NIEUWE PLANNEN.

De terugtocht naar Oban werd onder veel minder aangename omstandigheden

volbracht dan de heenreis naar het eiland Seil. Men was vertrokken

in den waan van een goeden uitslag te verkrijgen en men kwam terug

onder den invloed eener teleurstelling.

Kon de tegenspoed, die miss Campbell ondervond, door iets gelenigd

worden, dan was het dat hij door Aristobulus Beerenkooi veroorzaakt

was. Zij had het recht dien grooten schuldige met verwijten te

overladen, en hem de uitwerksels van haren toorn te doen gevoelen. En

zij maakte van dat recht gebruik. De gebroeders Melvill zouden het

niet gewaagd hebben, hem bij haar te verontschuldigen. Neen! het

vaartuig van dien lomperd, waaraan niemand zijn aandacht geschonken

had, was gekomen juist op het oogenblik, dat de zon haar laatsten

straal schoot, om den horizon voor de waarnemers te bedekken! Ziet,

dat zijn van die zaken, die niet vergeten kunnen worden!

Het behoeft niet gezegd, dat Aristobulus Beerenkooi die, na die

lompheid, zich nog een spotternij met betrekking tot den Groenen

Straal veroorloofd had, weer in zijn sloep was gestapt, om naar

Oban terug te zeilen. En hij had daarin zeer wijselijk gehandeld;

want meer dan waarschijnlijk zou men hem geen plaats in de kalès,

zelfs niet in het bakje van achteren, aangeboden hebben.

Zoo had dus de Zonsondergang tweemaal plaats gehad, onder

omstandigheden, waarbij de waarneming van het natuurverschijnsel

een onmogelijkheid bleek. Reeds twee maal had de vurige blik van

miss Campbell zich te vergeefs blootgesteld aan de schitterende

liefkoozingen der dagvorstin, die een beneveling van haar gezicht

voor den duur van eenige uren veroorzaakten! Eerst had de redding

van Olivier Sinclair, nu de voorbijtocht van Aristobulus Beerenkooi

haar een gelegenheid doen missen, die zich wellicht in langen tijd

niet weer zou voordoen! In beide gevallen waren, wel is waar, die

verhinderende omstandigheden niet gelijk geweest, waardoor zij den

eenen met zooveel vuur verontschuldigde, als zij den andere hard

viel. Wie zou den moed hebben, haar van partijdigheid te betichten?

Den volgenden ochtend wandelde Olivier Sinclair, in zijn droomerijen

verzonken, op het strand te Oban.

Wie was toch die mijnheer Aristobulus Beerenkooi! Een bloedverwant

van miss Campbell en der gebroeders Melvill? Of slechts een vriend? In

ieder geval was het toch een bekende in huis, dat was wel op te maken

uit de wijze waarop miss Campbell zich aan haar verwijtingen over zijn

onhandigheid overgegeven had. Welnu wat kon hem, Olivier Sinclair,

dat schelen? Wanneer hij wilde weten waaraan zich daaromtrent te

houden, dan had hij immers slechts broeder Sam of broeder Sib te

ondervragen.... Maar dit was het juist wat hij wenschte te vermijden

en wat hij dan ook niet deed.

Toch ontbraken hem de gelegenheden daartoe niet; want iederen dag

ontmoette hij de twee broeders, die steeds te zamen wandelden; want

niemand kon er zich op beroemen ooit den eenen zonder den anderen

ontmoet te hebben. Somtijds begeleidden zij hunne nicht bij haar

wandelingen op het strand. Men keuvelde over duizenderlei zaken, maar

voornamelijk over het weer, hetgeen bij de gegeven omstandigheden

en personen precies geen onderwerp genoemd kan worden, om over

te praten zonder iets te zeggen. Zou men ooit nog in dit seizoen

een dier kalme avonden beleven, wier terugkeer men bespiedde om

weer naar het eiland Seil te gaan? Het was te betwijfelen. Want

inderdaad, sedert die twee prachtige avonden van den 2den en den

14den Augustus, heerschte slechts ongestadig weer, vertoonden zich

slechts onweerswolken; de warmte veroorzaakte dichte dampen bij de

kim, die door electriciteitsontladingen verscheurd werden, en zoo die

niet den gezichteinder bedekten, dan waren het dichte avondnevels,

in een woord, het alles te zamen was wel geschikt om een leerling

in de sterrenkunde die zich aan zijn kijker vastklemt en van een

herziening van de hemelkaart droomt, tot vertwijfeling te brengen!

