DE KOLK VAN CORRYVREKAN.

Het was toen ongeveer zes uur des avonds. De zon had nog slechts vier

vijfden van haar loopbaan volbracht. Ongetwijfeld zou de Glengarry,

voor dat de dagvorstin in de wateren van den Atlantischen Oceaan

onderduiken zou, te Oban aangekomen zijn. Miss Campbell kon dus

hoop koesteren, dat haar wenschen ten opzichte van den Groenen Straal

denzelfden avond vervuld zouden worden. Want waarachtig, het uitspansel

vertoonde zich zonder wolken of nevels, en scheen voor de waarneming

van dat natuurverschijnsel als geknipt, terwijl de zee-horizon tusschen

de eilanden Oronsay, Colonsay, en Huil gedurende het overige gedeelte

van den overtocht volmaakt zichtbaar zou blijven.

Maar een geheel onvoorzien voorval zou den gang van de stoomboot

eenigermate komen vertragen.

Miss Campbell, geheel ingenomen door haar vast denkbeeld, dat haar

niet begaf, hield het oog sterk gevestigd op dat gedeelte van den

gezichteinder. Zij alleen merkte dan ook op, hoe woelig de zee tusschen

de punt van het eiland Jura en het eilandje Scarba was. Terzelfder tijd

bereikte een ver verwijderd geluid, als van golven die tegen elkaar in

klotsten, haar oor. En toch rimpelde een flauwe bries ternauwernood

de watervlakte, die er olieachtig uitzag, zoo kalm was zij, zelfs

toen zij door den boeg van het stoomvaartuig gesneden werd.

»Wat veroorzaakt die woeligheid en dat gedruisch?" vroeg miss Campbell

aan hare ooms.

Maar hare ooms konden haar onmogelijk antwoorden, want zij zelf

begrepen evenmin als zij, wat daar op drie mijl afstand van hem in

dien nauwen doorgang voorviel.

Miss Campbell wendde zich toen tot den kapitein, die in dat oogenblik

op de loopbrug op en neer wandelde, en vroeg hem naar de oorzaak van

dat golfgeklots, dat zich zoo helder zien en hooren liet.

»Dat wordt eenvoudig door den opkomenden vloed veroorzaakt," antwoordde

de kapitein. »Dat geluid, wat gij hoort, is afkomstig van de kolk

van Corryvrekan.

»Maar het weer is overheerlijk," merkte miss Campbell op, »en de

bries laat zich ternauwernood voelen."

»Het weer heeft ook geen invloed op dat natuurverschijnsel. Het

wordt veroorzaakt door de opkomende zee, die bij het doorkomen uit

den Jura-Sond geen anderen doortocht vindt dan tusschen de beide

eilanden Jura en Scarba. In dien doortocht stort de vloed zich met

een buitengewoon groote kracht, en het zou zeer gevaarlijk zijn voor

een eenigszins klein vaartuig, zich er in te wagen."

De kolk van Corryvrekan is te recht gevreesd in die streken, en wordt

als een der meest merkwaardige plekken van den Hebriden-archipel

genoemd. Zij is wellicht te vergelijken met de kolk van Sein, die

door de verenging van de zee tusschen den weg van dien naam en de

baai der Trépassés op de kust van Bretagne of met de kolk Blanchart,

die door de wateren der Hoofden gevormd wordt, welke zich tusschen

het eiland Aurigny en den vasten wal van Cherbourg storten. De legende

verzekert, dat zij haar naam verschuldigd is aan een Scandinavischen

prins, wier schip daar ter plaatse in de Keltische tijden met man en

muis verging. Het is inderdaad een gevaarlijke doortocht, waarin veel

schepen schipbreuk geleden hebben en die, wat ongelukken betreft,

de vergelijking met den noodlottigen Maalstroom op de kusten van

Noorwegen doorstaan kan.

Miss Campbell hield middelerwijl niet op met naar de hevige golvingen

van die kolk te kijken, toen eensklaps haar aandacht meer in het

bijzonder geboeid werd door een punt in die zeeëngte. Eerst meende

zij dat daar een rots boven de watervlakte uitstak, maar hetgeen zij

zag ging met de hevige golvingen der zee op en neer.

»Zie, zie toch, kapitein," zei het jonge meisje, »indien dat geen

rots is, wat is het dan?"

»Waarlijk," antwoordde de kapitein, »een rots is het niet. Het kan

niet anders dan een stuk wrakhout zijn, dat door den stroom meegevoerd

is of het is ook wel...."

En zijn kijker grijpende:

»Een sloep!" riep hij uit.

»Een sloep!" kreet miss Campbell.

»Ja!.... ik vergis mij niet!.... Een sloep op de wateren van de

Corryvrekan-kolk!.... Oh, zij zal vergaan, dat kan niet anders!"

