Zelfs wanneer Oban op zijn strand een zoo groote menigte badgasten
zou aangetrokken hebben als de badplaatsen te Brighton, Margate of
Ramsgate, dan nog zou een zoo belangwekkend persoon, als Aristobulus
Beerenkooi was, eenig opzien veroorzaakt hebben.
Zonder nu op één lijn met die mededingsters geplaatst te kunnen worden,
is toch Oban een badplaats, die door de leegloopers van het Vereenigd
Koninkrijk zeer gezocht is. Hare ligging aan de zeeëngte van Mull,
gedekt tegen de westenwinden, wier rechtstreeksche invloed door het
eiland Kerrera getemperd wordt, trekt zeer veel vreemdelingen aan. Een
gedeelte daarvan komt om herstel van krachten in hare heilzame wateren
zoeken, de anderen komen daar als in een lustoord, een centraalpunt,
vanwaar de wegen naar Glasgow, Inverness en de meest merkwaardige
eilanden der Hebriden uitgaan. Er moet nog bijgevoegd worden, dat Oban
geen soort hospitaal is, zooals zoovele andere badplaatsen zijn. Het
meerendeel van hen, die er het warme jaargetij komen doorbrengen,
is zeer welvarend, en men loopt er geen gevaar, zooals in sommige
andere »Kurorten", zijn whistje met twee zieken en een »doode" te
moeten maken.
Oban telt ter nauwernood een honderd vijftig jarig bestaan. Zij
vertoont dus in haar bouworde, in de afwerking en inrichting harer
woningen, in de gedaante harer openbare pleinen en in de rechtlijnige
richting harer straten, den stempel van den modernen tijd. Toch
wijst de bouworde van de kerk, waarboven een fraaie klokkentoren
zich verheft, op het Normandische tijdvak, terwijl het oude kasteel
van Dunolly, welks muren geheel met klimop bedekt zijn, zich op een
alleenstaande rots, ten noorden van de plaats gelegen, verheft en het
heerlijke panorama van witte huizen en veelkleurige villa's, die op de
hellingen van den achtergrond verrijzen, de stille wateren van de baai,
waarop bevallige pleizierjachten voor hunne ankers liggen te wiegelen,
een schilderachtig geheel opleveren, dat het oog boeit en verrukt.
Ook dit jaar ontbraken in de maand Augustus noch de vreemdelingen,
noch de toeristen, noch de badlustigen in de kleine stad Oban. In
het vreemdelingenboek van een der beste hotels van de plaats prijkte
reeds sedert verscheidene weken tusschen veelvuldige namen die van
Aristobulus Beerenkooi van Dumfries (Neder-Schotland).
Het was een personage, die acht-en-twintig jaar telde en nimmer
jong was geweest, maar waarschijnlijk ook nooit oud zou worden. Hij
was klaarblijkelijk in den leeftijd geboren, dien hij zijn geheel
leven lang zou schijnen te bezitten. Hij was noch van fraaie noch
van leelijke gestalte, had een onbeduidend gelaat, waarboven al te
blonde haren voor een man sluik neerhingen. Achter zijn brilglazen
ontwaarde men een paar kippige oogen zonder glans, waartusschen een
korte dikke neus neerdaalde, die niet de neus van dat aangezicht scheen
te zijn. Van de honderd dertig duizend haren, die ieder fatsoenlijk
menschenhoofd moet dragen, bleven hem nog slechts zestig duizend
slechte over. Een ringbaard omlijstte zijn wangen en zijn kin, waardoor
hij wel eenige gelijkenis op een aap vertoonde. Zoo hij werkelijk een
aap geweest ware, zou hij een mooie sim geweest zijn, misschien wel
van de soort, die als schakel in de keten der Darwinisten ontbreekt,
waarmede zij pogen den mensch van het dier te laten afstammen.
