Ziehier, wat de liefhebbers van natuurkundige aardigheden dien dag
in de »Morning Post" hadden gelezen:
»Hebt gij wel eens een zons-ondergang boven een zee-horizon
waargenomen? Voorzeker, nietwaar? Hebt gij dat zoo schoone
natuurtafereel gevolgd, tot dat de bovenrand der zonneschijf,
de watervlakte rakende, op het punt is te verdwijnen? Zeer
waarschijnlijk. Maar hebt gij dan het natuurverschijnsel opgemerkt,
dat zich in het allerlaatste oogenblik voordoet, waarin de schitterende
zon haar laatsten straal doet zien, bij een geheel zuivere lucht,
die van iederen nevel vrij is? Dat wellicht niet. Welnu, de eerste
maal dat gij in de gelegenheid zult zijn,--en die gelegenheid doet
zich zeer zelden voor,--om die waarneming te doen, dan zal het geen
roode straal zijn, die volgens uwe meening op het netvlies van uw oog
zal weerkaatsten, maar het zal een groene zijn, van een wonderlijk
groen, een groen dat geen schilder op zijn verfbord kan te voorschijn
tooveren, een groen, welker natuur nimmer bij de zoo afgewisselde
kleurmenging van het plantenrijk, noch bij de schakeering van de
helderste zeeën is waargenomen kunnen worden! Wanneer er groen in
het Paradijs bestaat, dan kan het niet anders dan dat groen zijn,
wat dan ongetwijfeld het groen der Hoop is!"
Zoo luidde het artikel van de Morning Post, dagblad, hetwelk Miss
Campbell bij haar binnentreden in de hall in de hand hield. Dat
artikel was voldoende geweest om haar op te winden.
Met een geestdriftvolle stem las zij dan ook de weinige regels die
met hare stembuiging als een lyrische lofzang de schoonheden van den
Groenen Straal bezongen, aan hare ooms voor.
Maar wat miss Campbell hun verzweeg, was dat die Groene Straal
overeenkwam met een oude legende, welker innige beteekenis haar tot
nu toe ontsnapt was. Het was een raadselachtige legende, te midden
van zoovele andere, die in de Hooglanden verteld worden en waarbij te
verstaan werd gegeven, dat die straal de macht had, den sterveling,
die hem gezien had, de gaaf te verleenen zich in hartzaken niet te
kunnen vergissen. Door zijne verschijning werden alle onwaarheden en
droombeelden vernietigd, zoodat hij, die het geluk had hem eens waar
te nemen, helder in zijn eigen hart en in dat van anderen kon lezen.
Dat de lezer de dichterlijke lichtgeloovigheid eener jeugdige
Schotsche vergeve, die in haar brein door de lezing van dat artikel
in de Morning Post weer opgewekt was.
Toen broeder Sam en broeder Sib miss Campbell zoo hoorden, keken zij
elkander verbouwereerd met verbazend wijd opengespalkte oogen aan. Tot
nu toe hadden zij het leven genoten zonder dien Groenen Straal gezien
te hebben, en zij meenden, dat men het best zonder hem kon stellen. Dit
was evenwel de meening van Helena niet, die de gewichtigste daad haars
levens van de waarneming van dat natuurverschijnsel, eenig onder allen,
afhankelijk stelde.
»Dus, dat is het wat men »de Groene Straal" noemt?" vroeg broeder Sam,
terwijl hij zachtkens met hoofd knikte.
»Ja, oom Sam," antwoordde miss Campbell.
»Dien ge volstrekt zien wilt?" vroeg broeder Sib.
»Met uw verlof, dien ik zien zal, waarde ooms, en zoo spoedig mogelijk,
met uw welnemen."
»En dan, als ge hem gezien zult hebben?...."
»Als ik hem gezien zal hebben?.... Wel, dan kunnen wij over mijnheer
Aristobulus Beerenkooi praten."
Broeder Sam en broeder Sib keken elkander ter sluiks aan en een
glimlach van verstandhouding krulde hunne lippen.
»Kom, laten wij den Groenen Straal gaan zien," zei de een.
