EEN TELEURSTELLEND WOLKJE.

Een opheldering was noodzakelijk geworden; maar daar Aristobulus

Beerenkooi met die opheldering niets te maken had, groette miss

Campbell hem koel en keerde naar het Caledonian Hotel terug.

Aristobulus Beerenkooi had het jonge meisje niet minder koel

teruggegroet. Klaarblijkelijk voelde hij zich gekrenkt, dat hij in

mededinging met een straal gekomen was, van welke kleur die dan ook

wezen mocht.

Hij keerde langs het strand naar zijn hotel terug, terwijl hij een

redevoering voor zich zelven in de meest gepaste bewoordingen hield.

Broeder Sam en broeder Sib waren volstrekt niet in hun

knollentuin. Toen zij dan ook in het kleine salon waren binnengetreden,

wachtten zij met gebukten hoofde tot dat het jonge meisje hun het

woord zoude toevoegen.

De opheldering was kort maar uitermate helder. Men was te Oban gekomen

om een zuivere kim te zien en men zag er niets of zoo weinig van,

dat het der moeite niet waard was er van te spreken.

De beide ooms konden zich slechts op hun goede trouw beroepen. Zij

kenden Oban in het geheel niet! Wie had kunnen denken dat de zee,

de ware zee daar niet te vinden was! En toch wemelde het van

badgasten. Dat was misschien het eenige punt der kust, waar, ten

gevolge van dien ongelukkigen Hebriden-archipel, de kringvormige lijn,

waar hemel en water elkander schijnen te raken, niet te zien was.

»Welnu," zei miss Campbell op een toon, dien zij zoo gestreng mogelijk

trachtte te uiten, »men had een ander punt dan Oban moeten kiezen,

al had daaraan het voordeel opgeofferd moeten worden van de ontmoeting

met mijnheer Aristobulus Beerenkooi!"

De broeders Melvill bogen instinctmatig het hoofd en beantwoordden

dien rechtstreekschen aanval niet.

»Wij gaan onze beschikkingen treffen," zei miss Campbell, »en heden

vertrekken wij nog!"

»Welnu, vertrekken wij dan!" antwoordden de twee ooms, die hunne

onbezonnenheid slechts door een geheel lijdelijke gehoorzaamheid

konden trachten goed te maken.

En volgens ouder gewoonte weerklonken weer de uitroepen:

»Bet!"

»Beth!"

»Bess!"

»Betsy!"

»Betty!"

Juffrouw Bess verscheen, vergezeld van Partridge. Beiden werden

dadelijk op de hoogte gesteld, en bij ondervinding wetende, dat

hunne jonge meesteres steeds gelijk moest hebben, vroegen zij zelfs

de redenen van dat overhaaste vertrek niet.

Maar men had zonder baas Mac-Fyne, den eigenaar van het Caledonian

Hotel, gerekend.

Men zou zelfs in het gastvrije Schotland weinig menschenkennis ten

opzichte van die achtenswaardige nijverheidslieden aan den dag leggen,

wanneer men een hunner in staat zou achten een gezin, bestaande uit

drie heerschappen en twee bedienden, te laten vertrekken, zonder alles

in het werk gesteld te hebben, om dat te behouden. En dat gebeurde

juist in deze omstandigheid.

Toen baas Mac-Fyne op de hoogte van deze ernstige zaak gebracht was,

verklaarde hij deftig, dat alles ten algemeenen genoegen geschikt

kon worden, zonder nog van zijn bizonder genoegen te spreken, dat

hij smaken zou, wanneer hij zoo edele reizigers zoo lang mogelijk

ten zijnent behouden mocht.