Waarom niet ronduit bekennen, dat de jonge schilder nu even zoo verzot

op den Groenen Straal was als miss Campbell? Hij had dat stokpaardje

in gezelschap van dat schoone lieve meisje bestegen. Hij dwaalde

thans met haar in de onmetelijke uitgestrektheid van het luchtruim

rond. Hij koesterde die gril met niet minder vuur, om niet te zeggen:

met niet minder ongeduld dan zijn jeugdige gezellin. Oh! hij was geen

Aristobulus Beerenkooi, wiens brein verloren was in de nevelachtige

hoogten en diepten der hoogere wetenschap en koesterde geen

geringschatting voor een eenvoudig optisch natuurverschijnsel. Beiden

begrepen elkander en beiden verlangden tot die zeldzaam bevoorrechte

wezens te hooren, die door de verschijning van den Groenen Straal

vereerd zouden worden.

»O! wij zullen hem zien, miss Campbell," herhaalde Olivier Sinclair,

»wij zullen hem zien, al moest ik hem zelf gaan ontvonken! Want goed

gerekend, is het mijn schuld, dat hij u dien eersten keer ontsnapte,

en ik ben net zoo schuldig, als die mijnheer Beerenkooi.... uw

bloedverwant.... geloof ik?"

»Neen.... mijn verloofde.... zoo als het schijnt," antwoordde dien

dag miss Campbell in de grootste verwarring, terwijl zij zich met

eenigen spoed verwijderde, om zich bij haar ooms te voegen, die te

zamen iets vooruit kuierden en elkander een snuifje aanboden.

Haar verloofde! De uitwerking door dat eenvoudig antwoord, maar nog

meer door den toon, waarop het gegeven werd, op Olivier Sinclair

te weeg gebracht, was merkwaardig! Welnu, wat zou dat? waarom

zou dat jeugdige pedante wezen haar verloofde niet zijn? Onder die

omstandigheden kon ten minste zijn tegenwoordigheid te Oban verklaard

worden. Dat hij zoo onbehendig geweest was, om zijn persoon tusschen

de ondergaande zon en miss Campbell te plaatsen, daaruit volgde nog

niet... Wat volgde daar niet uit? Waarachtig, Olivier Sinclair zou wel

verlegen gestaan hebben, wanneer hij die vraag had moeten beantwoorden.

Na twee dagen afwezig geweest te zijn, was Aristobulus Beerenkooi

intusschen weer te voorschijn gekomen. Olivier Sinclair zag hem

verscheidene malen, als hij in gezelschap der gebroeders Melvill

wandelde, die hem geen kwaad hart hadden blijven toedragen. Hij scheen

goed bevriend met hen te zijn. De jeugdige geleerde en de jeugdige

artist hadden elkander reeds herhaaldelijk, hetzij op het strand,

hetzij in de salons van het Caledonian-Hôtel ontmoet. Eindelijk waren

de twee ooms er toe overgegaan hen aan elkander voor te stellen.

»Mijnheer Aristobulus Beerenkooi, van Dumfries!"

»Mijnheer Olivier Sinclair, van Edinburg!"

Die plichtpleging had den beiden jongelieden een middelmatigen groet

gekost, een van die eenvoudige hoofdbuigingen, waaraan het lichaam in

een bovenmatige stijve houding geen deel neemt. Klaarblijkelijk zou

nimmer eenige sympathie tusschen die twee uiteenloopende karakters

geboren worden. De een verdiepte zich in 's Blaue hinein, alsof hij

sterren wilde plukken; de andere beijverde zich, de loopbanen van die

sterren te berekenen; de een als artist zocht geen wetenschappelijken

roem te verwerven, de andere vervaardigde zich van de wetenschap een

voetstuk, waarop hij de houding van een beroemd man aannam.

Wat miss Campbell aangaat, zij mokte tegen Aristobulus Beerenkooi. Was

hij in de nabijheid, dan deed zij of zij zijn tegenwoordigheid

niet bemerkte; ging hij voorbij, dan wendde zij zichtbaar het hoofd

af. In één woord, zij bejegende hem met al de stijfheid der Britsche

vormelijkheid. De gebroeders Melvill gaven zich veel moeite om weer

goed te maken, wat het schoone kind bedierf. Volgens hun meening zou

dat alles wel weer te recht komen, vooral wanneer die grillige straal

zich maar wilde vertoonen.

