DE HEERLIJKHEDEN DER ZEE.

Het was de kastelein van Caledonian-Hotel, die zich wanhopig aanstelde,

toen hij het besluit zijner gasten vernam. Oh! als hij er de macht

toe had, hoe zou baas Mac Fyne al die eilanden en die eilandjes,

die het uitzicht van Oban aan de zeezijde benemen, hebben laten uit

elkaar springen. Hij troostte zich evenwel, toen zij vertrokken waren

met aan de andere gasten zijn leedwezen te betuigen, dat hij zulke

dwazen geherbergd had.

Te acht uur des morgens stapten de gebroeders Melvill, miss Campbell,

juffrouw Bess en Partridge aan boord van den »swift-Steamer Pioneer,"

zooals dat vaartuig op de prospectussen genoemd werd en dat het

eiland Mull zoude rondvaren, om Jona en Staffa aan te doen en des

avonds weer te Oban terug te zijn.

Olivier Sinclair was zijn tochtgenooten vooruitgesneld, had spoedig

de inschepingsplaats bereikt en wachtte hen op de brug, die zich van

de eene raderkast van de stoomboot tot de andere uitstrekte.

Ten opzichte van Aristobulus Beerenkooi was geen sprake van deze reis

geweest. De gebroeders Melvill hadden hem toch van dat overhaaste

vertrek verwittigd. Dat was een eenvoudige beleefdheidsvorm, en wij

weten het, die heeren waren de meest beleefden van de geheele wereld.

Aristobulus Beerenkooi had de mededeeling van de beide ooms nog al

koel aangehoord en had zich eenvoudig met een dankbetuiging vergenoegd,

zonder zich over zijne plannen uit te laten.

De gebroeders Melvill hadden dan ook afscheid van hem genomen met

de gedachte, dat, al toonde hun gunsteling ook een groote mate van

terughouding, en al had miss Campbell een soort van afkeer tegen hem

opgevat, dat alles vergeten zou zijn, wanneer maar bij het eindigen van

een fraaien herfstdag de zon onberispelijk zou zijn ondergegaan. Dat

was ten minste hunne opvatting, en het eiland Jona zou hen niet in

den steek laten.

Toen al de passagiers aan boord waren, werden na het derde gegil van

de stoomfluit de trossen losgegooid, en stevende de Pioneer de baai

uit, om zuidwaarts door de zeeëngte van Kerrera te sturen.

Er was een groot aantal van die toeristen aan boord, die twee of

driemaal 's weeks, door dat overheerlijk uitstapje rondom het eiland

Mull aangetrokken worden. Miss Campbell en haar metgezellen zouden

hen reeds bij de eerste aanlegplaats verlaten.

En inderdaad, zij waren ongeduldig om te Jona aan te komen, in dat

nieuwe oord, alwaar zij hunne waarnemingen zouden hervatten. Het weer

was prachtig en de zee kalm als een meer. De overtocht zou gunstig

zijn. Wanneer deze avond de verwezenlijking van hun verlangen niet

medebracht, welnu! het besluit was genomen; zij zouden zich op het

eiland inrichten en geduldig afwachten. Daar zou het scherm steeds

omhoog gehaald en allen tot de voorstelling gereed zijn. Alleen slecht

weer zou tot uitstel doen besluiten.

Om kort te gaan, vóór het middaguur zou het doel der reis bereikt

zijn. De vlugge Pioneer stevende de straat Kerrera door, rondde

de zuid-punt van het eiland, doorkliefde de Firth of Lorne in haar

breedste gedeelte, liet het eiland Colonsay met zijn oude abdy, die

door de beroemde Lords der eilanden in de veertiende eeuw gesticht

werd, ter linkerzij liggen, stoomde langs de zuidkust van Mull, welk

eiland als een buitensporige groote krab scheen, die gestrand zoude

zijn, en wier ééne schaar zich lichtelijk naar het zuidwesten wendde.