Wat verlangde miss Campbell en wat eischten bijgevolg de heeren

Sib en Sam Melvill? Een onbeperkt zeegezicht met uitgestrekten

gezichteinder. Niets gemakkelijker te verschaffen dan dat, daar het

slechts gold dien gezichteinder bij zons-ondergang waar te nemen. Dat

kon men van het strand van Oban niet doen! Dat is zoo! Maar zou het

voldoende zijn naar het eiland Kerrera over te steken? Neen. Het

groote eiland Mull zou ook dáár een beletsel zijn, om iets meer

dan een klein hoekje van den Atlantischen Oceaan waar te nemen,

dat bovendien nog in het zuidwesten bespeurd werd. Maar wanneer men

de kust langs wandelde, dan kwam men bij het eiland Seil, dat door

middel van eene brug met de Schotsche kust verbonden was, waarlangs

men de noordelijkste punt van het eiland kon bereiken. Daar kon

niets den gezichtskring naar den westkant en over twee vijfden van

de noordstreken van het kompas belemmeren.

Om nu op dat eiland over te gaan, gold het slechts een eenvoudige

wandeling van vier of vijf mijl, niet meer. En wanneer het weder

gunstig was, dan kon een overheerlijk rijtuig miss Campbell en haar

gevolg in een of in anderhalf uur overbrengen.

Tot bevestiging van zijn beweren, toonde de waard de kaart op groote

schaal, die in het voorportaal van het hotel aan den wand hing. Miss

Campbell kon zich dus overtuigen, dat baas Mac-Fyne geen praatjes

verkocht. En werkelijk, meer zeewaarts van het eiland Seil opende zich

een breede sector, die een derde gedeelte van die gezichteinder-lijn

bevatte, waarachter de zon wegduikt gedurende de weken, die de dag-

en nachtevening voorafgaan of onmiddellijk volgen.

De zaak kwam dan ook tot groote voldoening van baas Mac-Fyne en tot

groot gemak van de gebroeders Melvill in orde. Miss Campbell verleende

edelmoedig vergiffenis en liet zich geen enkele onaangename toespeling

op de tegenwoordigheid van Aristobulus Beerenkooi weer ontsnappen.

»Maar," merkte broeder Sam op, »het is toch op zijn minst genomen

zonderling, dat een zee-gezichteinder te Oban ontbreekt!"

»De natuur is zoo grillig!" antwoordde broeder Sib.

Aristobulus gevoelde zich ongetwijfeld zeer gelukkig, toen hij vernam,

dat miss Campbell niet elders een meer gunstige plek zou gaan opzoeken

voor haar meteorologische waarnemingen. Maar hij was zoo verdiept

in zijn vraagstukken, dat hij vergat van zijn tevredenheid te doen

blijken.

Het grillige schoone kind weet hem waarschijnlijk dank voor die

bescheidenheid, want hoewel zij geheel onverschillig voor hem bleef,

ontving zij hem toch minder koel dan bij hunne eerste ontmoeting.

Intusschen was er een lichte verandering in den toestand van den

dampkring gekomen. Wel bleef het weer op onveranderlijk »mooi",

maar toch benevelden eenige wolken, die door de middaghitte verdreven

werden, bij zonsop- en ondergang den gezichteinder. Het was dus vrij

overbodig op het eiland Seil een waarnemingspost te gaan zoeken. Dat

zou volkomen verloren moeite zijn en men moest derhalve geduld oefenen.

Miss Campbell liet hare ooms gedurende die lange dagen in gezelschap

van den bruidegom hunner keuze, en ging, somtijds door juffrouw Bess

vergezeld, maar meestal alleen op het strand van de baai dwalen. Zij

ontvluchtte volgaarne die geheele menigte van leegloopers, die de

vlottende bevolking in de badplaatsen van de geheele wereld uitmaakt,

zooals geheele huisgezinnen, wier eenige bezigheid daarin bestaat om

de zee te zien rijzen en dalen, terwijl meisjes en jongens zich met

een vrijpostigheid van houdingen, alleen in Brittannië in zwang,

in het natte zand rondwentelen; of wel ernstige en flegmatische

heeren, die in hun soms al te oorspronkelijk badkostuum rondkuieren,

en welker voornaamste bedrijvigheid kan genoemd worden, zich dagelijks

gedurende zes minuten in het zoute water van den Oceaan te dompelen;