Aristobulus Beerenkooi was rijk aan geld, maar nog rijker aan
denkbeelden. Voor een jong geleerde, die slechts anderen met zijn
algemeene kennis, en zijn akademische graden van Oxford, Edinburg en
Londen kan vervelen, was hij veel te geleerd. Hij was meer doorkneed
in de natuurwetenschappen, in de scheikunde, in de sterrenkunde,
in de wiskunde, dan wel in de letterkunde. Hij was zeer met zich
zelven ingenomen en het scheelde maar bitter weinig om een dwaas te
mogen heeten. Zijn voornaamste gewoonte, die tot een ware monomanie
aangegroeid was, bestond daarin, dat hij gevraagd of ongevraagd,
te pas of te onpas, verklaring wilde leveren van alles, wat de
natuurwetenschappen raakte. Hij was in één woord een pedant wezen,
wiens omgang van onaangenamen aard was. Men lachte niet over hem,
omdat hij volstrekt niet lachverwekkend was, maar wellicht lachte
men hem uit, omdat hij zich bespottelijk aanstelde. Niemand mocht
minder aanspraak maken dan dat jongmensch op de toepassing der
spreuk van de Engelsche vrijmetselaren! Audi, vide, tace, hetgeen
zeggen wil: hoor, zie, zwijg. Hij hoorde niet, hij zag niet, en
zweeg nooit. Men kon gevoegelijk in dit land van Walter Scott een
gelegenheids-vergelijking gebruiken, en beweren dat Aristobulus
Beerenkooi, met zijn daadwerkelijken nijverheidszin, oneindig meer
den schout Nicol Jarvie in herinnering bracht, dan zijn dichterlijken
neef Rob Roy Mac Gregor.
En welke dochter der Schotsche Hooglanden, zonder van miss Campbell
een uitzondering te maken, zou niet de voorkeur aan Rob Roy dan aan
Nicol Jarvie gegeven hebben?
Zoo zag Aristobulus Beerenkooi er uit, en zoo was hij bewerktuigd. Hoe
nu de gebroeders Melvill op dat pedante wezen verzot hadden kunnen
worden, en wel zoodanig, dat zij er aan dachten hunnen neef er van
te maken, is onmogelijk te verklaren. Hoe was het hem toch gelukt,
die waardige zestigjarige grijsaards te behagen? Misschien wel alleen
door de eerste te zijn, die omtrent hunne nicht huwelijksneigingen
had laten blijken. In een soort van kinderlijke verrukking had broeder
Sam ongetwijfeld tegen broeder Sib gezegd:
»Ziedaar een jonkman, die rijk is en een onafhankelijk fortuin bezit,
welke van erfenissen van bloedverwanten en nabestaanden afkomstig
is, die tot een aanzienlijke familie behoort en daarenboven
een buitengewoon geleerde is! Dat zal een uitmuntende partij
voor onze lieve Helena zijn! Dat huwelijk zal van een leien dak
loopen." Gedurende de uren, die hem bij zijn verblijf op Helenaburg als
vrijaf zouden gegund worden, zou de jeugdige geleerde in staat zijn,
de snuifdoos aan broeder Sib over te reiken, na haar met een droog
tikje dicht gemaakt te hebben, wat dan een punt moest beteekenen,
achter zijn ontboezeming geplaatst, en zeggen wilde:
»Ziedaar een beklonken zaak!"
De gebroeders Melvill meenden dan ook al heel slim te werk gegaan te
zijn, door miss Campbell, dank zij hare zonderlinge gril ten opzichte
van den Groenen Straal, naar Oban geleid te hebben. Daar zoude haar
samenzijn met Aristobulus Beerenkooi, dat door zijn afwezigheid
kortstondig verbroken was, hervat kunnen worden, zonder den schijn
te hebben dat zulks voorbereid was.