De Ben More vertoonde zich gedurende een kort oogenblik ter hoogte

ongeveer van drie duizend vijf honderd voet boven de verafgelegen

heuvelen, die zich woest en steil voordeden, terwijl hun hellingen

slechts het heidekruid tot natuurlijke bedekking had, en zijn ronde

top die weilanden beheerschte, welke met rundvee als bezaaid zijn. De

Ardanalish-top bedekte hem plotseling voor het gezicht met zijn

zware massa.

Toen trad het schilderachtige Jona in het noord-westen op den

voorgrond, op het uiteinde van den zuidelijken knijper van Mull

gelegen. De Atlantische oceaan, strekte zich verder onmetelijk en

verheven naar het westen uit.

»Houdt gij van den Oceaan, mijnheer Sinclair?" vroeg miss Campbell

aan haren jeugdigen metgezel, die bij haar op de brug van de Pioneer

gezeten was en met haar dat prachtige schouwspel bewonderde.

»Of ik van den Oceaan houd, miss Campbell?!" riep hij uit. »Jazeker,

en ik behoor niet tot de ongevoeligen, die er het gezicht eentonig

van vinden! Voor mij bestaat er niets, wat meer afwisseling biedt

dan zijn aanblik; maar men moet hem onder zijn verschillend voorkomen

weten te beschouwen. Waarlijk, de zee vertoont zooveel verschillende

nuanceeringen, die zoo verwonderlijk geleidelijk in elkander smelten,

dat het voor den schilder de grootste moeielijkheid oplevert, dat

geheel, hetwelk zoo eentonig schijnt en toch zoo afwisselend is, weer

te geven. Het is veel moeilijker dan het schilderen van een gelaat,

hoe beweeglijk de trekken zich ook mogen voordoen."

»Ja waarlijk," zei miss Campbell, »de zee verandert voortdurend van

gedaante onder het minste zuchtje, dat voorbijsnelt, en onder de

lichtstralen, die haar op ieder uur van den dag onder verschillende

hoeken treffen."

»Zie haar thans, miss Campbell," hernam Olivier Sinclair. »Zij

is nu volmaakt kalm! Zou men niet zeggen het fraaie gelaat eener

ingeslapen schoone, waarvan niets de reinheid besmet. Zij vertoont

geen enkelen rimpel; zij is jong, zij is schoon! Of liever, het is

een onmetelijke spiegel, waarin het uitspansel weerkaatst, en waarin

God zich zien kan!"

»Ja, een spiegel, maar waarvan de glans, helaas, te dikwijls door

den adem des storms verdoofd wordt," vulde miss Campbell aan.

»Maar dat is het, wat de groote afwisseling in het voorkomen van den

Oceaan vormt!" antwoordde Olivier Sinclair. »Laat de wind slechts

matig opsteken, dan zal dat gelaat veranderen; het zal zich met

rimpels overdekken, het schuim der golftoppen zullen het als met

witte haren tooien, in een oogenblik zal het veranderd schijnen,

het zal een eeuw tellen, maar immer indrukwekkend blijven met zijn

grillige lichteffecten, en zijn borduursels van helder wit schuim!"

»Gelooft gij, mijnheer Sinclair," vroeg miss Campbell, »dat een

schilder, een groot schilder meen ik, er in slagen zou al de

schoonheden der zee op het doek te brengen?"

»Neen, dat geloof ik niet, miss Campbell! Hoe zou hij dat kunnen? De

zee heeft werkelijk geen kleur. Zij is slechts een weerkaatsing van den

hemel! Is zij blauw? Toch kan men haar met blauw niet weergeven! Is zij

groen? Neen, ook met groen niet! Men zou haar eerder kunnen treffen,

wanneer zij woedend is, wanneer zij somber, vaalbleek, boos is. Dan

is het alsof de hemel al die wolken in de wateren mengt, die hij er

boven uitgespannen houdt. Oh! miss Campbell, hoe meer ik den Oceaan

beschouw, hoe meer verheven ik hem vind. Oceaan! dat woord zegt alles;