Toen de kapitein die woorden meer uitschreeuwde dan wel zei verdrongen

zich de passagiers op de loopbrug en keken allen in de richting van de

kolk. Er was geen twijfel meer mogelijk! Het vaartuig was ongetwijfeld

door den stroom in de zeeëngte meegesleurd. Dat was zeer zeker door

den opkomenden vloed veroorzaakt. Het bevond zich thans in de werking

der zuiging van de tegenstroomingen en liep zijn ondergang te gemoet.

Aller blikken waren op dat punt van de kolk gevestigd, hetwelk op

vier of vijf mijl van de Glengarry gelegen was.

»Waarschijnlijk is het maar een sloep, die losgeraakt en afgedreven

is," was de bemerking van een der passagiers.

»Neen, dat is het niet! want ik zie er een man in," antwoordde

een ander.

»Een man.... twee mannen!" riep Partridge, die in de nabijheid van

miss Campbell post gevat had.

En inderdaad daar waren twee menschen in die sloep. Zij waren

hun vaartuig niet meer meester. Het weinigje bries, dat van de

landzijde woei, was onmachtig om hun zeil te vullen en hen buiten de

omstroomingen te voeren, en met de riemen was het onmogelijk uit de

schrikkelijke zuiging van de Corryvrekan-kolk te geraken.

»Kapitein!" riep miss Campbell, »wij kunnen die ongelukkigen toch

niet onder onze oogen laten omkomen.... Zij zijn verloren, wanneer

men hen aan hun lot overlaat!.... Zij moeten geholpen worden!.... daar

valt niets aan te doen!.... het moet!...."

Allen die aan boord waren, koesterden dezelfde gedachten, die het

edele meisje uitte. Het antwoord van den kapitein werd dan ook

angstvallig afgewacht.

»De Glengarry," sprak hij, »mag zich niet te midden van de

Corryvrekan-kolk wagen. Maar wij zullen zoo veel als mogelijk is

naderen, misschien komen wij dan binnen het bereik dier sloep!"

En zich tot de passagiers keerende, scheen hij een teeken van

goedkeuring te verzoeken.

Miss Campbell ging tot hem.

»Het moet, kapitein, het moet!...." zeide zij met opgewonden stem en

gebaar. »Mijn reisgenooten zijn van dezelfde meening!.... Het geldt

twee menschenlevens, die gij redden kunt! Och! kapitein! .... Ik

smeek er u om!...."

»Ja!.... ja!...." riepen eenige der passagiers, opgewekt en bewogen

door de warme tusschenkomst van dat jonge meisje.

De kapitein greep zijn kijker, nam met de uiterste nauwkeurigheid de

richting van de stroomingen in de zeeëngte waar; toen zich tot den

roerganger wendende, die bij hem aan het stuurrad op de brug stond:

»Opgelet bij het sturen!" zei hij. »Het roer stuurboord te boord!"

Het stoomschip wendde onder de werking van het roer naar het westen. De

machinist kreeg bevel om zijn stoomkleppen te bezwaren en alle kracht

aan te wenden. Weldra schoot de Glengarry de uiterste punt van het

eiland Jura ter linkerzijde voorbij.

Niemand sprak aan boord. Aller oogen waren angstvallig op dat

vaartuigje gevestigd, hetwelk al meer en meer zichtbaar werd.

Het was slechts een kleine visschersloep, waarvan men den mast had

neergelaten om den terugstoot te vermijden der hevige schokken,

door de golven teweeggebracht.

Een der twee mannen, die zich in de sloep bevonden, lag in

het achterste gedeelte uitgestrekt; de andere roeide met alle

inspanning van krachten, en trachtte buiten den kring der zuiging te

geraken. Wanneer hij daarin niet slaagde, waren beide verloren!

De Glengarry kwam een half uur later op de grens van de Corryvrekankolk

en begon door den invloed der golven sterk te stampen, maar niemand

aan boord toonde zich ontevreden; hoewel de snelheid der stroomingen

wel van dien aard was, dat zij eenvoudige toeristen zou hebben kunnen

afschrikken.

Inderdaad, in dit gedeelte van de zeeëngte vertoonde zich de zee wit

van het schuim, alsof een dichtgereefd marszeilskoeltje woei. Men

zag slechts een uitgestrekte oppervlakte van schuim, die tengevolge

van de weinige diepte der wateren, door grondzeeën in hooge zuilen

werd opgeworpen.

De sloep was nog slechts op een halve mijl verwijderd. Diegene van

de twee mannen, die roeide, deed de uiterste inspanning om buiten

de neerstroomingen te geraken. Hij begreep, dat de Glengarry hem te

hulp kwam, maar hij besefte ook dat de stoomboot niet veel verder kon

komen, en dat het dus van zijn krachten afhankelijk was, om haar te

bereiken. Wat zijn makker betrof, deze lag steeds in het achterste

gedeelte der sloep uitgestrekt en scheen buiten kennis te zijn.