»Kom, zonder een oogenblik te loor te laten gaan!" zei de ander.
Maar miss Campbell weerhield hen met een handgebaar, toen zij het
venster der hall wilden openen.
»Wij moeten op zons-ondergang wachten," zei zij.
»Van avond dus...." knikte broeder Sam.
»En dat de zon in een zeer zuiveren dampkring ondergaat," vervolgde
miss Campbell.
»Welnu, na het middagmaal zullen wij alle drie naar de punt van
Rosenheat wandelen...."
»Of nog beter, wij zullen eenvoudig den toren van het buitenverblijf
beklimmen," zei broeder Sam.
»Op Rosenheat-punt, zoowel als op dien toren," antwoordde miss
Campbell, »hebben wij geen ander vergezicht dan dat van de oeverstreek
der Clyde. Wij moeten evenwel de zon zien ondergaan op zee, wanneer zij
achter de wateroppervlakte verdwijnt. Mijn oompjes zijn dus gehouden
mij in den kortst mogelijken tijd voor zoo'n zeegezicht te brengen!"
Met haar allerliefsten glimlach op de lippen sprak miss Campbell,
evenwel zoo ernstig, dat de gebroeders Melvill aan een zoo te berde
gebrachte vordering geen weerstand kon bieden.
»Er is toch geen haast bij?...." meende broeder Sam evenwel in het
midden te moeten brengen.
Broeder Sib schoot te hulp, door er bij te voegen:
»Oh! wij hebben den tijd...."
Miss Campbell schudde het bevallige hoofdje.
»Neen, wij hebben niet den tijd," antwoordde zij, »integendeel,
er is veel haast bij."
»Werkelijk? Zou dat belangstelling voor mijnheer Aristobulus Beerenkooi
zijn?...." vroeg broeder Sam.
»Wiens geluk, zooals het schijnt, van de waarneming van den Groenen
Straal afhangt?...." meende broeder Sib.
»Kom die gekheid! Neen, er is haast bij, lieve ooms! omdat wij reeds
in Augustus zijn," antwoordde miss Campbell, »en de nevels weldra
onze Schotsche lucht zullen komen bederven! Wij moeten van de weinige
schoone avonden gebruik maken, die het einde van den zomer en het
begin van den herfst ons schenken zullen! Nu, wanneer vertrekken wij?"
Zooveel was zeker, dat wanneer miss Campbell in dat jaar den Groenen
Straal nog wilde waarnemen, er geen tijd te verliezen was. Alles wat
den broeders overbleef te doen, en dat nog wel zonder een dag verloren
te laten gaan, was zich onmiddellijk naar het een of andere punt van
de Schotsche kust te begeven, die op het westen lag, zich daar zoo
gemakkelijk mogelijk in te richten, om iederen avond den ondergang der
zon te gaan waarnemen en haren laatsten straal te bespieden. Wellicht
dat dan miss Campbell, met een weinig geluk, haren wensch, die niet
van grilligheid vrij te pleiten was, in vervulling zou zien komen,
wanneer namelijk de lucht tot de waarneming van het natuurverschijnsel
wilde medewerken, wat wel een tref zoude zijn, want, zooals de Morning
Post zei, kon die waarneming tot de zeer zeldzame gerekend worden.
En dat dagblad was voorzeker goed ingelicht.
Vooreerst gold het nu te zoeken en te kiezen een strook der westkust,
vanwaar het natuurverschijnsel zichtbaar zoude zijn. Maar om die te
vinden, moest men de baai der Clyde verlaten.
Want die geheele inham, die de monding der Firth of Clyde vormt, is
als bezaaid met hinderpalen, die het gezichtsveld begrenzen. Hier zijn
het de Bute's Kiles en het Arran-eiland, elders weer de schiereilanden
van Knapdale, van Gantyre, van Jura en van Islay, alle reusachtige
verbrokkelingen van rotsen in een gewelddadig geologisch tijdperk,
die een soort van eilanden-zee ten westen van het graafschap Argyle
vormen. Onmogelijk zou het zijn, daar een segment van den zee-horizon
te vinden, waarop de blik een zonsondergang kon waarnemen.