dat beteekent onmetelijkheid! Hij verbergt in zijn schoot de onpeilbare

diepten, onbegrensde weilanden, waarbij de onze ledig en verlaten

schijnen, zegt Darwin. Wat zijn, in vergelijking met hem, de meest

uitgestrekte vastlanden? Het zijn slechts eilanden, die hij met zijn

wateren omgeeft. Hij bedekt vier vijfden van den aardbol! Door een

soort van onafgebroken omloop--even als een levend schepsel, welks

hart bij de evenachtslijn klopt--voedt hij zich zelf met de dampen,

die van hem uitgaan. Hij onderhoudt de bronnen, die door de stroomen

tot hem wederkeeren, of die in vorm van regen den schoot weer bereiken,

waaruit zij geboren werden! Ja, de Oceaan, dat is de onbegrensdheid,

de onmetelijkheid, die men niet ziet, maar die men gevoelt, volgens

de uitdrukking des dichters, onmetelijk als de ruimte, die hij in

zijn wateren weerkaatst!"

»Oh! ik hoor u zoo gaarne met die geestdrift spreken, mijnheer

Sinclair," antwoordde miss Campbell, en wezenlijk, »ik deel die

geestdrift ten volle! Ja, ik houd evenveel van de zee als gij!"

»En zoudt gij niet vreezen haar gevaren te trotseeren?" vroeg Olivier

Sinclair.

»Neen waarlijk niet, ik zou niet bang zijn! Kan men vrees koesteren

voor hetgeen men bewondert?"

»Gij zoudt een moedige reizigster zijn!"

»Misschien, mijnheer Sinclair," antwoordde miss Campbell. »In

ieder geval, van al de reizen, welker verhalen ik gelezen heb,

geef ik de voorkeur aan die, welke ontdekkingen in de verre zeeën

tot doel hebben. Hoe dikwijls heb ik die niet in gezelschap met de

groote zeevaarders doorgestevend! Hoe dikwijls ben ik niet met hen

dat onmetelijk onbekende ingedrongen--wel is waar in de gedachte

slechts, maar ik ken, dunkt mij, niets meer benijdenswaardig, dan de

levensbestemming van die zeehelden, die zoo groote ontdekkingen deden,

zoo groote zaken tot stand brachten!"

»Ja, miss Campbell, er is in de geschiedenis der menschheid niets

schooner dan die ontdekkingen! Den Atlantischen Oceaan voor de eerste

maal met Columbus oversteken; de Stille Zuidzee met Magelaan en Tasman,

de Poolzeeën met Parry, Franklin, d'Urville, Heemskerk en zoo veel

anderen! Oh! wat een droom! Ik kan geen vaartuig zien vertrekken, of

het een oorlog- of een koopvaardijschip of een eenvoudige visscherspink

is, zonder dat mijn geheele wezen trilt, zonder dat ik een onmetelijk

verlangen in mij voel opkomen, om mij aan boord in te schepen! Ik

geloof, dat ik in de wieg gelegd ben, om zeeman te zijn, en dat die

loopbaan niet de mijne geworden is, betreur ik dagelijks innig!"

»Maar hebt gij minstens op zee gereisd?" vroeg miss Campbell.

»Zooveel het mij mogelijk geweest is," antwoordde Olivier Sinclair. »Ik

heb de Middellandsche zee bezocht van af Straat Gibraltar tot de

Levantsche stapelplaaten; ik heb den Atlantischen Oceaan een weinig

doorkruist tot Noord-Amerika; vervolgens heb ik de Noordelijke zeeën

van Europa bevaren, en ik kan er mij op beroemen, dat ik al deze

wateren hier ken, die de natuur zoowel aan Engeland als aan Schotland

zoo mild verkwist heeft...."

»Zoo mild en zoo prachtig, mijnheer Sinclair!"