of ook wel heeren en dames van groote achtbaarheid, die stijf en

onbeweeglijk in de teenen badstoelen gedoken, in die soort boeken

met veelkleurige bordpapieren omslagen en dien fijnen druk, waarvan

de Engelsche uitgevers eenigermate misbruik maken, zitten te turen;

verder van die voetreizigers met den kijker aan een riem over den

schouder hangende, en den helmhoed op het hoofd, de kuiten met lange

slobkousen bedekt, het zonnescherm in de hand, die vandaag aangekomen,

morgen reeds vertrokken zullen zijn. En dan te midden van die menigte,

wemelende nijverheidsbeoefenaars, wier nijverheidstoestellen bij

uitstek vervoerbaar zijn, als: elektriek-mannen, die de liefhebbers

voor een paar stuivers een aangename kitteling of een minder

aangenamen schok doen ondergaan; artisten, wier draaiorgels op

wielen, de landsdeuntjes met verwrongen Fransche airs afwisselen;

photografen in de open lucht, die bij dozijnen de oogenblikkelijke

afdrukken afleveren aan de families, die zich voor zoo'n gelegenheid

gegroepeerd hebben laten opnemen; fruitventers met hunne zwarte jassen

en fruitventsters met hare bloemruikers op den hoed, die hunne kleine

karretjes voortduwen, waarin het schoonste ooft der wereld ligt te

pronken; eindelijk minnestreels met hunne grijnzende gezichten onder

de laag schoensmeer, die het bedekt, geven volksvoorstellingen en

gillen te midden van een groep kinderen, eigenaardige klaagliederen,

welker refreinen door allen met den meesten ernst herhaald worden.

Neen, dat gewriemel van het badgastleven had voor miss Campbell

geen geheimen meer en trok haar ook niet aan. Zij vermeed zoo veel

mogelijk die gaanden en komenden, die elkander zoo vreemd schenen,

alsof zij van de vier uiteinden van Europa waren te zamen gebracht.

Wanneer hare ooms dan ook, eenigszins ongerust, haar bij zich wenschten

te hebben, dan moesten zij haar op een eenzaam strandgedeelte,

bij voorbeeld op een der vooruitspringende landspitsen, die de baai

begrenzen, gaan zoeken.

Daar zat miss Campbell dan, als de peinzende Mina uit den Zeeschuimer

met den elleboog op eenige vooruitstekende punt van een rots geleund,

het hoofd in de eene hand, en door de andere bessen latende glijden,

die zij tusschen de steenen geplukt had, alwaar de struikjes, waaraan

zij groeiden, gevonden werden. Haar verstrooide blik zweefde van

een »stack", welker rotsachtige top zich loodrecht verhief, naar de

een of andere donkere grot, een van die »helgers", zoo als men ze in

Schotland noemt, waarin de zee bij stijgenden vloed zoo'n brullend

geluid kon doen hooren.

In de verte zaten zeeraven, als in gelid gerangschikt, met de

onbeweeglijkheid alsof ze in steen gehouwen waren. Het jonge meisje

volgde hen met den blik, wanneer zij in hunne rust gestoord opvlogen

en over de kleine getijgolfjes met de punten hunner vleugels scheerden.

Waaraan dacht dan het jonge meisje? Aristobulus Beerenkooi zou

ongetwijfeld de onbeschaamdheid hebben, de meening te koesteren, dat

zij aan hem hare gedachten wijdde, welke meening door de beide ooms

in hunnen kinderlijken eenvoud zoude gedeeld zijn. En toch konden

zij zich vergist hebben.

