OLIVIER SINCLAIR.

Olivier Sinclair was een »mooi man," volgens de vroeger gebruikelijke

uitdrukking in Schotland, wanneer van flinke, behendige en vlugge

jongelieden gesproken wordt. Maar die uitdrukking was hier niet

alleen toepasselijk op het innerlijke, maar ook op het uiterlijke

van den jonkman.

Laatste afstammeling uit een achtenswaardige familie van Edinburg,

was deze jeugdige spruit uit het Noordsch Athene, de zoon van een

ouden raadsheer in de hoofdstad van Mid-Lothian. Al vroeg ouderloos,

was hij opgevoed geworden door zijn oom, een der vier baljuws van

het stedelijk bestuur, en had zeer goede studiën aan de Hooge School

gemaakt. Toen hij twintig jaar oud was, en ten gevolge van een

matig fortuin geheel onafhankelijk, voelde hij den wensch opkomen,

om de wereld te zien, en bezocht dientengevolge de voornaamste staten

van Europa, van Indië en van Amerika, en nam de beroemde Revue van

Edinburg herhaaldelijk volgaarne zijn reis-aanteekeningen in hare

kolommen op. Hij was een verdienstelijk schilder, die, wanneer hij

slechts wilde, voor zijn werken hooge prijzen zou kunnen verwerven,

en was ook dichter op zijn tijd. Wie is dat niet in dien zaligen

leeftijd der jeugd, waarin alles iemand toelacht? Hij had een warm

hart, daarenboven een kunstenaarsziel, en behaagde iedereen, zonder

moeite daarvoor te doen en zonder opgeblazenheid.

In de hoofdstad van Oud-Caledonië is het niet moeielijk in het

huwelijk te treden. Want de getal-verhoudingen der beide geslachten

zijn daar zeer ongelijk, en het zwakkere staat, wat getalsterkte

aangaat, ver boven het sterkere. Een goed onderwezen en opgevoed,

beminnelijk jongmensch, van een aangenaam uiterlijk, kan daar meer

dan één rijke erfdochter naar zijn smaak aantreffen.

En toch scheen Olivier Sinclair, hoewel hij reeds zes en twintig jaar

oud was, nog geen roeping voor het huwelijksleven te gevoelen. Kwam hem

het levenspad te nauw voor om dit, elleboog tegen elleboog gesloten,

af te wandelen? Voorzeker neen, maar het is meer waarschijnlijk,

dat hij er meer van hield de dwars- of zijwegen in te slaan, volgens

zijn luim voort te schrijden, een luim die met zijn kunstenaarsziel

wel eens grillig kon genoemd worden. Het voorkomen van Olivier

Sinclair was echter wel geschikt, om nog meer dan enkel een gevoel

van overeenstemming bij de een of andere jonge blonde dochter van

Schotland op te wekken. Zijn elegante leest, zijn open gelaat,

zijn vrijmoedig uiterlijk, zijn mannelijke wezenstrekken, die van

veel wilskracht getuigden, hoewel de oogopslag van zachtmoedigheid

sprak, de bevalligheid zijner bewegingen, de voornaamheid zijner

manieren, de gemakkelijke en geestige wijze om zich uit te drukken,

de ongedwongenheid van zijn gang, de glimlach, die hem om de lippen

speelde, dat alles in één woord moest een jeugdig hart tot hem

aantrekken. Hij giste al die voordeelen niet, was volstrekt niet

verwaand of kwasterig, en dacht er niet aan zijn bestaan aan een

ander vast te ketenen. Maar niet alleen dat zijn uiterlijk een zoo

gunstige waardeering bij den vrouwelijken Clan van »Auld Reeky" [1]

ondervond, hij was ook zeer gezien bij de gezellen zijner jeugd, bij

zijn medestudenten van de Hoogeschool, en had, volgens de overschoone

gaëlische uitdrukking, den naam verworven, van »nimmer den rug naar

vriend of vijand toe te keeren."

Evenwel moet erkend worden, dat hij juist dien dag bij den aanval

den rug naar miss Campbell toekeerde. Het is waar, miss Campbell was

noch zijn vijandin noch zijn vriendin. Op de plaats, die hij innam,

had hij dan ook den bal onmogelijk kunnen zien aankomen, die door

het jonge meisje zoo heftig was voortgestuwd. Zoo kon het gebeuren,

dat die nieuwe soort granaat het doek in het volle midden trof en

het geheele schilderstoestel het onderste boven wierp.

