Daags daarna, den 2den Augustus al heel vroeg, stapte miss Campbell,
vergezeld door hare ooms, de gebroeders Melvill en gevolgd door
Partridge en juffrouw Bess, op het station van de spoorwegbaan van
Helenaburg in den trein. Men zou zich te Glasgow inschepen op de
stoomboot, die den dagelijkschen dienst tusschen die stad en Oban
verricht, en geen andere plaats aan de kust gelegen aandoet.
Tegen zeven uur bracht de trein onze vijf reizigers in het
aankomst-station te Glasgow aan, van waar een rijtuig hen naar
Broomielaw Bridge vervoerde.
Daar wachtte de stoomboot Columbia reeds de passagiers. Een dikke rook
ontsnapte uit haar beide schoorsteenen en vermengde zich met den dikken
nevel, die nog over de Clyde hing. Maar die morgendampen begonnen zich
op te lossen, en de loodkleurachtige schijf der zon vertoonde reeds
eenige gulden schakeeringen. Dat was de voorbode van een schoonen dag.
Miss Campbell en haar reisgenooten scheepten zich dadelijk in, nadat
hun bagage behoorlijk verzorgd en aan boord gebracht was.
De bel liet in dit oogenblik haar derde en laatste geklingel
weergalmen om de te-laat-komers tot spoed aan te zetten. Daarop zette
de machinist de machine aan; de schoepen der raderen sloegen een paar
slagen vooruit, een paar achteruit, en wierpen groote golven geelachtig
water omhoog, waarna een scherp fluitje weerklonk. De trossen werden
toen losgegooid en de Columbia schoot weldra in den stoomdraad vooruit.
De reizigers, die in het Vereenigd Koninkrijk reden tot klachten
meenen te hebben, handelen veelal onbillijk. Want het zijn prachtige
vaartuigen, die hen vanwege de stoomboot-maatschappijen ter beschikking
worden gesteld. Er is niet zoo'n smalle waterstroom, geen zoo'n klein
meer, geen zoo'n zeeboezemtje, welks oppervlakten niet dagelijks
doorploegd worden door bevallige stoomvaartuigen. Het is dan ook
hoegenaamd niet bevreemdend, dat de Clyde in dat opzicht onder de
meest begunstigde behoort. Langs de Broomielaw Street, alwaar de
aanlegplaats of beter de stoomboot-kade gevonden wordt, wemelt het
letterlijk van stoomvaartuigen, die met hunne met de levendigste
kleuren beschilderde raderkasten, waarin het verguldsel strijd voert
met het Cinaber-geel, steeds stoom op hebben en gereed zijn om in
alle richtingen te vertrekken.
De Columbia maakte op den algemeenen regel geen uitzondering. Zij was
zeer lang, zeer scherp van boeg en vertoonde een zuivere waterlijn. Zij
had een krachtvolle machine, die raderen van een machtigen omvang in
beweging bracht, en was een vaartuig van groote snelheid. Inwendig
heerschte de meest mogelijke comfort in de salons en eetkamers. Op het
dek was een halfdek aangebracht dat behoorlijk tegen de zonnestralen
beschut was door een tent, sierlijk gefestonneerd, waaronder zich
banken en stoelen met zachte kussens bevonden. Dat was een bekoorlijk
plekje, waar de reizigers een uitmuntend uitzicht genoten en geen
last hadden van rook of andere onaangename geuren.
Aan reizigers was geen gebrek. Zij kwamen zoowat van alle kanten
opdagen, zoowel van Schotland als van Engeland. De maand Augustus
is de meest gunstige voor de uitstapjes. Vooral die op de Clyde en
naar de Hebriden vallen buitengewoon in den smaak. Er bevonden zich
daar op dat dek een paar van die huisgezinnen op groot compleet,
wier echtvereeniging buitengewoon edelmoedig door den hemel gezegend
was; zeer vroolijke jonge meisjes en meer bedaarde jonge mannen,
ook kinderen, die evenwel reeds eenigermate met de verrassingen van
het omzwervend leven vertrouwd geraakt waren; verder predikanten,
die steeds zoo talrijk aan boord der stoombooten aanwezig zijn, met
den hoogen zijden hoed op het hoofd, den zwarten jas met staanden
kraag aan, de witte das, boven het vest prijkende, om den hals; verder
eenige pachters met de Schotsche muts getooid en door hun zwaren stap
aan de oude »Bonnet-lords" herinnerende van een zestig jaar geleden;
dan nog een half dozijn vreemdelingen, waaronder Duitschers, die zelfs
buiten Duitschland hunne zwaarwichtigheid niet verliezen, en twee of
drie Franschen, wier geestige beminnelijkheid hen zelfs niet buiten
Frankrijk verlaat.