In afwachting daarvan nam Aristobulus Beerenkooi Olivier Sinclair met

scherpen blik op, over zijn brilleglazen heen. Dat is een zeer gewone

wijze van handelen bij de kortzichtigen, die steeds willen waarnemen

en zien, zonder er den schijn van te hebben. En wat nam hij waar? De

overgroote zucht van den jonkman om zich in de nabijheid van miss

Campbell te bevinden, het vriendelijk onthaal, dat het jonge meisje

hem bij iedere gelegenheid bereidde. Dit alles stond hem voorzeker

niet aan. Maar aan zijn bekoorlijkheden niet twijfelende, was hij

niet ongerust, en hield zich op den achtergrond.

Bij den ongestadigen dampkring, bij den barometer, welks wijzer geen

rustpunt kon vinden, en zich slechts in de nabijheid van »veranderlijk"

bewoog, werd aller geduld wel op een harde proef gesteld. Er werden

nog twee of drie uitstapjes naar het eiland Seil ondernomen, in de

hoop om, al was het maar voor weinige oogenblikken, bij zonsondergang

een geheel wolkeloozen horizon aan te treffen. Het was vergeefsche

moeite! Het eenige wat de teleurstelling lenigde, was dat Aristobulus

Beerenkooi er geen deel aan nam. Zoo werd het 23 Augustus, zonder

dat het luchtverschijnsel de moeite genomen had, zich te vertoonen.

Toen werd die gril een allesbeheerschend denkbeeld, dat ieder ander

uitsloot. Het had er wel wat van of onze bekenden bezeten waren. Zij

droomden er dag en nacht van en wel zoo, dat er voor een nieuwe soort

monomanie gevreesd werd, en dat in een tijd dat die soorten reeds

ontelbaar zijn. Onder dien geestesdwang, veranderden alle kleuren in

een eenige: de blauwe hemel scheen groen, de wegen waren groen, het

strand was groen, de rotsen waren groen, het water en de wijn waren

zelfs groen als absinth. De gebroeders Melvill verbeeldden zich, dat

zij in het groen gekleed waren, en zagen elkander voor groote groene

papegaaien aan, die groene snuif uit een groene snuifdoos snoven. In

één woord was het een groene waanzin! Zij waren allen met een soort

daltonisme geslagen, en de professoren in oog- en gezichtkunde zouden

daar een heerlijk onderwerp aangetroffen hebben, om zeer belangrijke

behandelingen in hun oogheelkundige werken op te nemen. Dat kon niet

lang meer zoo duren.

Olivier Sinclair kwam gelukkig op een gedachte.

»Miss Campbell," zei hij dien dag, »en gij heeren Melvill, vergeeft

mij, maar mij dunkt, dat wij, alles wel beschouwd, zeer slecht te

Oban zijn om het natuurverschijnsel in kwestie waar te kunnen nemen."

»Aan wien de schuld?" vroeg miss Campbell, waarbij zij met strengen

blik de beide misdadigers monsterde, die de oogen verlegen neersloegen.

»Hier te Oban is geen zeehorizon!" hernam de jonge schilder. »Vandaar

de verplichting om dien op het eiland Seil te gaan opzoeken, op gevaar

af om er niet te zijn, wanneer wij er wezen moesten!"

»Dat 's helder als de dag!" antwoordde miss Campbell. »Inderdaad,

ik begrijp niet, waarom mijn ooms juist dit verschrikkelijk oord voor

onze waarneming gekozen hebben!"

»Waardste Helena!" prevelde oom Sam, die in zijn verlegenheid eigenlijk

niet wist wat te antwoorden. »Wij hadden gedacht...."

»Ja.... wij hadden.... hetzelfde gedacht...." vulde broeder Sib aan,

alsof hij hem te hulp wilde komen.

»Dat de zon zich verwaardigen zou, ook ten aanschouwe van Oban,

in de golven onder te gaan...."

»Daar Oban toch aan den zeeoever gelegen is!"

»Dat alles hebben mijn ooms slecht bedacht," antwoordde miss Campbell,

»zeer slecht bedacht, daar de zon, zooals gij ziet, er niet in zee

ondergaat."

»Waarlijk!" hernam broeder Sam. »Er doen zich van die ongelukseilanden

voor, die den gezichtskring beperken!"