Reeds bij den eersten blik had miss Campbell haren »held" van de

Corryvrekan-kolk herkend, maar de held kon onmogelijk de jeugdige

passagieres van de Glengarry herkennen. Ter nauwernood had hij

miss Campbell bij het einde van den overtocht van het eiland Scarba

naar Oban aan boord ontwaard. Indien hij evenwel geweten had, welk

persoonlijk aandeel zij aan zijn redding genomen had, dan zou hij

haar, al was het maar uit beleefdheid, van harte bedankt hebben:

maar hij wist het niet, en waarschijnlijk zou hij daaromtrent altijd

onkundig blijven.

Want inderdaad, dien zelfden dag verbood--ja, dit is het woord--verbood

miss Campbell uitdrukkelijk, zoowel aan hare ooms als aan juffrouw

Bess, alsook aan Partridge, ooit in tegenwoordigheid van dien jonkman,

eenige toespeling te maken op hetgeen vóór en na de redding aan boord

van de Glengarry was voorgevallen.

Middelerwijl hadden de gebroeders Melvill na dat ongelukkig toeval

met den bal, zich bij hunne nicht vervoegd, en waren zoo mogelijk

nog meer uit het veld geslagen dan het jonge meisje. Zij begonnen

met verontschuldigingen te stamelen jegens den jongen schilder,

toen deze hen in de rede viel, zeggende:

»Mejuffrouw... Mijnheeren... ik verzeker u, dat het zoo veel woorden

niet waard is!"

»Mijnheer..." zei broeder Sib met aandrang. »Wij zijn waarlijk

ontsteld...."

»En wanneer de ramp onherstelbaar is, zooals het zich laat aanzien

...." voegde Sam er bij.

»Het is slechts een klein ongeluk en geen ramp!" antwoordde de jonkman

lachende. »Het was slechts kladwerk, anders niet: ik verzeker het

u. De bal heeft volkomen gerechtigheid gepleegd!"

Olivier Sinclair sprak die woorden zoo welgemoed uit, dat de gebroeders

Melvill hem gaarne dadelijk de hand zouden gereikt hebben, wanneer

dat zoo zonder voorafgaande plichtpleging had kunnen geschieden. Nu

meenden zij verplicht te zijn de een aan den anderen voor te stellen,

zoo als dat onder fatsoenlijke lieden betaamt.

»Mijnheer Samuel Melvill," zei de een.

»Mijnheer Sebastiaan Melvill," zei de ander.

»En hunne nicht, miss Campbell," voegde Helena er bij, die zich er

niet om bekreunde of zij wellicht ook de welvoegelijkheid te kort deed,

door zich zelve voor te stellen.

Dat was een uitnoodiging tot den jonkman gericht, om ook zijn namen

en kwaliteit bekend te maken.

»Miss Campbell en mijn heeren Melvill," sprak hij met den meest

mogelijken ernst, »ik zou kunnen volstaan met te zeggen, dat ik »Fock"

heet, zoo als een der piketpaaltjes van uw spel, daar ik door den bal

ben aangeraakt geworden. Maar openhartig, ik heet Olivier Sinclair."

»Mijnheer Sinclair," hernam miss Campbell, die niet recht wist, hoe zij

dit antwoord moest opvatten. »Nogmaals bied ik u mijn verontschuldiging

aan voor..."

»En de onze ook," riepen de gebroeders Melvill.

»Miss Campbell," antwoordde Olivier Sinclair, »ik herhaal dat het

niets te beduiden heeft. Ik zocht een effect van deinende golven op

het doek te brengen, en het is waarschijnlijk dat uw bal, even als de

spons van ik weet niet meer welken schilder der oudheid, het gezochte

effekt heeft te weeg gebracht, wat mijn penseel niet kan bereiken."

Dat werd op zoo'n vriendelijken toon gezegd, dat miss Campbell en de

gebroeders Melvill moesten lachen.

Olivier Sinclair raapte het doek op, dat evenwel geheel onbruikbaar

gemaakt was. Hij moest dus opnieuw beginnen.