Dus wilde men Schotland niet verlaten, dan moest men òf meer
noordwaarts òf meer zuidwaarts trekken. Men had een onmetelijk
onderzoekingsveld voor zich, maar slechts weinig tijd om vóór de
herfstnevelen klaar te zijn. Naar welke streek zou men trekken? Dat
kon miss Campbell niets schelen. Of het de kust van Ierland, de kust
van Frankrijk, de kust van Noorwegen, van Spanje of van Portugal mocht
zijn, zij zou overal heen gegaan zijn, waar zij de afscheidsstralen
der ondergaande zon had kunnen opvangen. En of dit de gebroeders
Melvill gelegen of niet gelegen kwam, daarom bekreunde zij zich niet,
zij moesten met haar meê!
De beide ooms, na een blik--maar welk een blik van diplomatische
geslepenheid!--met elkander gewisseld te hebben, haastten zich het
woord te nemen.
»Welnu, liefste Helena," zei broeder Sam. »Het is zeer gemakkelijk
aan uw wensch te voldoen. Kom, laten wij naar Oban gaan."
»Nergens zullen wij voorzeker beter zijn, dan te Oban," bevestigde
broeder Sib.
»Welnu, dan maar naar Oban," antwoordde miss Campbell. »Maar is daar
te Oban een zeehorizon?"
»Dat zou ik meenen!" riep broeder Sam uit.
»Eerder twee dan een!" bevestigde broeder Sib met een uitroep.
»Welnu, dan maar op reis!"
»Ja, over drie dagen," zei een der ooms.
»Neen over twee dagen," zei de andere, die het noodig oordeelde
inschikkelijkheid te betoonen.
»Wat over twee dagen! Neen, morgen reeds!" antwoordde miss Campbell,
die opstond, toen de klok voor het middagmaal zich liet hooren.
»Morgen.... wel ja.... morgen!" zei broeder Sam.
»Ik wou er al zijn," betuigde broeder Sib.
Zij spraken waarheid maar waarom die haast? Omdat Aristobulus
Beerenkooi besloten had de zomermaanden te Oban door te brengen,
en daar reeds sedert veertien dagen was. Miss Campbell, die deze
bijzonderheid niet wist, zou zich daar in de nabijheid van dat
jonge mensch bevinden, die onder de geleerdste, maar ook--en dat
gisten de gebroeders Melvill niet--onder de vervelendste wezens
kon meetellen. Daar, dachten de beide slimmerds, zal miss Campbell,
na zich vruchteloos de oogen vermoeid te hebben met het waarnemen
van zonsondergangen, hare gril opgeven en eindigen met haar sierlijk
gehandschoend handje in de meer plompe hand van haren aanstaande te
leggen. En al had Helena dat alles ook kunnen gissen, dan zou zij toch
vertrokken zijn; want de tegenwoordigheid van Aristobulus Beerenkooi
kon haar niet van streek brengen.
»Bet!"
»Beth!"
»Bess!"
»Betsy!"
»Betty!"
Die reeks van namen weerklonk weer in de hall. Maar ditmaal verscheen
juffrouw Bess en ontving de bevelen om den volgenden morgen voor een
dadelijk vertrek klaar te zijn.
En werkelijk men moest zich haasten: de barometer, die op dertig
en drie tiende streep (769 mm.) stond, kondigde mooi weer aan, dat
eenigen tijd zou duren. Wanneer men 's morgens vroeg vertrok, zou
men nog tijdig genoeg te Oban aankomen om den zonsondergang te zien.
Juffrouw Bess en Partridge hadden nu met dat ophanden zijnde
vertrek natuurlijk de handen vol. De zeven-en-veertig sleutels van
de huishoudster tikten en weerklonken in haar zak als de halsbellen
van een spaansch muildier.