In haar herinneringen doemden dan de gebeurtenissen bij

de Corryvrekan-kolk op. Zij zag andermaal die sloep in nood, de

Glengarry, die de zeeëngte inschoot, om hulp te bieden. Zij voelde

andermaal de aandoeningen, die haar hart zoo hadden doen kloppen,

die dat hart zoo hadden samengesnoerd, wanneer de schipbreukelingen

in de uitholling tusschen twee golven verdwenen.... Dan verscheen de

redding haar vervolgens voor den geest, het zoo behendig uitgeworpen

touw, die bevallige jonkman, die minder ontroerd was dan zij, en kalm

en glimlachend op het dek sprong, terwijl hij de passagiers van de

boot met vriendelijk gebaar groette.

Voor een dichterlijk brein bestond daar de kiem van een roman,

maar het had er alles van, alsof de roman bij het eerste hoofdstuk

zou blijven steken. Het begonnen boekdeel was plotseling tusschen de

schoone handen van miss Campbell dichtgeslagen. Op welke bladzij zoude

zij het weer kunnen openen, nu »haar held," aan den een of anderen

Wodan uit de Gaëlische heldentijdperken gelijk, verdwenen en niet

meer te voorschijn getreden was?

Maar had zij hem wel te midden van die onverschillige menigte,

die op het strand van Oban wemelden, gezocht? Misschien. Maar,

had zij hem gevonden? Neen. Hij zou haar ongetwijfeld niet kunnen

herkennen. Om welke reden zou hij haar aan boord van de Glengarry

opgemerkt hebben? Waarom zou hij tot haar gekomen zijn? Hoe zou hij

hebben kunnen raden, dat hij zijn redding grootendeels aan haar

verschuldigd was? En zij was het toch, die vóór alle anderen het

vaartuigje in nood ontwaard had; zij was het, die den kapitein het

eerst gesmeekt had, hulp te gaan bieden. En in werkelijkheid was die

omstandigheid haar dien avond zeer waarschijnlijk op de waarneming

van den Groenen Straal te staan gekomen!

Dit was inderdaad zoo goed als zeker.

Gedurende de drie eerste dagen na de aankomst der familie Melvill

te Oban, zou de dampkring de wanhoop opgewekt hebben van de

sterrenkundigen der sterrenwachten van Edinburg of Greenwich. Het was

of het uitspansel met katoenvlokken bekleed was door den nevel, die

nog meer misleidde en teleurstelde dan wolken het konden doen. Noch

kijkers, noch telescopen van de meest machtige afmetingen, noch de

reflector van Cambridge, evenmin als die van Parsontown, zouden

er in geslaagd zijn, het oog gelegenheid te geven dien nevel te

doorboren. De zon alleen zou de kracht bezitten haar stralen er door

te schieten; maar bij haren ondergang verdikte zich die nevel bij

den gezichteinder. Het geheele westen werd dan met het heerlijkste

en schitterendste purper overgoten, en het was dan den Groenen Straal

onmogelijk, het netvlies van het oog des waarnemers te bereiken.

In de droomerijen van miss Campbell smolten, ten gevolge van haar

grillige verbeelding, de schipbreukeling van de Corryvrekan-kolk met

den Groenen Straal tot één wezen te zamen. Dat was zeker, dat noch de

een noch de andere te bespeuren was. Bedekten de nevelen den eenen,

de andere was achter een stipt incognito verscholen.

De gebroeders Melvill kwamen slecht terecht, wanneer zij hunne nicht

geduld meenden te moeten aanprijzen. Miss Campbell zag er niet

tegen op, om hen voor die dampkrings-afwijkingen aansprakelijk

te stellen. Zij gaven dan de schuld aan den voortreffelijken

aneroïde-barometer, dien zij van Helenaburg medegebracht

hadden, en welker naald maar geen verhoogden luchtdruk wilde

aanwijzen. Waarlijk! zij hadden hunne gemeenschappelijke snuifdoos

wel willen weggeven, om bij den ondergang van de schoone dagvorstin

een heldere kim te mogen waarnemen.