»Gij hadt toch het plan niet om die eilanden te doen

springen....?" vroeg miss Campbell.

»O! als dat mogelijk was geweest, zou het reeds geschied

zijn!" antwoordde broeder Sib op vastberaden toon.

»Wij kunnen toch op het eiland Seil niet gaan kampeeren!" merkte

broeder Sam op.

»En waarom niet?"

»Waarde Helena, als ge dat volstrekt wilt...."

»Ja, volstrekt!"

»Kom, laten wij dan vertrekken!" antwoordden broeder Sam en broeder

Sib met gelatenheid.

En die beide goedige onderworpen wezens verklaarden, dat zij gereed

waren om dadelijk Oban te verlaten. Maar Olivier Sinclair kwam

tusschen beiden.

»Miss Campbell," zei hij, »veroorloof mij, dat ik in meening met u

verschil. Er valt heel wat beters te doen, dan zich op het eiland

Seil te gaan vestigen."

»Spreek, mijnheer Sinclair, en wanneer uw raad beter is, dan zullen

mijn ooms niet weigeren hem op te volgen, daarvan ben ik verzekerd."

De gebroeders Melvill maakten een hoofdbuiging, die zóó volmaakt

gelijktijdig was, dat die twee ooms nooit meer op elkander geleken

dan in dat oogenblik.

»Het eiland Seil," hernam Olivier Sinclair, »is waarlijk niet geschikt

om er te kunnen wonen, al was het maar voor weinige dagen. Zijt

gij in de noodzakelijkheid om geduld te oefenen, miss Campbell,

dan behoeft gij dat toch niet ten koste van uw welzijn te doen. Ik

heb bovendien opgemerkt, dat ook te Seil de gezichteinder door de

gesteldheid der kusten eenigermate beperkt is. Wanneer wij tegen

aller verwachting langer moeten wachten dan wij hopen, wanneer ons

verblijf tot eenige weken zou moeten aangroeien, zou de zon, die thans

meer en meer naar het zuiden afzakt, achter het eiland Colonsay of

achter het eiland Oronsay of zelfs achter het groote Islay ondergaan,

en zou onze waarneming ook door gebrek aan een voldoende kim even

onmogelijk worden."

»Waarlijk," zei Miss Campbell, »dat zou de genadeslag moeten heeten!"

»Maar dien kunnen wij ontgaan, wanneer wij een oord opzoeken, buiten

den Hebriden-archipel gelegen, een oord, dat de onmetelijkheid van

den geheelen Atlantischen Oceaan voor zich heeft."

»Kent gij zoo'n oord, mijnheer Sinclair?" vroeg miss Campbell met

levendigheid.

De gebroeders Melvill hingen aan de lippen van den jonkman. Wat ging

hij antwoorden? Waarheen voor den drommel zou die gril hunner nicht

hen bij slot van rekening voeren? Op welke uiterste grens van de

beschaafde wereld zouden zij zich moeten vestigen, om aan dat vreemde

verlangen te voldoen?

Olivier Sinclair stelde hen al dadelijk gerust, althans voorshands.

»Er bestaat een oord, miss Campbell," zei hij, »niet ver van hier, dat

naar mijn meening alle mogelijke voorwaarden in zich vereenigt. Het

is achter de hoogten van Mull gelegen, die nu den gezichteinder van

Oban ten Westen beperken. Het is een der kleine Hebriden-eilanden,

dat het verste in den Atlantischen Oceaan uitspringt, het is het

bekoorlijke eiland Jona."

»Jona!" riep miss Campbell uit. »Jona! hoort ge niet, oom Sam, oom

Sib? Zijn we er nog niet?"

»Wij zullen er morgen zijn," antwoordde broeder Sib.

»Morgen vóór zonsondergang," bevestigde broeder Sam.

»Kom, op reis dan!" zei miss Campbell, »en vinden wij te Jona dien

uitgestrekten gezichteinder niet, dien wij verlangen, dan zullen

wij een ander punt der kuststrook opzoeken van af John O'Groats,

het meest noordelijke einde van Schotland tot Landsend, de meest

zuidelijke punt van Engeland toe en als wij dan niet vinden, dan...!"

»Wel dan zullen wij een reis rondom de wereld maken, dat is zeer

eenvoudig," lachte Olivier Sinclair.

De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht · 第 27 / 68 题