Hoe veel kasten en laden moesten niet geopend, maar vooral gesloten
worden! Wellicht zou het buitenverblijf te Helenaburg lang leeg staan,
wie zou dat kunnen voorspellen? Moest er geen rekening gehouden
worden met het grillig karakter van miss Campbell? En wanneer dat
overheerlijke persoontje het in het hoofdje kreeg haren Groenen
Straal te achtervolgen? En wanneer die Groene Straal met een soort
van behaagzucht behept was en zich verborgen hield? En wanneer de
omstreken van Oban niet de noodige helderheid van lucht aanboden,
toch zoo noodzakelijk om zoo'n waarneming te doen gelukken? En wanneer
men een anderen observatiepost moest kiezen, op een meer zuidelijk
gelegen kuststreek, hetzij van Schotland, hetzij van Engeland,
hetzij van Ierland, hetzij zelfs van het vaste land? Men zou den
volgenden morgen vertrekken, dat was overeengekomen, dat stond vast;
maar wanneer zou men op het buitenverblijf terugkeeren? Binnen een
of binnen zes maanden? binnen een of over zes jaar?
»Waartoe toch die inval om dien Groenen Straal te willen zien?" vroeg
juffrouw Bess aan Partridge, die zijn best deed om haar te helpen.
»Ik weet het niet," antwoordde Partridge, »maar dat moet toch niet
zonder belangrijkheid zijn; want onze jonge meesteres doet niets zonder
er goede redenen voor te hebben. Dat weet gij trouwens, mavourneen."
Mavourneen is een uitdrukking, waarvan men zich in Schotland gaarne
bedient. Het komt nagenoeg met de Hollandsche uitdrukking van »mijn
waarde" overeen. En het was vooral aan de uitmuntende huishoudster
niet ongevallig, aldus door den braven Schot betiteld te worden.
»Ik ben het met u eens, Partridge," antwoordde zij, »dat die gril
van onze miss Campbell, zonder dat wij zulks vermoeden kunnen, een
geheime gedachte tot grondslag heeft."
»Maar welke?"
»Weet ik het? Daar zit òf een formeele weigering, òf minstens een
uitstel ten opzichte van de plannen harer ooms achter!"
»Zoudt ge kunnen denken? Ik begrijp inderdaad ook niet," was de
meening van Partridge, »waarom die heeren Melvill zoo zeer ingenomen
zijn met dien mijnheer Beerenkooi. Komaan, zeg eens ronduit, zou dat
wel een goed echtgenoot voor onze jonge juffrouw wezen?"
»Wees daarvan overtuigd," antwoordde de huishoudster, »dat wanneer
die meneer haar maar half aanstaat, zij hem in 't geheel niet tot
echtgenoot zal aannemen. Zij zal met haar fijn bekje »neen" tegen haar
ooms zeggen, terwijl zij hun een hartelijken kus op beide wangen zal
geven, en die ooms zullen dan de verbaasden spelen, dat zij ook maar
een oogenblik een gedachte hebben kunnen wijden aan zoo'n minnaar,
wiens pretenties mij volstrekt niet aanstaan."
»En mij ook niet, mavourneen!"
»Ziet ge, Partridge, het hartje van miss Campbell is als die lade
daar, goed gesloten onder haar zekerheidsslot. Zij alleen bezit er
den sleutel van, en wil iemand die lade openen, dan moet zij dien
sleutel vrijwillig afstaan...."
»Tenzij men haar dien ontfutselt;" viel Partridge met een
geheimzinnigen maar toch toestemmenden glimlach in.
»O! dien ontfutselt men haar zoo niet, of zij moet hem zich willen
laten ontfutselen," antwoordde juffrouw Bess, »en ik mag lijden dat
de wind mijn muts afrukke en haar op de punt van den klokkentoren
van Sint Mungo brenge, wanneer onze jonge dame ooit dien mijnheer
Beerenkooi tot man neemt."
»Een Zuidelijke!" riep Partridge met ietwat kleinachting in zijn
stem. »Een Southern, die, al is hij ook in Schotland geboren, toch
steeds aan de andere zijde der Tweed gewoond heeft!"