Wat de geleerde Beerenkooi betreft, hij had eens, toen de nevelen,

die het uitspansel bezwangerden, besproken werden, de overgroote

onhandigheid, hunne vorming geheel natuurlijk te vinden. Dat voerde

hem er geleidelijk toe, een kleine natuurkundige verhandeling in

tegenwoordigheid van miss Campbell te houden. Hij sprak over de vorming

der wolken in het algemeen, over hunne beweging wanneer het afnemen der

warmte hen den gezichteinder nabij brengt, over den blaasjesvormigen

toestand van den waterdamp, van de wetenschappelijke verdeeling der

wolken in nimbi, strati, cumuli en cyrry! Het is onnoodig te zeggen,

dat het jonge meisje geen enkel oogenblik naar dat geleerd gewauwel

luisterde.

En dat liet zij zoo nadrukkelijk merken, dat de gebroeders Melvill

niet wisten, welke houding zij gedurende die ontijdige verhandeling

zouden aannemen!

Ja! miss Campbell bracht den jeugdigen geleerde in den letterlijken

zin des woords van zijn stuk. Eerst keek zij met voordacht een geheel

anderen kant uit, om Aristobulus Beerenkooi niet te hooren; toen hief

zij onafgewend den blik op het kasteel Dunolly, om hem niet aan te

zien; eindelijk bekeek zij de punten van haar fijne badschoentjes,

wat het teeken is van de minst vermomde onverschilligheid, het bewijs

van de meest mogelijke geringschatting, die een Schotsche schoone

aan den dag kan leggen, zoo wel voor hetgeen de woordvoerder zegt

als voor zijn eigen persoon.

Aristobulus Beerenkooi, die in den regel niemand anders zag of hoorde

dan zich zelf, en die ook nimmer voor iemand anders dan voor zich

zelven sprak, ontwaarde de bewegingen van het jonge meisje niet,

of deed althans alsof hij er niets van merkte.

Zoo gingen de dagen van den derden tot en met den zesden Augustus

om. Gedurende dien laatsten dag evenwel rees de barometer tot overgroot

genoegen van de gebroeders Melvill eenige strepen boven »veranderlijk."

De volgende dag kondigde zich onder de meest gunstige voorteekens

aan. De zon scheen des morgens ten tien ure met luisterrijken glans,

en het uitspansel weerspiegelde met de meest onberispelijke zuiverheid

zijn azuurblauw in de wateren der zee.

Zulk een gelegenheid kon miss Campbell niet laten ontsnappen. Een

sierlijk rijtuig stond steeds ter harer beschikking in de stalhouderij

van het Caledonian Hotel. Het was nú het oogenblik of nooit om daarvan

gebruik te maken.

Het was omstreeks vijf uur in den namiddag, toen miss Campbell en de

gebroeders Melvill plaats namen in de kalès, die door een behendigen

koetsier, gewoon aan het rijden met »de vier," gemend werd. Partridge

klom in den achterbak en de vier paarden, door het uiteinde der zweep

lichtelijk gekitteld, sprongen in galop en vlogen den weg van Oban

naar Glachan op.

Aristobulus Beerenkooi was tot zijn groote spijt--niet van miss

Campbell--verhinderd van de partij te zijn, daar zijn tijd ingenomen

werd door het opstellen van een belangrijk wetenschappelijk rapport.

Het uitstapje viel in allen deele overheerlijk uit. Het rijtuig

hield den weg langs de kust, die zich langs de zeeëngte uitstrekt,

die het eiland Kerrera van de Schotsche kust scheidt. Dat eiland,

van vulkanischen oorsprong, was zeer schilderachtig, maar had een

groot gebrek in het oog van miss Campbell, en dat was, dat het den

zeegezichteinder geheel bedekte. Daar evenwel slechts vier en een

halve mijl af te leggen waren in die omstandigheden, leenden deze er

zich allergunstigst toe om de harmonische omtrekken van dat eiland te

bewonderen, die zich op een helder lichten achtergrond afteekenden,

en waarboven de bouwvallen uitstaken van het Deensche kasteel hetwelk

het zuidelijk uiteinde bekroonde.