Miss Campbell, aan de grootste opgewondenheid ten prooi, wendde geen

oog af van dat vaartuig welks nood zij het eerste aangeduid had op de

golven van de kolk, waarheen de Glengarry op haar vurige smeekingen

thans stevende.

De toestand werd middelerwijl bedenkelijker, en het was te vreezen dat

de stoomboot niet bij tijds zou aankomen. Zij kon nog slechts met half

werk vooruitslaan, ten einde belangrijke averij te voorkomen en toch

dreigden reeds de zeeën, die over den boeg sloegen, de stookplaats

der machine te bereiken, en deden dus het gevaar ontstaan van de

vuren te blusschen, hetgeen een schrikkelijke gebeurlijkheid moest

genoemd worden, daar te midden van die wilde stroomingen.

De kapitein, die zich aan de bruggestutten vastgekneld hield, waakte er

voor, dat zijn schip niet buiten het vaarwater kwam, en manoeuvreerde

met alle behendigheid om niet dwarszee's te geraken.

Middelerwijl gelukte het de sloep niet om buiten de neerstroomingen

te komen. Soms verdween zij plotseling achter een breker; in een

ander oogenblik werd zij door de ronddraaiende stroomingen van de

kolk, die evenredig in kracht toenamen, meegesleurd en stevende in

een kring rond met de snelheid van een voortgeschoten pijl, of nog

beter uitgedrukt, met de snelheid van een steen, die door den slinger

rondggedraaid wordt, alvorens hem te laten ontsnappen.

»Sneller! nog sneller!" riep miss Campbell, die haar

gemoedsaandoeningen niet kon onderdrukken.

Maar op het gezicht van die vreeselijke golven, die tegen de boot

aansloegen, lieten reeds eenige vrouwelijke passagiers angstkreten

hooren. De kapitein, de verantwoordelijkheid begrijpende, die hij

droeg, aarzelde om verder binnen den kring van de Corryvrekan-kolk

te dringen.

En toch, de afstand, die de sloep van de Glengarry scheidde,

bedroeg thans in dat oogenblik nog slechts een halve kabellengte of

ongeveer drie honderd voet; men kon dan ook van boord gemakkelijk de

ongelukkigen onderscheiden, die daar met hunne sloep naar hun verderf

werden meegesleurd.

Het was een oud zeeman en een jongmensch. De eerste lag in het

achterste gedeelte van het vaartuig uitgestrekt, de andere roeide

met inspanning van alle krachten.

Een vreeselijke golf klotste in dit oogenblik tegen de wanden van de

Glengarry en maakte haar toestand vrij moeielijk.

En waarlijk, de kapitein kon niet verder de zeeëngte instevenen, en

hij moest zoo manoeuvreeren, dat hij met den kop in den stroom bleef,

hetgeen niet zonder moeielijkheid te veroorzaken, ten uitvoer gebracht

kon worden.

Plotseling gleed de sloep, na een oogenblik op de kruin van een hooge

golf verschenen te zijn, omlaag en verdween voor ieders oog.

Een kreet weerklonk aan boord. Een kreet van angst en schrik!

Was het vaartuig omgeslagen en gezonken?.... Neen, daar verscheen het

weer op den rug van een andere golf en een nieuwe inspanning van den

roeier bracht het iets nader bij de stoomboot.

»Flink! flink doorgeroeid!!" riepen de zeelieden, die op de voorplecht

van het schip stonden.

En zij zwaaiden rollen touw en bespiedden het gunstige oogenblik om

die in de sloep te werpen.

Plotseling gaf de kapitein, die eenig glad water tusschen

de keerstroomingen opmerkte, bevel aan den machinist om de meest

mogelijke stoomkracht aan te wenden. De snelheid der Glengarry nam

spoedig toe en het schip stevende koen tusschen de beide eilanden

in, terwijl de sloep van haren kant ook eenigermate naderde. Toen

werden de touwen voortgeslingerd, door den roeier gegrepen en om den

mast bevestigd. De Glengarry sloeg vervolgens met kracht achteruit,

om des te eerder uit de wieling te geraken, terwijl de sloep, langs

zij getrokken, zoo door haar gesleept werd.

Toen eerst wierp de jongeling de riemen neer, tilde zijn makker in

de armen op, en werd die oude zeeman met behulp der matrozen van de

boot aan boord geheschen. Terwijl de sloep naar de Corryvrekan-kolk

voortgesleurd werd, had een groote golf haar een hevigen slag

toegebracht, die haar buiten staat gesteld had, verder de inspanningen

van den jonkman te steunen, waardoor deze laatste geheel en al aan

eigen krachten was overgelaten.