Voor de schoonste vertrekken in Caledonian Hotel hadden de
gebroeders Melvill en miss Campbell het buitenverblijf te Helenaburg
verwisseld. Mocht hun verblijf te Oban van eenigen duur worden,
dan zou het wellicht voegzaam zijn, de een of andere villa, gelegen
op de hoogten die de stad beheerschten, te huren. Maar middelerwijl
dat daartoe beslist zoude worden, was men met behulp van juffrouw
Bess en van Partridge zoo gemakkelijk mogelijk ingericht bij baas
Mac Fyne. Later zou men verder zien.
Daags na hunne aankomst te Oban verlieten de gebroeders Melvill des
morgens ten negen uur het Caledonian Hotel, dat op den zeeoever bijna
tegenover het staketsel gelegen is. Miss Campbell sliep nog in hare
kamer op de eerste verdieping, en bevroedde niet dat hare ooms op
het pad waren om Aristobulus Beerenkooi op te zoeken.
Die twee onafscheidelijke broertjes gingen het strand langs, en daar
zij wisten, dat hun »pretendent" in een der hotels logeerde, die
ten noorden van de baai gebouwd zijn, richtten zij dan ook derwaarts
hunne schreden.
Men zal wel moeten aannemen, dat een voorgevoel hen geleidde; want
waarlijk, tien minuten na hun hotel verlaten te hebben, ontmoetten
zij Aristobulus Beerenkooi, die zijn dagelijksche wetenschappelijke
wandeling maakte, en een banalen, werktuigelijken handdruk met hen
wisselde, terwijl hij de bewegingen van den stijgenden vloed gadesloeg.
»Mijnheer Beerenkooi!" zeiden de gebroeders Melvill met plichtpleging.
»Mijne heeren Melvill!" antwoordde Aristobulus met een gemaaktheid
van stem, die verwondering moest aanduiden. »Gij.... heeren
Melvill.... hier.... te Oban?"
»Sedert gisteren avond!" zei broeder Sam.
»En het verheugt ons, u in goede gezondheid aan te treffen, mijnheer
Beerenkooi," zeide broeder Sib.
»Waarlijk, ik dank u, heeren.--Maar hebt gij reeds kennis genomen
van het telegram, dat zooeven aangekomen is?"
»Een telegram?" vroeg broeder Sam. »Zou het ministerie Gladstone
reeds?...."
»Het geldt volstrekt niet het ministerie Gladstone," antwoordde
Aristobulus Beerenkooi met tamelijk wel uitgesproken kleinachting,
»maar wel een weerkundig telegram."
»Waarlijk!" riepen de beide ooms te gelijkertijd uit.
»Ja zeker! er is geseind, dat het depressie centrum van Swinemunde
noordwaarts voortgeschreden en aanmerkelijk in diepte toegenomen
is. Dat centrum bevindt zich thans in de nabijheid van Stokholm, waar
de barometer ruim een duim,--wat ongeveer vijf en twintig millimeter
vertegenwoordigt, om de taal der geleerden te spreken--gedaald is en
alzoo op acht en twintig en zes tiende duim staat, hetwelk overeenkomt
met een stand van zevenhonderd zes en twintig millimeter. Heeft
ook al de luchtdruk in Engeland en in Schotland weinig verandering
ondergaan, zoo is zij toch een tiende te Valencia en twee tiende te
Stornoway verminderd."
»Maar wat moet uit die depressie?...." vroeg broeder Sam.
»Besloten worden?...." vulde broeder Sib aan.
»Dat het mooi weer niet standvastig is," antwoordde Aristobulus
Beerenkooi, »en dat de lucht weldra betrekken zal onder den invloed
van den zuidwestenwind, die de dampen van den Noord-Atlantischen
Oceaan met zich voeren zal."
De gebroeders Melvill bedankten den jongen geleerde voor de mededeeling
van die belangwekkende voorspellingen, en leidden er de gevolgtrekking
uit af, dat de Groene Straal wel eens op zich kon laten wachten,
wat hun niet onaangenaam was, daar dat hun verblijf te Oban zou rekken.