»Dat was voorheen de residentie der Mac-Douglas van Lorne," merkte

broeder Sam op.

»Voor onze familie heeft dat kasteel groote historische herinneringen,"

vervolgde broeder Sib; »want het werd door de Campbells vernietigd,

die het verbrandden, na al de bewoners zonder mededoogen over de

kling gejaagd te hebben!"

Dat schitterende wapenfeit scheen voornamelijk de goedkeuring van

Partridge weg te dragen. Althans hij klapte ter eere van den Clan

zachtkens in de handen.

Toen men het eiland Kerrera voorbijgereden was, sloeg het rijtuig

een smallen weg in, die zachtjes heuvel op en heuvel af naar het dorp

Glachan voerde. Daar werd een landengte overgestoken in den vorm eener

brug, die over het nauwe vaarwater toegang verleende en het eiland

Seil met het Schotsche vastland verbond. De tochtgenooten beklommen,

na hun rijtuig beneden in een ravijn gelaten te hebben, de vrij

scherpe helling van een heuvel en gingen zitten op het buitenboord

van een rotsachtigen rand, die den zoom der kuststreek uitmaakte.

Ditmaal kon niets den blik der waarnemers, naar het westen gekeerd,

hinderen. Noch het eilandje Eastdale, noch dat van Inish, dat als bij

het eiland Seil gerand ligt. Tusschen kaap Ardanalish en het eiland

Mull, een der grootsten van den Hebriden-archipel, in het noordwesten

en het eiland Colonsay in het zuidwesten, vertoonde zich een breed

zeevak, waarlangs de zon weldra haar stralen in de oppervlakte zou

dompelen.

Geheel in gedachten verdiept, zat miss Campbell iets vóór hare beide

ooms. Eenige roofvogels, arenden of valken, die deze eenzaamheid alleen

bevolkten, zweefden boven de »dens", soort van dalen, uitgehold als

trechters met rotsachtige wanden.

Volgens sterrentijd zou de zon in dit tijdperk des jaars, en op deze

breedte, ten zeven ure vier en vijftig minuten ondergaan, juist in

de richting van kaap Ardanalish.

Eenige weken later evenwel, zou het onmogelijk zijn, de dagvorstin

achter de waterlijn te zien verdwijnen; want dan zou het eiland

Colonsay haar bij het ondergaan voor het oog verbergen.

Dien avond dus, waren tijd en plaats uitmuntend voor de waarneming

van het natuurverschijnsel gekozen.

In dat oogenblik schreed de zon in een schuine richting op den zuiver

ontwikkelden horizon toe.

De oogen verdroegen moeielijk den glans van hare schijf, die thans

vuurrood scheen, en door de wateren in een langen gulden lichtstreep

weerkaatst werd.

En toch, noch miss Campbell, noch hare ooms zouden er toe overgegaan

zijn met de oogleden te knippen, neen, zelfs niet gedurende een

ondeelbaar oogenblik.

Maar voor dat de zonneschijn den gezichteinder met haren benedenrand

aangeraakt had, stiet miss Campbell een kreet van teleurstelling uit.

Een kleine wolk was verschenen, fijn als een streep, lang als de

wimpel van een oorlogsschip. Die wolk sneed de zonneschijf in twee

gelijke deelen en scheen met haar naar de kim te dalen.

Het was alsof een windzuchtje, hoe licht ook, voldoende zou zijn om

dat wolkje te verdrijven, op te lossen!... maar dat zuchtje kwam niet.

En toen de zon tot een zeer kleinen boog teruggebracht was, die

boven de watervlakte zweefde, toen was het dat uiterst ijle wolkje,

dat ter plaatse waar de dagvorstin wegdook, de kim benevelde.

Onmogelijk had de Groene Straal, gebroken zijnde door die kleine wolk,

het netvlies der waarnemers kunnen bereiken.

De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht · 第 19 / 68 题