Juffrouw Bess schudde met het hoofd bij het hooren dier woorden. Die
twee Hooglanders begrepen elkander opperbest. Voor hen maakten de
Laaglanders, in weerwil van alle Unie-verdragen, ter nauwernood deel
uit van Oud-Caledonië. Komaan, zij konden zich niet onder de bepaalde
voorstanders van die huwelijks-plannen rekenen. Zij hoopten op beter
voor miss Campbell. Al was dat huwelijk nog zoo voegzaam, volgens hen
was voegzaamheid voor zoo'n verbintenis voor het leven niet voldoende.
»Och! Partridge!" riep juffrouw Bess uit, »de oude gebruiken der
bergbewoners waren nog de beste, en de gewoonten van onze oude Clans
waren volgens mij een betere waarborg voor het geluk bij huwelijken
dan de tegenwoordige. Vindt gij ook niet?"
»Nooit hebt gij meer waarheid gesproken, mavourneen!" antwoordde
Partridge ernstig. »Toen liet men het hart meer spreken; thans
zoekt men slechts geld! Het geld heeft zijn waarde, voorzeker, maar
toegenegenheid, innige toegenegenheid is toch beter!"
»Juist Partridge, en toen wilde men elkander vooral kennen, alvorens in
het huwelijksbootje te stappen. Herinnert gij u nog wat op de kermis
van Sint-Olla te Hirkwall placht te gebeuren? Gedurende den geheelen
tijd dat de kermis duurde, en zelfs sedert het begin van Augustus
reeds, vormden de jonge lieden paartjes en die paartjes werden
»broertje en zusje van den eersten Augustus" genoemd. Broertje en
zusje! vormt dat niet een zacht geleidelijken overgang om man en vrouw
te worden: En waarachtig, het is juist heden de eerste Augustus, dag
waarop die paartjes zich vormden, en eindelijk de kermis van Sint-Olla
begon. Och! dat God toch die prettige lieve kermis weer terug bracht!"
»Dat het Opperwezen u verhoore!" sprak Partridge met indrukwekkend
gebaar. »Wanneer oom Sib en oom Sam ooit zoo'n paartje met het een
of ander aardig Schotsch meisje gevormd hadden, dan zouden zij aan
het algemeen noodlot niet ontkomen zijn en miss Campbell zou dan twee
tantes meer tellen in hare maagschap!"
»Daar ben ik ook zeker van," antwoordde juffrouw Bess met vuur. »Maar
laat nu miss Campbell eens zoo'n paartje vormen met dien mijnheer
Beerenkooi, dan zal de Clyde eerder van Helenaburg naar Glasgow terug
stroomen, dan dat zoo iets tot een huwelijk zou leiden. Binnen acht
dagen had het »zusje" het »broertje" naar de pomp gejaagd.
Zonder uittewijden omtrent de onwelvoeglijkheden, die plaats konden
hebben bij zulk een gemeenzaamheid als door de gebruiken van Hirkwall,
die trouwens uitgeroeid zijn, aangemoedigd werden, willen wij ons
bepalen tot de mededeeling dat juffrouw Bess door de omstandigheden
wellicht in het gelijk zou worden gesteld. Maar miss Campbell en
mijnheer Aristobulus Beerenkooi vormden geen paartje van »broertje
en zusje van den eersten Augustus", zoodat, wanneer het ooit tot een
huwelijk kwam, de verloofden nimmer in de gelegenheid waren geweest
elkander te leeren kennen, zooals gebeurd zou zijn, wanneer zij het
proefvuur van de kermis van Sint-Olla zouden doorstaan hebben!
Hoe het ook zij, de kermissen werden vroeger ingesteld om de zaken,
niet om de huwelijken te bevorderen. Wij kunnen dus juffrouw Bess en
Partridge aan hun gejammer over den goeden ouden tijd overlaten. Wij
kunnen er echter bijvoegen, dat die twee al babbelende hun werk
ijverig voortzetten en geen oogenblik lieten verloren gaan.
Het vertrek was dus besloten. De plek, waar men het buitenzijn zou
gaan genieten, was gekozen. De gebroeders Melvill en miss Campbell
zouden reeds den volgenden morgen in de dagbladen voor het »High
life" onder de rubriek »aangekomen vreemdelingen" in de badplaats
Oban voorkomen. Maar hoe zou men de reis derwaarts maken? Dit was
het vraagstuk, dat ter oplossing overbleef.