Het zal niet overbodig zijn op te merken, dat Aristobulus Beerenkooi

zich weerhouden had, aan de wisseling van die verontschuldigingen en

beleefdheidsvormen deel te nemen.

De partij was geëindigd en de jeugdige geleerde was nijdig, dat hij

zijn theoretische kennis niet in overeenstemming met zijn practische

bekwaamheid had kunnen brengen. Hij nam afscheid om weer naar zijn

hotel terug te keeren; men zou hem in drie, vier dagen niet ziet,

want hij vertrok naar het eiland Luing, een der kleine Hebriden,

dat ten zuiden van het eiland Seil gelegen was, en alwaar hij uit

een geologisch oogpunt de rijke leigroeven wilde bestudeeren.

Hij kon zich dus niet overgeven aan zijn uitleggingen over de

projectielen-baan, wat hij voorzeker zou gedaan hebben, wanneer de

gelegenheid zich daartoe had voorgedaan.

Olivier Sinclair vernam toen, dat hij niet geheel en al een onbekende

was voor de gasten van Caledonian Hotel, en hij werd vervolgens op

de hoogte gebracht omtrent de bizonderheden van den overtocht der

Glengarry.

»Wat, miss Campbell, en gij mijn heeren!" riep hij uit, gij waart aan

boord van dat stoomschip, hetwelk mij zoo juist van pas opgevischt

heeft?"

»Ja, mijnheer Sinclair."

»En gij hebt ons wel angstig gemaakt," zei broeder Sib, »toen wij

door een groot toeval uw schuitje ontwaarden, als verloren te midden

van den maalstroom van de Corryvrekan-kolk."

»Neen, geen toeval maar goddelijke bestiering," zei broeder Sam,

»en waarschijnlijk zonder de tusschenkomst van...."

Door een teeken gaf miss Campbell te kennen, dat zij niet als

redster wenschte op te treden. De rol van onze lieve Vrouw der

Schipbreukelingen zou zij nimmer willen vervullen.

»Maar mijnheer Sinclair, hoe kon die oude visscher, die u vergezelde,

zoo onvoorzichtig zijn," vroeg broeder Sam, »om zijn vaartuig in die

vreeselijke stroomingen te sturen?...."

»Welker gevaren hij toch moest kennen, daar hij in deze streken te

huis hoort?" vulde broeder Sib aan.

»Schort uw oordeel, heeren Melvill," antwoordde Olivier Sinclair. »de

onvoorzichtigheid kwam van mijn kant, en is mij alleen te wijten. Een

oogenblik vreesde ik, dat ik oorzaak van den dood van dien braven kerel

zou zijn! Maar er waren zulke wonderlijke kleuren op de oppervlakte

van die keerstroomingen, waar de zee aan een onmetelijk kantwerk

gelijk was, uitgespreid op een blauwzijden ondergrond! En zonder er

gevaar in te zien, naderde ik al meer en meer, om te midden van dat

lichtend schuim eenige nieuwe schakeeringen op te vangen. En ik ging

al meer en meer vooruit, steeds vooruit. De oude visscher bespeurde

het gevaar wel, hij hield mij vertoogen, hij wilde naar de kust

van het eiland Jura terugkeeren; maar ik had er geen ooren naar,

totdat ons vaartuig in den stroom geraakte en onweerstaanbaar naar

de kolk gesleept werd. Wij wilden die aantrekkingskracht weerstand

bieden!.... Mijn makker werd door een golf gewond, en kon mij dus

niet meer helpen, en ongetwijfeld zonder de aankomst van de Glengarry,

zonder de toewijding van haren kapitein, zonder de menschlievendheid

der passagiers zouden wij, mijn visscher en ik, reeds tot de legende

behooren, en onze namen op de doodenlijst van de Corryvrekan-kolk

prijken!"

Miss Campbell had, zonder een woord te laten ontsnappen, den jonkman

aangehoord. Verscheidene malen vestigde zij haar schoone oogen op

hem. Hij van zijn kant vermeed haar met zijn blikken te hinderen. Zij

kon een glimlach niet onderdrukken, toen hij zijn jacht, of beter

zijn visscherij op zeeschakeeringen schetste. Vervolgde zij ook

niet een dergelijk droombeeld, wel is waar minder gevaarlijk? Was de

jacht op den groenen Straal ook niet een jacht op een schakeering,

niet der zee maar van het luchtgewelf? Zelfs de gebroeders Melvill

maakten er de opmerking van en verhaalden het motief, dat hen naar

Oban gevoerd had, namelijk de waarneming van een natuurverschijnsel,

waarvan men den aard aan den jongen schilder mededeelde.