»En het doel van uwe komst, mijne heeren, is?".... vroeg Aristobulus
Beerenkooi, die zijn volzin zelf afbrak om een keisteen op te rapen,
dien hij met de grootste aandacht bekeek.
De beide ooms wachtten zich wel die belangrijke studie te storen.
Maar toen die keisteen de verzameling van een menigte andere in den zak
van den jongen geleerde was gaan vermeerderen, antwoordde broeder Sib.
»Het doel van onze komst is zeer natuurlijk om hier eenige dagen door
te brengen."
»En wij moeten er bij voegen, dat miss Campbell ons vergezeld
heeft...." zei broeder Sam.
»Ah!.... miss Campbell!" antwoordde Aristobulus Beerenkooi. »Ik
geloof dat die keisteen uit het gaëlische tijdperk afkomstig is. Er
zijn sporen te zien van.... Maar waarlijk, het zal mij verheugen
miss Campbell weer te zien!.... sporen van meteorisch ijzer.--De
luchtgesteldheid hier, die buitengewoon zacht is, zal haar uitermate
goed doen."
»Zij geniet een goede gezondheid en is hier niet om herstel van eenige
ziekte te zoeken."
»Om het even," antwoordde Aristobulus Beerenkooi. De atmosfeer is
hier overheerlijk. Nul, komma, een en twintig zuurstof, en nul,
komma, negen en zeventig stikstof met een weinig waterdamp gemengd,
zeer voordeelig voor de gezondheid. Wat het koolzuur betreft, er zijn
slechts sporen aanwezig in de lucht, die ik iederen morgen ontleed."
De gebroeders Melvill meenden in die verhandeling, een lieve
bezorgdheid ten opzichte van miss Campbell te bemerken.
»Maar," vroeg Aristobulus Beerenkooi, »indien gij niet voor
gezondheidsredenen hier gekomen zijt, mag ik dan weten, mijne heeren,
waarom gij uw buitenverblijf te Helenaburg verlaten hebt?"
»Wij hebben geen enkele reden om, in de verhouding, waarin wij tot
elkander staan, dat voor u te verbergen...." antwoordde broeder Sib.
»Kan ik dus in die verhuizing een overigens natuurlijk verlangen
ontwaren," viel de jonge geleerde den spreker in de rede, »om tot
een samenkomst met miss Campbell mede te werken, die de gelegenheid
kan openen elkander beter te leeren kennen en dat tot wederzijdsche
achting zal moeten leiden?"
»Voorzeker," antwoordde broeder Sam. »Wij hebben gedacht, dat zoo
het doel sneller bereikt zou worden."
»Ik keur uwe handeling goed, mijne heeren," antwoordde Aristobulus
Beerenkooi. »Hier op dit onzijdig terrein zullen miss Campbell en ik
bij gelegenheid kunnen spreken over de oorzaken van het op en neergaan
der zee, van de windrichtingen, van de hoogte der golven, van het
verspringen der getijen en over meer andere natuurverschijnselen,
waarin zij ten zeerste belang moet stellen!"
Nadat de gebroeders Melvill een glimlach van voldoening gewisseld
hadden, bogen zij bij wijze van toestemming. Zij verklaarden verder,
dat zij zich gelukkig zouden achten, wanneer zij, na hun terugkeer
op het buitenverblijf Helenaburg, den jongen geleerde onder een meer
dierbaren titel dan dien van gast zouden kunnen ontvangen. Aristobulus
Beerenkooi antwoordde, dat hij zich alsdan des te gelukkiger
zoude gevoelen, daar het gouvernement belangrijke baggerwerken,
juist tusschen Helenaburg en Greenock wilde doen uitvoeren, welke
werken onder geheel nieuwe omstandigheden door middel van elektrische
werktuigen zouden worden tot stand gebracht. Dus, wanneer hij eenmaal
zijn verblijf op Helenaburg gevestigd had, zou hij de toepassing van
die werktuigen waarnemen en den uitslag daarvan berekenen kunnen.