Wanneer miss Campbell als de meeste harer landgenooten gehandeld had
en zich, zoodra zij aan boord kwam, in het een of ander hoekje had
neergezet, om dit gedurende de geheele reis niet meer te verlaten,
en zelfs het hoofd niet te durven omkeeren, dan zou zij van de oevers
der Clyde slechts dat gezien hebben, wat zich recht voor hare oogen
voorbij bewoog. Maar zij had pret er in om heen en weer te trippelen,
nu eens op het voorschip, dan weer op het achterschip. Zij beschouwde
de steden, de burchten, de dorpen en gehuchten, waarmede die oevers
als bezaaid zijn. Hieruit volgde de noodzakelijkheid, dat broeder Sam
en broeder Sib, die haar overal vergezelden, haar vragen beantwoorden,
haar opmerkingen en waarnemingen goedkeurden of bevestigden, tusschen
Glasgow en Oban geen oogenblik rust hadden. Zij dachten er evenwel niet
aan zich daarover te beklagen, dat was aan hun baantje van eerewacht
van het jonge meisje verbonden, en zij volgden haar als uit instinct,
terwijl zij elkander een snuifje aanboden, dat meewerkte om hen in
goede luim te houden.
Juffrouw Bess en Partridge hadden op het voorste gedeelte van het
halfdek plaats genomen en keuvelden vriendschappelijk over den ouden
tijd, over de in onbruik geraakte zeden en gewoonten, over de clans,
die in ontbinding geraakten. Waar waren die zoo te betreuren tijden
van weleer? Toen verdween de zuivere gezichteinder van de Clyde
nog niet achter de uitgebraakte rookwolken van de fabrieken; haar
oevers weerklonken niet van de doffe slagen, te weeg gebracht door
de stoomhamers; haar kalme wateren werden niet opgezweept door die
machtige inspanning van de duizenden stoom-paarden-krachten!
»O! die tijd zal terugkomen!" zei juffrouw Bess met innige overtuiging
in hare stem. »En misschien vroeger dan wij denken."
»Het is te hopen," antwoordde Partridge ernstig en deftig, »en
met hem zullen wij de oude zeden en gewoonte onzer voorouders zien
terugkeeren!"
De oevers der Clyde ontrolden zich middelerwijl voor hen, die zich aan
boord der Columbia bevonden, met snelheid van voren naar achteren,
evenals de tafereelen van een beweeglijk panorama. Ter rechterzijde
vertoonden zich het dorpje Patrick, aan de uitwatering van de Kelvin,
met zijn uitgestrekte dokken, waarin de ijzeren zeeschepen vervaardigd
worden, die zich vlak tegenover de dokken van Goivan, op den anderen
oever der Clyde gelegen, bevonden. Wat een gehamer en een getiktak
op ijzeren platen, welke machtige rook- en stoomwolken daar, die
het gehoor en het gezicht van Partridge en van zijn gezellin zoo
onaangenaam aandeden!
Maar al dat nijverheids-spektakel, al die kolendamp zou langzamerhand
ophouden en voor het oog verdwijnen. In plaats van scheepstimmerwerven,
van overdekte dokken, van hooge fabrieksschoorsteenen, van die
reusachtige ijzeren stellingen, die zoozeer op vergroote kooien van
een zoölogischen tuin van mastodonten en andere voorwereldlijke
dieren gelijken, begonnen behaaglijke woningen te verschijnen,
buitenverblijven, onder het groene loof van hoog geboomte verscholen
villa's van de anglo-saksische bouworde, die zich als verspreid op
de omliggende heuvelen verhieven. Het was toen als een onafgebroken
opvolging van fraaie villa's en kasteelen, die zich als gezaaid op
een groenen band van de eene tot de andere stad ontrolden.