»De Groene Straal!" riep Sinclair uit.

»Zoudt gij hem reeds gezien hebben, mijnheer?" vroeg het jonge meisje

levendig. »Zoudt gij hem reeds gezien hebben?"

»Neen, miss Campbell," antwoordde Olivier Sinclair. »Ik weet zelfs niet

of er ergens een Groene Straal bestaat! Neen, waarlijk niet! Welnu,

ook ik wensch hem thans te zien. De zon zal geen enkele maal meer

achter de kim wegduiken, zonder dat ik daarvan getuige zal zijn! En

ik zweer bij Sint Dunstan! dat ik geen ander groen op mijn palet zal

gebruiken, dan het groen van dien laatsten straal!"

Het was moeilijk uit te maken, of Olivier Sinclair hier niet een weinig

spot bedoelde, of dat hij zich door zijn kunstzin liet vervoeren. Een

geheime stem fluisterde miss Campbell toe, dat de jonkman niet spotte.

»Mijnheer Sinclair," sprak zij, »de Groene Straal is mijn eigendom

niet. Hij schittert voor iedereen! Hij verliest niets in waarde,

omdat hij zich aan verschillende belangstellenden te gelijkertijd

vertoont. Wij zouden dus kunnen trachten hem samen te zien."

»Zeer gaarne, miss Campbell!"

»Maar, gij zult zeer veel geduld moeten oefenen."

»Welnu, dat zullen wij! Wij zullen...."

»Niet mogen vreezen om pijn aan de oogen te krijgen," zei broeder Sam.

»Mij dunkt dat de Groene Straal wel waard is, dat er aan te wagen,"

antwoordde Olivier Sinclair, »en ik zal Oban niet verlaten, zonder

hem gezien te hebben, dat beloof ik."

»Wij zijn reeds naar het eiland Seil gegaan, om dien Straal

waartenemen, maar een klein wolkje benevelde de kim, juist op het

oogenblik toen de zon onderging."

»Dat was een ware noodlottigheid!"

»Ja, inderdaad een noodlottigheid, mijnheer Sinclair; want sedert

dien dag hebben wij geen volmaakt helderen dampkring meer gehad."

»Wij moeten den moed niet laten zakken, miss Campbell. De zomer is nog

niet ten einde en voor dat het kwade seizoen zal ingetreden zijn, zal

de zon wel de mildheid hebben ons haren Groenen Straal te vertoonen,

weest daar verzekerd van."

»Moet ik u alles bekennen, mijnheer Sinclair?" hernam miss

Campbell. »Welnu, wij zouden in den avondstond van den 2den Augustus

dien Groenen Straal zeker op de kim van de Corryvrekan kolk hebben

kunnen waarnemen, wanneer onze aandacht niet ware afgeleid door een

zekere redding...."

»Wat, miss Campbell, ik zou lomp genoeg geweest zijn om in zoo'n

oogenblik uw blikken af te leiden! mijn dwaze onvoorzichtigheid komt

u den Groenen Straal te staan. Maar dan moet ik u verontschuldiging

aanbieden, en ik betuig u hiermede mijn leedwezen over die ontijdige

verschijning van mijn persoon! Wees verzekerd, dat het niet weer

zal gebeuren."

En men keuvelde over koetjes en kalfjes, terwijl men naar het

Caledonian Hotel terug wandelde, waarin ook Olivier Sinclair zeer

toevallig den vorigen avond, bij zijn terugkeer van een uitstapje in

de omstreken van Dalmaly, zijn intrek had genomen. Het jonge mensch,

wiens ronde manieren en wiens aanstekelijke opgeruimdheid de gebroeders

Melvill volstrekt niet mishaagden, kwam in den loop van het gesprek

er toe om van Edinburg en van zijn oom den baljuw Patrick Oldimer te

praten. Toen bleek het, dat de gebroeders Melvill vroeger gedurende

eenige jaren met den baljuw Oldimer hadden omgegaan. Weleer hadden

vriendschappelijke banden tusschen de beide familiën bestaan,

die alleen door den verren afstand van elkander gestaakt waren

geworden. Men was elkander dus niet meer vreemd. Olivier Sinclair

ontving dan ook de uitnoodiging om de vriendschapsbanden met de

Melvills te vernieuwen, wat hij gaarne deed, vooral omdat er geen

enkele reden bestond, om zich elders dan te Oban te vestigen. Hij

verklaarde dan ook, dat hij er blijven wilde, om deel te nemen aan

de opsporing van den befaamden Straal.