De gebroeders Melvill erkenden gaarne, dat die samenloop van
omstandigheden hunnen plannen ten goede zou komen en het geheel en
al in hun kader paste.
En daarop hadden zij een snuifje genomen om de gemeenschappelijke
verschillende tijdperken van dien uiterst belangwekkenden arbeid gade
te slaan.
»Maar," vroeg Aristobulus Beerenkooi, »gij hebt ongetwijfeld het een
of ander voorwendsel bedacht, om mij hier te Oban te komen ontmoeten."
»Inderdaad," antwoordde broeder Sib, »en dat voorwendsel heeft miss
Campbell zelf ons aan de hand gedaan."
»Zoo," zei de jonge geleerde, »en dat is....?
»Het geldt de waarneming van een natuurverschijnsel, dat zich slechts
onder bepaalde gelegenheden voordoet, en dat te Helenaburg onmogelijk
kan voorkomen."
»Waarlijk! heeren," hernam Aristobulus Beerenkooi, terwijl hij met
duim en vinger zijn bril recht op zijn neus zette. »Daarin ligt
het bewijs, dat er tusschen miss Campbell en mij wel eenige innige
met elkaar overeenkomende verwantschap bestaat!--Mag ik ook weten
welk natuurverschijnsel het is, dat op het buitenverblijf niet kan
waargenomen worden?"
»Dat natuurverschijnsel? Wel, is eenvoudig de Groene Straal,"
antwoordde broeder Sam.
»De Groene Straal?" vroeg Aristobulus Beerenkooi niet zonder
verwondering. »Daarvan heb ik nimmer hooren spreken. Is het mij
vergund te vragen, wat die Groene Straal beduidt?"
De beide broeders Melvill legden hem zoo goed zij konden uit, waarin
het natuurverschijnsel bestond, dat door de Morning Post onlangs
onder de aandacht van het publiek was gebracht.
»Pouah!" riep Aristobulus Beerenkooi, »dat is slechts een aardigheid
zonder eenig belang, die tot het kinderachtige domein van de
vermakelijke natuurkunde behoort."
»Miss Campbell is slechts een jong meisje," antwoordde broeder Sib,
»en zij schijnt een buitengewoon groot belang in dit natuurverschijnsel
te stellen."
»Want zij wil niet trouwen, heeft zij verzekerd, voor dat zij het
gezien heeft," vulde broeder Sam aan.
»Welnu, heeren," antwoordde Aristobulus Beerenkooi, »wij zullen hem
haar toonen, dien Groenen Straal!"
Na die verzekering wandelden de drie mannen door de weilanden, die
zich langs het strand uitstrekten en waardoor een pad zich slingerde,
naar Caledonian-Hotel terug.
Aristobulus Beerenkooi liet de gelegenheid niet ontsnappen om
de gebroeders Melvill te doen opmerken, hoezeer de geest der
vrouwen behagen schept in nietigheden, waaruit hij in groote
trekken voortredeneerende, tot de gevolgtrekking kwam van hetgeen
verricht zou moeten worden om hunne niet goed opgevatte opvoeding te
verbeteren. Hij verwierp de stelling, dat de hersenen der vrouw minder
met hersenzelfstandigheid zouden bedeeld zijn dan die van den man,
en dat door het groote verschil in de bewerktuiging der kwabben,
de vrouw nimmer zoude kunnen geraken tot opvatting van grootsche
denkbeelden. Neen, zoover ging hij niet; hij meende integendeel dat
door een voortgezet onderwijs verandering in dien toestand te weeg
zou te brengen zijn; hoewel hij van een anderen kant niet loochenen
kon, dat sedert de vrouw in de Schepping verschenen was, nimmer
een harer zich onderscheiden had door eenige dier uitvindingen,
die bij voorbeeld Aristoteles, Euclides, Harvey, Hahnenman, Pascal,
Newton, Laplace, Arago, Humphrey-Davy, Edison, Pasteur enz., beroemd
gemaakt hebben. Eindelijk verdiepte hij zich in de uitlegging van
verscheidene natuurtafereelen en redekavelde de omni re scibili,
zonder meer omtrent miss Campbell te gewagen.