Na den ouden koninklijken burcht van Renfrew, op den linkeroever van de
rivier gelegen, voorbij gestoomd te zijn, kwamen de dicht begroeide
heuvels van Kilpatrick ter rechterzijde boven het dorp van dien
naam te voorschijn. Langs die plek kan geen Ierlander voorbijgaan,
zonder zich het hoofd te ontblooten, want daar is Sint-Patrick,
de beschermheilige van Ierland, geboren.
De Clyde begon van rivier of stroom, die zij tot nu toe slechts
geweest was, nu een ware zeearm te worden. Juffrouw Bess en
Partridge groetten eerbiedig de bouwvallen van Douglas-Castle, die
eenige oude herinneringen uit de geschiedenis van Schotland in hun
brein te voorschijn riepen; maar hunne oogen wendden zich af van
de zuil die opgericht werd ter eere van Harry Bell, den uitvinder
en de vervaardiger van het eerste schip, dat zich met behulp van
werktuigen bewoog en welks raderen door hun geklepper deze stille
wateren beroerden.
Eenige mijlen verder aanschouwden de reizigers, met hun Murray in de
hand, het kasteel van Dumbarton, dat zich op een basaltrots van meer
dan vijfhonderd voet hoogte verheft.
Een der beide kegelvormige toppen, door die rots gedragen, en wel de
hoogste, wordt nog de »Troon van Wallace", naar een der helden van
den onafhankelijkheidsoorlog, genoemd.
Juist op dit oogenblik begon een heer, die boven op de loopbrug
stond,--zonder dat hij daartoe uitgenoodigd was, maar ook zonder dat
iemand zulks onaangenaam vond--een kleine geschiedkundige verhandeling,
ter voorlichting van zijn reisgezellen
Een half uur later kon niemand van hen, die zich aan boord van
de Columbia bevonden, tenzij dat hij met doofheid geslagen was,
onbekendheid voorwenden met de omstandigheid, dat de Romeinen Dumbarton
zeer waarschijnlijk versterkt hadden; dat die historische rotsklomp
in het begin der dertiende eeuw in een koninklijke vesting herschapen
werd; dat hij, bevoordeeld door het Unie-traktaat, tot de vier sterke
plaatsen van het koninkrijk Schotland behoort, die niet ontmanteld
mogen worden; dat Maria Stuart van uit die haven in 1548 naar Frankrijk
vertrok, om daar door haar huwelijk met Frans den Tweeden, koningin
voor één dag te zijn, dat daar eindelijk Napoleon in 1845 had moeten
opgesloten worden, voor dat het ministerie Castlereagh tot een besluit
kwam, den grooten man naar Sint Helena te verbannen.
»Zoo'n verhandeling is zeer leerrijk."
»Leerrijk en belangwekkend," antwoordde broeder Sib. »Die gentleman
verdient ten volle onze loftuigingen!"
En inderdaad, de beide ooms hadden geen enkel woord van de geheele
verhandeling willen missen. Zij achtten zich dan ook verplicht, dien
geïmproviseerden professor in de geschiedenis een blijk hunner innige
tevredenheid te geven. Miss Campbell, in haar gedachten verzonken,
had niets gehoord van die geschiedenis-les in de vlucht. Zoo iets
kon haar, althans in deze oogenblikken, niet boeien. Zij gunde
zelfs geen blik aan de bouwvallen van het kasteel van Cadross,
dat op den rechteroever van den stroom gelegen was, en waar Robert
Bruce stierf. Een zee-gezichteinder, dat was het wat hare oogen
tot nu toe te vergeefs zochten. Zij zou dien evenwel niet zien,
voor dat de Columbia uit die voortdurende opvolging van oevers, van
voorgebergten, van kuststreken, die de baai van de Clyde omzoomen,
te voorschijn zou getreden zijn. Daarenboven, de Columbia stoomde
thans het dorpje Helenaburg voorbij. Port-Glasgow, de bouwvallen van
het kasteel van Newark, het schiereiland Rosenheat, dat alles was
haar bekend, dat zag het jonge meisje iederen dag uit de ramen van
haar buitenverblijf. Zij vroeg zich dan ook af, of de stoomboot niet
op de grillig aangelegde waterpartijen van haar park voer.