»Ja zeker, miss Campbell, en ik weet geen land te vergelijken

met deze streken onzer Hebriden, waartusschen ons stoomschip ons

doorvoert! Het is een ware archipel, wel is waar met een minder

blauwen hemel dan de Oostersche, maar meer dichterlijk, wanneer

hij in zijn geheel genomen wordt met zijn woest rotsgesteente,

met zijn nevelachtigen dampkring. De grieksche archipel heeft het

licht geschonken aan een heel gezelschap van goden en godinnen. Dat

is zoo. Maar gij zult gelieven op te merken, dat het slechts zeer

burgerlijke godheden waren, die nog al positief waren uitgevallen,

en van een stoffelijk bestaan hielden, en daarbij in weerwil van hun

pretmaken, goed aanteekening hielden van de uitgaven. Volgens mij was

de Olympus aan een salon gelijk, waarvan de bezoekers, hoewel goden,

toch nog al uiteenloopend van stand waren, zoodat het gezelschap

wel gemêleerd was. Het was een vergadering van goden die te veel

op menschen geleken, wier zwakheden hun aankleefden! Zoo is het

niet op onze Hebriden. Die zijn het verblijf van bovennatuurlijke

wezens! De scandinavische godheden zijn onstoffelijk, éthérisch, zij

hebben ontastbare vormen, maar geen lichamen. Daar is Odin, Ossian,

Fingal, in éen woord, de geheele zwerm dier dichterlijke geesten,

uit de Sagas-boeken ontsnapt! Wat zijn die figuren schoon, die in

onze herinnering te midden der nevelen der poolzeeën, te midden der

noordsche sneeuwstormen kunnen te voorschijn getooverd worden! Dat is

een meer goddelijke Olympus dan die grieksche poespas. De onze heeft

niets aardsch, en zoekt men naar een waardig verblijf voor zulke

gasten, dan moeten de Hebriden gekozen worden. Ja, miss Campbell,

het zou hier zijn, dat ik onze godheden zou gaan aanbidden, en als

echte zoon van ons Oud-Caledonië, zou ik onzen archipel met zijn

twee honderd eilanden, zijn met dampen bezwangerd uitspansel, zijn

woeste vloedgetijen, die de warmte van den Golfstroom aanbrengen,

niet ruilen voor al de eilanden-zeeën van het Oosten!"

»En hij behoort ons Schotten der Hooglanden wel toe!" antwoordde miss

Campbell, geheel ontvlamd door de vurige geestdrift van den jongen man,

»aan ons, Schotten van het graafschap Argyle. Ah! mijnheer Sinclair,

evenals gij bemin ik onzen Caledonischen archipel hartstochtelijk! Hij

is overheerlijk, en ik bemin die eilandenzee tot in haar woede!"

»En die woede is inderdaad verheven!" juichte Olivier Sinclair. »Niets

weerstaat het geweld der windvlagen, die er op los stormen, na

ongehinderd een ruimte van drie duizend mijl afgelegd te hebben! Het

is de Amerikaansche kust, die tegenover de Schotsche kust gelegen

is! Wanneer daar, aan de overzij van den Atlantischen Oceaan, de

groote stormen ontstaan, dan ontketenen zij hier de aanvallen der

aanrollende golven en de huilende winden, die zich op westelijk

Europa storten. Maar wat kunnen zij tegen onze Hebriden, die veel

stoutmoediger zijn dan die man, van wien Livingstone spreekt, die geen

leeuwen vreesde maar die bang was voor den oceaan. Nu, onze eilanden

behoeven niet bang te zijn; zij, met hun stevige graniet-grondvesten,

kunnen lachen om het geweld van storm en zee!..."

»De zee!.... Een scheikundige verbinding van zuurstof met waterstof,

met anderhalf percent chloruur van sodium! Niets zoo schoon als de

woede van chloruur van sodium!"

Miss Campbell en Olivier hadden zich bij het hooren van die woorden,

die blijkbaar tot hen gericht waren, en als een antwoord op hun

geestdrift klonken, omgekeerd.

Aristobulus Beerenkooi stond daar achter hen op de brug.

Dat lastige mensch had het verlangen niet kunnen weerstaan, om te

gelijkertijd met miss Campbell Oban te verlaten, omdat hij wist dat

Olivier Sinclair haar naar Jona begeleidde. Hij had dan ook gezorgd

vóór hen aan boord te zijn, en had zich gedurende den geheelen

overtocht in het salon opgehouden, en kwam nu naar boven toen het

eiland in het gezicht was.

De woede van het chloruur van sodium! Welk een wetenschappelijke

vuistslag in de droomerijen van Olivier Sinclair en miss Campbell!

De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht · 第 29 / 68 题