De gebroeders Melvill hoorden eerlijk toe en deden dat zooveel te
eerder, daar het voor hen onmogelijk was een woord tusschen beiden
te brengen in die alleenspraak, waarbij Aristobulus Beerenkooi
zonder rustpunt voortdraafde en die hij doorspekte met gebiedend en
schoolmeesterachtig gehemm!
Zoo naderden zij het Caledonian-Hotel tot op ongeveer een honderd pas,
en bleven toen een poos staan, om afscheid van elkaar te nemen.
Middelerwijl bevond zich een zeker iemand aan het venster
harer kamer. Zij scheen geheel in de war, ja geheel van haar stuk
gebracht. Zij keek nu eens vóór haar dan weer rechts of links en scheen
met het dwalend oog een horizon te zoeken, die zij niet kon ontdekken.
Eensklaps bemerkte miss Campbell--want zij was die zeker iemand--hare
ooms. Dadelijk werd het venster met levendig gebaar gesloten en
verscheen het jonge meisje eenige oogenblikken later op het strand,
de armen half gekruist over de borst, met ernstig gelaat en het
voorhoofd bezwangerd van verwijtingen. De gebroeders Melvill keken
elkander aan. Tegen wien had Helena iets? Was het de tegenwoordigheid
van Aristobulus Beerenkooi, die deze verschijnselen van abnormale
opwinding veroorzaakte?
De jeugdige geleerde naderde intusschen en groette miss Campbell met
een buiging zoo stijf als die van een knipmes.
»Aristobulus Beerenkooi...." zeide broeder Sam, die den jonkman
vormelijk en met plichtpleging voorstelde.
»Die door een wonder van toevalligheid.... zich juist te Oban
bevindt...." voegde broeder Sib er bij.
»Ah?.... mijnheer Beerenkooi?".... mompelde het jonge meisje, terwijl
zij zijn groet ter nauwernood beantwoordde.
Toen zich tot de gebroeders Melvill wendend, die daar uit het veld
geslagen stonden en niet wisten wat te zeggen of welke houding aan
te nemen:
»Mijn ooms!" sprak zij met gestrengheid.
»Lieve Helena!" antwoordden de beide ooms met den zelfden toon van
waarneembare ongerustheid in stem en gebaren.
»Zijn wij wel te Oban?" vroeg zij.
»Te Oban?.... Wel zeker."
»Te Oban.... aan de zee der Hebriden gelegen?"
»Voorzeker."
»Welnu, over een uur zullen wij er niet meer zijn!"
»Over een uur?...."
»Ik had om een zee-horizon verzocht?"
»Ongetwijfeld, lieve meid...."
»Wilt gij dan zoo vriendelijk wezen, mij dien te wijzen?"
Ontzet draaiden en keerden de gebroeders Melvill zich om en keken rond.
Vóór hen, noch in het zuidwesten, noch in het noordwesten was eenige
doorgang tusschen de eilanden, die in volle zee lagen, te bespeuren,
geen plekje waar hemel en water in elkander liepen.
De eilanden Seil, Kerrera, Kismore vormden een onafgebroken slagboom,
die de kim onzichtbaar maakte. De erkenning moest volgen, dat de
beloofde en verzochte horizon aan het landschap van Oban ontbrak.
De twee broeders hadden dat niet eens bemerkt bij hunne wandeling langs
het strand. Toen zij hunne misvatting inzagen, lieten zij dan ook die
twee Schotsche uitroepingen hooren, die een waarlijke teleurstelling,
gemengd met ietwat kwade luim, levendig aanduidden:
»Pooh!" zei een.
»Pswha!" antwoordde de andere.