PRAATJES VAN JUFFROUW BESS.

De terugtocht naar Oban werd in alle stilte volbracht. Miss Campbell

sprak geen enkel woord; en de gebroeders Melvill durfden den mond

niet roeren. Het was toch hunne schuld niet, dat die jobswolk juist

verschenen was om den laatsten zonnestraal te verdooven. Maar men

moest daarom niet wanhopen. Men had nog ruim zes weken van het fraaie

seizoen voor den boeg. Het zou toch ongelukkig genoemd moeten worden,

wanneer gedurende den geheelen herfsttijd geen enkele schoonen dag

met onbenevelden gezichteinder zou verschijnen!

Toch was daar een bewonderenswaardige zonsondergang verloren gegaan,

en, moest men het weerglas gelooven, dan zou een dergelijke niet zoo

spoedig weer verschijnen. En inderdaad, gedurende de nacht liep de

grillige wijzer van den aneroïde-barometer zachtkens terug tot op

»veranderlijk". Maar wat nog door iedereen mooi weer genoemd werd,

kon miss Campbell onmogelijk voldoen.

Daags daarna, den 8sten Augustus, werden de zonnestralen door warme

neveldampen gebroken en was de middagbries ditmaal niet in staat

om die dampen te verdrijven. Een schitterend purper kleurde des

avonds het uitspansel. Al de nuanceeringen smolten in elkander, van

af het chromaatgeel tot het donkere ultramarijn, en vervormden den

gezichteinder tot een schitterend en veelkleurig schilders-palet. Onder

haren sluier van kleine vlakvormige wolken, tintte de zon bij haren

ondergang den achtergrond van de kuststreek met al de kleuren van

het spectrum, behalve met die, welke de grillige en bijgeloovige miss

Campbell wenschte te zien.

En dat was zoo den volgenden en daarop volgende dagen. De kalès

bleef dus in het koetshuis van het hotel. Wat zou het ook geven

een waarneming te gemoet te ijlen, die door den toestand des hemels

onmogelijk te doen was. De hoogten van het eiland Seil konden niet

meer begunstigd zijn dan het strand van Oban, en het was beter een

zekere teleurstelling te vermijden.

Zonder nu meer kwaad geluimd te zijn dan betamelijk was, vergenoegde

miss Campbell zich bij het vallen van den avond naar hare kamer te

gaan, om daar over die weinig bereidwillige zon te pruilen. Zij

rustte dan uit van haar langdurige wandelingen en droomde met de

oogen open. Waarover? Over het sprookje dat zich aan den Groenen

Straal vastknoopte? Zou zij dien straal nog noodig hebben om helder

in haar hart te kunnen lezen? In haar hart? neen wellicht! maar in

dat van iemand anders?

Dien dag had Helena, vergezeld van juffrouw Bess, hare wandeling tot

bij de bouwvallen van Dunolly-Castle uitgestrekt, om daar verstrooiing

voor haar teleurstelling te vinden. Daar gezeten aan den voet van een

hoogen muur, die geheel en dik met klimop begroeid was, ontwikkelde

zich voor haar het meest bewonderenswaardige vergezicht op de baai van

Oban, op de woeste landouwen van Kerrera, op de eilandjes die zich als

gezaaid op de oppervlakte der Hebridenzee vertoonden, op het groote

eiland Mull, welker westelijke rotsbeddingen de eerste aanvallen

te verduren hebben van de stormen, die uit den West-Atlantischen

Oceaan opdoemen.

Miss Campbell keek naar dat prachtige vergezicht, dat daar aan haar

voeten uitgespreid lag. Maar zag zij het wel? Was er niet eenige

herinnering, die niet naliet haar te verstrooien? In ieder geval,

dit kan verzekerd worden, dat het het beeld van Aristobulus Beerenkooi

niet was, dat haar kwelde. En waarlijk, dat jeugdige pedante wezen zou

niets in zijn knollentuin geweest zijn, wanneer hij de praatjes, die

juffrouw Bess dien dag, hem betreffende, maakte, had kunnen aanhooren.

»Hij staat mij niets aan," herhaalde zij. »Neen! hij staat mij

niets aan. Hij denkt er slechts aan zich zelven te behagen? Wat een

vertooning zou die man op Helenaburg geven? Hij behoort tot den clan

der »Mac-Egoïsten" of ik heb er geen verstand meer van. Hoe hebben

de heeren Melvill ooit de gedachte kunnen koesteren, om daarvan hun

neef te willen maken? Partridge mag hem evenmin lijden als ik, en

Partridge is geen domoor! op lange na niet! Komaan, miss Campbell,

vertel eens, bevalt hij u?"