Twee verschillende wegen stonden open, om zich naar dat kleine
plaatsje te begeven, dat aan de zeeëngte van Mull gelegen is op een
paar honderd mijl ten noordwesten van Glasgow.
De eerste dier wegen is de weg over land. De reiziger begeeft zich naar
Bowling, dan langs Dumbarton en den rechteroever van de Leven tot bij
Balloch, hetwelk gelegen is aan het uiteinde van het meer Lhomond. Dat
schoonste der Schotsche meren met zijn dertigtal eilanden en zijn
historische oevers, vervuld met de herinneringen aan de Mac-Gregors,
aan Mac-Farlanes, wordt doorsneden. Men is dan ten volle in het
schilderachtige land van Rob Roy en van Robert Bruce. Dalmaly wordt
dan bereikt, en van daar wordt de reis voortgezet langs een straatweg,
die langs berghellingen voert en soms ter halver hoogte daar langs
opstijgt; die zich boven en langs bergstroomen en fiords slingert
te midden van die eerste voorsprongen van den Grampianbergketen,
te midden der glens, overal met heidebloempjes overdekt, gestoffeerd
met denneboomen, met eiken, met beuken en met berkeboomen en daalt de
opgetogen toerist van het hoogland neder bij de kuststreek van Oban,
die, wat schilderachtigheid betreft, aan de meest beroemde van de
geheele Atlantische zeekust dienaangaande niets te benijden heeft.
Dat is een overheerlijk uitstapje, dat door ieder reiziger in Schotland
gemaakt is of moet gemaakt worden. Maar op dien geheelen weg geniet
men nergens een zee-horizon. Toen dan ook de gebroeders Melvill dien
weg voorsloegen, bemerkten zij ras dat dit vergeefsche moeite was.
De tweede weg, die genomen kan worden, is tegelijkertijd een rivier-
en een zeeweg. Eerst moet de Clyde afgezakt worden tot waar zij de
baai ontmoet, die aan haar haren naam ontleent. Dan voert de weg
tusschen de eilanden en eilandjes door, die den grilligen archipel
den vorm geven van een overgroote hand van een menschengeraamte, dat
daar op dat gedeelte van den Oceaan schijnt te rusten. Men vaart dan
langs die reuzenhand op tot aan de haven van Oban. Die weg was wel
verleidelijk voor miss Campbell, voor wien de goddelijke streek der
Lhomond- en Katrine-meren geen geheimen meer bezat. Daarenboven zou zij
langs de zeeëngten tusschen de eilanden en in de baaien vergezichten
naar den kant van het westen hebben, welker omtrek duidelijk door die
lijn aangegeven wordt, waar land en water elkander schijnen te raken.
Welnu, zou het onmogelijk zijn om alsdan gedurende dien overtocht bij
zonsondergang, wanneer de kim geheel zuiver zou zijn, dien Groenen
Straal op te vangen, welker schittering ter nauwernood het vijfde
gedeelte eener seconde duurt?
»Gij begrijpt toch, oom Sam," zei miss Campbell hoog ernstig, »en
ook gij, Oom Sib, gij begrijpt toch, dat die flikkering slechts een
oogenblik duurt. Welnu, wanneer ik gezien heb, wat ik wensch te zien,
dan is de reis ten einde, dan is het onnoodig om verder naar Oban
door te reizen en zich daar in te richten."
Ziedaar juist wat de gebroeders Melvill niet wenschten. Zij verlangden
eenigen tijd te Oban te blijven--de lezer herinnert zich waarschijnlijk
nog waarom--en hoopten, dat een te spoedige verschijning van den
Groenen Straal hunne plannen niet zou komen dwarsboomen.
Daar evenwel miss Campbell beslissende stem in het kapittel had,
en zij voor de zeereis stemde, werd deze boven de landreis met
meerderheid van stemmen verkozen.
»De duivel hale dien Groenen Straal!" zei broeder Sam, toen Helena
de hall verlaten had.
»En dat hij hen medeneme, die hem uitgedacht hebben," voegde broeder
Sib er bij.