Deze was middelerwijl op het dek van de Glengarry gesprongen. Hij had

niets van zijn tegenwoordigheid van geest verloren, zijn gelaat ademde

rustige kalmte en zijn geheele houding gaf te kennen dat zedelijke

moed hem evenmin ontbrak als physieke, en hem aangeboren scheen.

Hij beijverde zich dan ook dadelijk om zijn makker behoorlijk te doen

verzorgen. Dat was de eigenaar van de sloep. Een flink glas brandewijn

bracht dezen weer spoedig op de been.

»Mijnheer Olivier!" zei hij.

»Oh! mijn ouwe zeeman," antwoordde de jongeling. »En die klap van

die golf?.... Hoe is het er mee?...."

»Dat's niets! Ik heb wel wat anders beleefd! Ik voel er niets meer

van!...."

»Den hemel zij dank!... maar mijn onvoorzichtigheid om steeds vooruit

te stevenen, zou ons duur te staan hebben kunnen komen!... maar wij

zijn gered!"

»Met uwe hulp, mijnheer Olivier."

»Neen.... met Gods hulp!"

En de jonkman, den ouden zeerob aan zijn borst drukkende, poogde niet

zijn aandoeningen te bedwingen, maar uitte ze vrij en zag ze trouwens

door al de omstanders gedeeld.

Toen, zich tot den kapitein van de Glengarry wendende, die in dat

oogenblik juist de trap van de loopbrug afklom:

»Kapitein," zeide hij, »ik zal u nimmer mijn dankbaarheid voor den

dienst, dien gij ons bewezen hebt, voldoende kunnen betuigen..."

»Ik heb slechts mijn plicht gedaan, mijnheer," antwoordde de

gezagvoerder, »en om de waarheid te huldigen, moet ik verklaren,

dat mijn passagiers meer recht op uw dankbetuigingen hebben dan ik."

De jonkman drukte den kapitein hartelijk de hand; toen zijn hoed

afnemende, groette hij al de passagiers met een uiterst bevallig

gebaar.

Daarvan hield hij zich overtuigd, dat zonder de tusschenkomst van de

Glengarry, zijn makker en hij, voortgesleurd tot in het middelpunt

van de Corryvrekan-kolk, ellendig omgekomen zouden zijn.

Miss Campbell had middelerwijl gemeend zich gedurende die

beleefdheidswisselingen een weinig te moeten terugtrekken. Zij

verlangde niet dat het deel, hetwelk zij aan de ontknooping van die

dramatische redding gehad had, ter sprake kwam. Daarom vertoefde zij

vóór op de loopbrug, toen haar eensklaps, alsof haar grilligheid weer

de bovenhand genomen had, die woorden ontsnapten, terwijl zij zich

naar het westen keerde:

»En de Groene Straal?.... En de zon?"

»Geen zon meer!" zei broeder Sam.

»En geen straal!" zei broeder Sib.

En waarlijk, het was te laat. De zonneschijf, die achter een

gezichteinder van een bewonderenswaardige zuiverheid ondergegaan was,

had haren Groenen Straal, onopgemerkt door iedereen, in het luchtruim

laten schitteren. Maar in dat oogenblik dwaalden de gedachten van miss

Campbell elders, en haar verstrooide blik had deze gelegenheid gemist,

die wellicht zich zoo spoedig niet meer zou voordoen!

»Het is jammer!" mompelde zij binnensmonds, zonder eenige spijt

evenwel bij de herinnering aan hetgeen er plaats had gehad.

De Glengarry manoeuvreerde intusschen, om uit de zeeëngte van de

Corryvrekan-kolk te komen, en hernam haren noordwaartschen koers. Toen

wisselde de oude zeeman een hartelijken maar laatsten handdruk met

zijn makker, stapte in zijn sloep, heesch zijn zeil en vertrok naar

het eiland Jura.

Wat den jonkman betreft, wiens »dorlach", een soort van lederen

reisvalies, aan 't dek gebracht was, hij was een toerist te meer,

die door de Glengarry naar Oban zou overgevoerd worden.

De stoomboot, na de eilanden Shuna en Luing, waar de rijke leigroeven,

toebehoorende aan den markies van Breadalbane, aangetroffen worden,

rechts te hebben laten liggen, stevende langs het eiland Seil, hetwelk

dat gedeelte van de Schotsche kust dekt. Daarna stoomde het vaartuig

de Firth van Lorne binnen, voer tusschen het vulkanische eiland

Kerrera en de vaste kust door, en wierp eindelijk zijn trossen uit,

om aan de staketpalen van de haven van Oban gemeerd te worden.

De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht · 第 15 / 68 题