En waarom zouden haar oog en haar gedachten, toen het vaartuig verder
gekomen was, verdwalen te midden van honderden schepen, die zich
in de havenkommen van Greenock bij de uitwatering van den stroom als
verdrongen? Wat kon het haar schelen, dat de onsterfelijke Watt geboren
was in die stad van veertig duizend zielen, die als de nijverheids-
en handels-voorkamer van Glasgow te beschouwen is? Waarom toch zou zij
drie mijl verder, haar blikken laten rusten op het dorp Gouroch ter
linkerzijde, of op het dorp Dunoon ter rechter zijde, op de getande
en bochtige fiords, die zoo diepe inhammen in de kuststreken van
het graafschap van Argyle vormen en die aan de kust van Noorwegen
gelijk stellen?
Neen! miss Campbell zocht met ongeduldig oog de bouwvallen
van den toren van Leven. Hoopte zij er een geestverschijning te
ontwaren? Geenszins, maar zij wilde de eerste zijn, die den vuurtoren
in het oog kreeg van Clock, die den uitgang van de Firth of Clyde
verlicht.
De vuurtoren verscheen eindelijk als een reuzenlamp, toen het
stoomschip een hoek, dien de kuststreek vormde, rondde.
»Clock, oom Sam," zeide zij. »Clock, Clock!"
»Ja, Clock," antwoordde broeder Sam met de nauwkeurigheid van een
Hooglandsche echo.
»De zee, oom Sib!"
»Ja, inderdaad de zee," antwoordde broeder Sib.
»O! wat is dat mooi!" riepen de beide ooms te gelijk.
Het was alsof zij de zee voor den eersten keer van hun leven
aanschouwden.
Neen, er was geen vergissing mogelijk. Toen de baai zich voor het oog
opende, vertoonde zich daar goed en wel een uitgestrekte zee-horizon.
Maar de zon had nog niet eens de helft van haar loopbaan
afgelegd. Onder den zes en vijftigsten breedtegraad moesten nog
minstens zeven uur verloopen, alvorens zij in de zilte golven zou
onderduiken,--dus nog zeven uur van ongeduldig wachten voor miss
Campbell. Daarenboven, die gezichteinder strekte zich in het zuidwesten
uit, dat wil zeggen over dat segment van den cirkelboog, waarin
de zonneschijf zich bij haar ondergaan niet laat zien dan bij den
winterzonnestilstand. Daar moest dus de verschijning van den Groenen
Straal niet gezocht worden; neen men zou den blik meer westelijk, zelfs
ietswat naar het noorden moeten richten, daar de eerste Augustusdagen
de dag- en nachtevening van September zes weken voorafgaan.
Maar dat kwam er minder op aan. Het was de zee, die zich thans voor
het oog van miss Campbell uitstrekte. Tusschen de Cambray-eilanden,
daar voorbij het groote eiland van Bute, welks scherpe omtrekken door
een lichten nevel afgerond werden, dan voorbij de kleine toppen en
ruggen van Aisla-Craig en der Arran-bergen, vormden de hemel en de
zee te zamen een lijn zoo zuiver, alsof zij langs de liniaal met een
fijn aangepunt potlood getrokken was.
Miss Campbell nam dien gezichteinder waar, terwijl zij er hare geheele
gedachten aan wijdde, en sprak daarbij geen woord. Zij stond rechtop
en onbeweeglijk op de loopbrug, en de zon vormde aan haar voeten
een zeer verkorte schaduw van haar persoon. Met het oog scheen zij
de lengte van den boog te meten, dien de dagvorstin nog scheidde
van het punt waar zij in de wateren van den hybridischen archipel
zou ondergaan.... Wanneer slechts in dat oogenblik de hemel, zoo
helder thans, niet door de dampen van den schemeravond verduisterd
zoude worden!
Een stem ontvoerde de jeugdige dweepster aan hare droomerijen.
»Het is tijd," zei broeder Sib.
»Tijd! welke tijd, waarde oompjes?"
»Tijd om te ontbijten," zei broeder Sam.
»Kom, laten wij dan ontbijten!" antwoordde miss Campbell.