»Over wien spreekt ge?" vroeg het jonge meisje, dat naar de praatjes

van juffrouw Bess in het geheel niet geluisterd had.

»Wel, van hem, aan wien gij onmogelijk denken kunt, al was het maar

ter wille van den clan!"

»En wie is het dan toch, aan wien zou ik niet kunnen denken?"

»Heere mijn tijd! aan mijnheer Aristobulus, die beter zou doen op den

anderen oever der Tweed te gaan kijken of er ooit Campbells bestaan

hebben, die op Beerenkooien verlekkerd waren."

Gewoonlijk was juffrouw Bess niet op haar mondje gevallen; toch moest

zij zeer opgewonden zijn, om zoo in tegenspraak met hare meesters te

geraken. Het is waar, het geschiedde uit genegenheid voor hare jonge

meesteres! Zij gevoelde daarenboven wel, dat Helena niets anders dan

onverschilligheid voor dien pretendent in het hart koesterde. Maar

van een anderen kant kon zij niet gissen, dat die onverschilligheid

door een meer levendig gevoel voor een ander versterkt werd.

Misschien kwam een zweempje argwaan bij juffrouw Bess dienaangaande

op, toen miss Campbell haar vroeg, of zij te Oban, dat jonge mensch

terug gezien had, wien de Glengarry zoo gelukkiglijk hulp en redding

verleend had.

»Neen, miss Campbell," antwoordde juffrouw Bess, »ik heb hem niet

gezien; maar Partridge vermeent hem opgemerkt te hebben...."

»Wanneer?"

»Gisteren op den weg naar Dalmaly. Hij kwam met den randsel op

den rug terug, even als een artist, die op reis is! Ah! dat is

een onvoorzichtig jong mensch! Zich zoo in de nabijheid van de

Corryvrekan-kolk te wagen! dat is een slecht voorteeken voor de

toekomst. Er zal niet altijd een vaartuig in de nabijheid zijn om

hem hulp te bieden, en dan overkomt hem een ongeluk!"

»Zoudt ge dat gelooven, juffrouw Bess? Ja, hij is onvoorzichtig

geweest; maar hij betoonde moed te bezitten in die omstandigheden, en

bij het gevaar, waarin hij zich bevond, begaf hem zijn koelbloedigheid

geen enkel oogenblik!"

»Dat's mogelijk," hernam juffrouw Bess; »maar voorzeker heeft dat

jongmensch nimmer geweten, dat hij zijn redding aan u te danken

heeft. Anders zou hij toch minstens bij zijn aankomst tot u gekomen

zijn, om u te bedanken...."

»Mij bedanken?" vroeg miss Campbell. »Mij bedanken? En waarvoor? Ik

heb voor hem slechts gedaan, wat ik voor ieder ander en wat ook ieder

ander in mijn plaats zou gedaan hebben."

»Zoudt gij hem herkennen?" vroeg juffrouw Bess, terwijl zij het jonge

meisje oplettend aankeek.

»Voorzeker," antwoordde miss Campbell openhartig, »en ik wil wel

bekennen, dat het karakter van dien man, de bedaarde moed, dien hij bij

zijn verschijnen op het dek ten toon spreidde, alsof hij een oogenblik

te voren niet aan den dood ontsnapt was, de hartelijke woorden, die

hij tot zijn bejaarden metgezel sprak, terwijl hij dezen aan zijn

borst drukte, dat dit alles mij levendig getroffen heeft!"

»Maar op wien gelijkt hij toch?" vroeg de waardige

huishoudster. »Waarlijk, ik kan hem niet te huis brengen; maar dat

weet ik zeker, dat hij niet op dien mijnheer Aristobulus Beerenkooi

gelijkt."

Miss Campbell vergenoegde zich met te glimlachen zonder te

antwoorden. Zij stond vervolgens op, bleef een oogenblik onbeweeglijk,

en liet een laatsten blik tot aan de hoogten van het eiland Mull waren;

toen daalde zij, steeds vergezeld van juffrouw Bess, het stille pad

af, dat haar op den weg naar Oban terugvoerde.

Dien dag ging de zon onder te midden van een soort lichtende

stofdeeltjes, die zich, aan een net van luchtig tulleweefsel gelijk,

langs den gezichteinder uitstrekte, en werd de laatste straal der

dagvorstin door de avondnevelen opgeslorpt.

Miss Campbell keerde dus naar het hotel terug en deed het diner dat

hare ooms ter harer eer besteld hadden, weinig eer aan. Zij maakte

daarna een kleine wandeling op het strand en keerde toen naar haar

kamer terug.

De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht · 第 21 / 68 题