Miss Campbell, de gebroeders Melvill en hij ontmoetten elkander

veelvuldig op het strand van Oban in de daarop volgende

dagen. Te zamen deden zij waarnemingen omtrent de vermoedelijke

weersveranderingen. Tien keeren op een dag raadpleegden zij den

barometer, die wel eenige neiging tot stijgen vertoonde. En waarlijk,

in den morgen van den 14den Augustus overschreed de beminnenswaardige

wijzer van het instrument dertig duim en zeven tiende.

Met welk gevoel van tevredenheid bracht Olivier Sinclair die goede

tijding aan miss Campbell! De hemel was helder en rein als het oog

eener madonna. Een fraai azuur tintte het uitspansel, zacht overgaande

in de meest uiteenloopende nuanceeringen van af het indigo- tot het

ultramarijn-blauw! Geen enkele damp van hygrometrischen aard was te

bespeuren. Het vooruitzicht bestond, dat de avond overheerlijk zou

zijn, en dat men een zonsondergang zou genieten, zoo scherp zuiver,

als de sterrenkundigen van eenige sterrenwacht zouden kunnen verlangen!

»Als wij nu bij zonsondergang onzen straal niet zien zullen, dan

moeten wij blind zijn!" zei Olivier Sinclair.

»Hoort gij, waarde oompjes!" zei miss Campbell. »Hoort gij wel,

het zal van avond plaats hebben!"

Men kwam overeen dat men vóór het diner naar het eiland Seil zou

vertrekken, wat dan ook tegen ongeveer vijf uur geschiedde.

Miss Campbell zat overgelukkig met den niet minder gelukkigen Olivier

Sinclair en de gebroeders Melvill, die zich ook al vroolijk en tevreden

gevoelden in het rijtuig, dat hen over den schilderachtigen weg naar

Glachan voerde. Men zou waarlijk kunnen beweren, dat zij de zon met

zich op den bok van het rijtuig voerden, en het vierspan, dat flink

voortspoedde, de vurige paarden van Apollo, den god des dags, waren!

Op het eiland Seil aangekomen, hadden de reeds bij voorbaat verrukte

waarnemers een gezichteinder voor zich, waarvan de helderheid door

niets bevlekt werd. Zij kozen tot waarnemingspost het uiteinde van

een zeer smalle kaap, die zich een mijl ver in zee uitstrekte en twee

kleine inhammen in de kust van elkander scheidde. Niets kon daar over

een vierde gedeelte van den gezichtseindersboog het panorama van het

westen belemmeren.

»Hij kan ons dus niet ontsnappen, die grillige straal, die zoo veel

preutschheid aan den dag legt om zich te laten zien," zei Olivier

Sinclair.

»Dat geloof ik ook," antwoordde broeder Sam.

»En ik ben er zeker van," vulde broeder Sib aan.

»En ik hoop het," uitte miss Campbell, terwijl zij den vlekkeloozen

hemel en de zee beschouwde, die zich daar eenzaam voor haar

uitstrekte. Waarlijk, alles kondigde aan dat het natuurverschijnsel

zich bij zonsondergang in al zijn pracht zou vertoonen. Reeds daalde

de schitterende dagvorstin langs een schuine lijn, en bevond zich nog

slechts weinige graden boven den horizon. Haar roode schijf tintte

den achtergrond van het uitspansel gelijkmatig als met vuur en trok

een lange verblindende streep over de oppervlakte van het kalme water

der zee.

