zich ook meer dan betamelijk was, niemand bewees hem de eer

zijn klacht aan te hooren.

Viel hèm de tijd lang, voor de anderen snelde hij met spoed heen en

mejuffrouw Campbell pruttelde niet meer over de dampen die iederen

avond de kim benevelden.

Neen, Jona is niet groot; maar is er wel veel ruimte noodig voor

hem, die slechts zuivere lucht zoekt? Kan men de onmetelijkheid van

een koninklijk park niet in een kleinen tuin vinden? Men wandelde

dus. Olivier Sinclair nam hier en daar dan een landschap op. Miss

Campbell keek bij het schilderen toe en zoo vloog de tijd om.

De 26, 27, 28 en 29ste Augustus snelden voorbij zonder een oogenblik

verveling veroorzaakt te hebben. Dat oorspronkelijk bestaan kwam

geheel met het wilde eiland overeen, welks woeste rotsen voortdurend

door de golven van den Oceaan gebeukt werden.

Miss Campbell gevoelde zich gelukkig, de nieuwsgierige, praatzuchtige

wereld der badplaatsen ontvlucht te zijn. Zij ging uit, zoo als zij

in het park van Helenaburg rondgedrenteld zou hebben, gekleed met

het »rokelay," hetwelk haar als een mantille omgaf en het kapsel

met de eenige »snod" versierd, een lint in de haren gewonden, dat

den jeugdigen schotschen schoonen zoo lief staat. Olivier Sinclair

bewonderde natuurlijk haar bevalligheid, en de bekoorlijkheid van haar

persoon. Hij ondervond die aantrekkingskracht en gevoelde heel goed,

waarheen die hem zou voeren. Dikwijls dwaalden beiden tot aan het

uiterste einde van het strand van het eiland. Zij keuvelden dan, zij

keken, zij droomden, en bevonden zich, soms onbewust, aan de uiterste

grens, waar de golven het zeewier komen lekken. Bij zwermen vlogen

dan de schotsche duikertjes, de »tamnie-mories" op, wier eenzaamheid

zij stoorden, de »pictarnies", die kleine vischjes bespieden, welke

door de aanrollende vloedgolf op het strand geworpen worden en de

Bussan-vogels, wier zwarte vederen-tooi door witte vleugeltoppen en

gelen kop en hals aangenaam afgewisseld wordt, en die de voornaamste

vertegenwoordigers zijn der zwemvliesvoetigen van de vogelenwereld

der Hebriden.

Wanneer dan na zonsondergang, die nog steeds door eenige dampen

beneveld werd, de avond inviel, welke bekoorlijkheid was er dan niet

voor miss Campbell en de haren, om de eerste uren van den stillen

nacht op het eenzame strand door te brengen! Zij zagen dan de sterren

aan den horizon verschijnen en met haar keerden al de herinneringen

uit de gedichten van Ossian weer. Te midden van de plechtige stilte

hoorden miss Campbell en Olivier Sinclair de twee broeders beurtelings

de coupletten over den ongelukkigen Fingal, dien bardenzang opzeggen:

»O ster, gezellin van den nacht, wier schitterend gelaat door de

westelijke wolken heenboort en die als in een vurige baan op het

hemel-azuur voortschrijdt, zeg, wat ziet gij in de vlakte?"

»De stormwind, die over dag loeide, zwijgt; de bedarende golfslag

kruipt als het ware aan den voet der rotsen; de avondmuggen, op

hunne lichte vleugelen gedragen, vervullen de stilte der lucht met

hun gegons."

»Schitterende ster, wat aanschouwt gij in de vlakte? Maar ik zie u

reeds met een glimlach den horizon naderen. Vaarwel, stilzwijgende

ster, vaarwel!"

En dan zwegen broeder Sam en broeder Sib en dan keerden allen naar

hunne kleine kamer in de herberg terug.

Hoe weinig helderziend de gebroeders Melvill ook waren, zoo zagen

zij toch, dat Aristobulus Beerenkooi juist in de meening van miss

Campbell verloor, wat Olivier Sinclair er in won. De beide jongelieden

vermeden elkander zooveel mogelijk. De twee ooms beijverden zich dan

ook om, niet zonder moeite, die kleine wereld vereenigd te houden, om

toenaderingen te bewerken, op gevaar af zich aan een kippenkuur hunner

nicht bloot te stellen. Ja, zij zou gelukkig geweest zijn, wanneer

Beerenkooi en Sinclair elkander zochten, in plaats van elkaar te

ontvluchten, in plaats van een min of meer smadelijke terughoudendheid

jegens elkander in acht te nemen. Verbeeldden die goede sullen zich

dan, dat alle menschen broeders zijn en nog wel zij, zooals zij waren!

Zij manoeuvreerden evenwel zoo goed, dat overeengekomen werd, op den

30sten Augustus gezamenlijk de bouwvallen van de kerk, van het klooster

en van het kerkhof te gaan zien, die ten noordoosten en ten zuiden

van den Abtheuvel gelegen zijn. Deze wandeling die ternauwernood

twee uren vereischt, was nog niet door de nieuwe gasten van Jona

ondernomen. Dat kan als een inbreuk op den eerbied aangemerkt worden

jegens de legendarische schimmen van de kluizenaar-monniken, die

eertijds de hutten der kuststreek bevolkten, een gebrek aan achting

voor de groote dooden uit de koninklijke huizen, sedert Fergus II

tot aan Macbeth.

De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht · 第 31 / 68 题