Allen stonden daar opgetogen over dat fraaie gezicht, de verschijning

af te wachten, en zagen de zon, die langzaam, aan een overgrooten

luchtsteen gelijk, onderdook. Plotseling ontsnapte een onwillekeurige

kreet aan miss Campbell, die met een angstigen uitroep, door de

gebroeders Melvill en door Olivier Sinclair uitgestooten, beantwoord

werd.

Een sloep kwam van achter het eilandje Eastdale, dat in de nabijheid

als aan den voet van het eiland Seil gelegen is. Die sloep stevende

langzaam westwaarts. Haar zeil, als in een vuurscherm gevat, stak

helder boven de kim uit. Zou dat nu de zon gaan bedekken, juist op

het oogenblik, dat zij zou ondergaan?

Het was hier een kwestie van seconden. Men kon niet meer terug, om

rechts of links een andere waarnemingsplek te kiezen, ten einde de zon

weer ongehinderd te kunnen aanschouwen. Daartoe was geen tijd meer,

de geringe oppervlakte der kaap liet niet toe zich zoover te bewegen

om weer in de as der zon te geraken.

Miss Campbell was wanhopig over dien tegenspoed. Zij liep heen en weer

over de rotsen, terwijl Olivier Sinclair door buitensporige gebaren

de aandacht van den opvarende dier sloep tot zich zocht te trekken,

en zoo hard hij kon schreeuwde, dat zij hun zeil zouden strijken.

Alles te vergeefs. Men zag hem niet en men kon hem onmogelijk

hooren. De sloep, door een zachte bries voortgestuwd, stevende steeds

westwaarts op.

Juist toen de bovenrand der zonneschijf zou verdwijnen, gleed het

zeil der sloep tusschen haar en de toeschouwers, en werd zij door

dat ondoorzichtbaar trapezium bedekt.

Dat was een ware teleurstelling! Ditmaal had de Groene Straal te

midden van die zuivere kim geschitterd. Hij was evenwel afgestuit op

dat lompje zeil, zonder het voorgebergte te kunnen bereiken, alwaar

zoo vele blikken hem gretig bespiedden.

Miss Campbell, Olivier Sinclair en de gebroeders Melvill stonden

daar als versteend op die plek, teleurgesteld als zij waren, en meer

verbitterd dan zulk een ongelukkig toeval eigenlijk wel waard was. Zij

vergaten werkelijk heen te gaan, en verwenschten dat vaartuig en de

personen die er in waren.

De sloep legde evenwel aan in een kleine kreek van het eiland Seil,

die zich aan den voet van het voorgebergte bevond.

Een passagier sprong daaruit in dit oogenblik, en liet aan boord twee

zeelieden, die hem van het eiland Luing langs den weg der volle zee

overgevoerd hadden. Hij naderde langs het strand en beklom de voorste

rotsen, met het doel om het uiteinde der kaap te bereiken.

De onwelkome gast had voorzeker de groep waarnemers, die op het plat

van het voorgebergte stond, herkend; want hij groette de aanwezigen

met een gebaar dat een zekere gemeenzaamheid verried.

»Mijnheer Beerenkooi!" riep miss Campbell.

»Hij! was hij het?!" riepen de gebroeders Melvill.

»Wie kan die mijnheer zijn?" dacht Olivier Sinclair.

Ja, het was Aristobulus Beerenkooi in persoon, die een wetenschappelijk

uitstapje, dat verscheidene dagen geduurd had, naar het eiland Luing

had gemaakt.

Het zal wel onnoodig zijn te zeggen, hoedanig hij verwelkomd werd door

hen, wier dierbaarsten wensch hij in zijn vervulling had verijdeld.

Broeder Sam en broeder Sib vergaten in zooverre de welvoegelijkheid,

dat zij er zelfs niet aan dachten Olivier Sinclair aan Aristobulus

Beerenkooi voor te stellen. Zij sloegen beiden de oogen neer en

vermochten tegenover Helena's ontevredenheid den blik niet te slaan

op dien aanstaande hunner keuze.

Miss Campbell, de kleine handjes te zamen geknepen, de armen over de

borst gekruist, keek hem aan met bliksemende oogen, zonder een woord te

spreken. Eindelijk na een poos ontsnapten deze woorden aan haren mond:

»Mijnheer Beerenkooi, gij hadt kunnen nalaten zoo van pas te komen

om een onhandigheid te bedrijven."

De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht · 第 25 / 68 题