BROEDER SAM EN BROEDER SIB.

»Bet!"

»Beth!"

»Bess!"

»Betsy!"

»Betty!"

Dat waren de namen, die achtereenvolgens in de prachtige »hall" van

Helenaburg weerklonken. Dat geroep was een onveranderlijke gewoonte

van broeder Sam en van broeder Sib, wanneer zij de huishoudster van

het buitenverblijf noodig hadden.

Maar in dit oogenblik deden die verkleinwoordjes van Elisabeth evenmin

de waardige draagster daarvan te voorschijn komen, als wanneer hare

heerschappen haar bij den naam voluit geroepen hadden.

Het was de intendant Partridge in persoon, die zich met de muts in

de hand aan de deur der hall vertoonde.

Zich tot de roependen, twee personen van fatsoenlijk uiterlijk,

wendende, die op den kozijnmuur zaten van een venster, welker drie

glazen als ruitvormige vakken buiten den gevel der woning uitstaken:

»Roepen de heeren juffrouw Bess?" zei hij; »maar die is niet op het

buitenverblijf."

»Waar is zij dan, Partridge?"

»Zij vergezelt miss Campbell, die in het park wandelt."

Partridge vertrok hoogst ernstig op een teeken, dat hem beide

personen gaven.

Die personen waren broeder Sam en broeder Sib,--verkleinwoorden,

afkomstig van hunne doopnamen Samuel en Sebastiaan--de ooms van

Miss Campbell. Het waren Schotten van het oude ras, Schotten van een

ouden Clan der Hooglanden, zij telden te zamen honderd twaalf jaar,

en scheelden slechts vijftien maanden met elkander. Sam was de oudste,

Sib de jongste.

Om die twee typen van eer, goedheid en toewijding bij uitnemendheid met

weinige trekken te schetsen, zal het voldoende zijn mede te deelen, dat

hun geheele bestaan aan hunne nicht gewijd was. Zij waren de broeders

van hare moeder, die, nadat zij na een kortstondig huwelijksgeluk

van slechts een jaar, weduwe geworden was, door een snelverloopende

ziekte in het graf gesleept werd. Sam en Sib Melvill bleven dus alleen

op de wereld als verzorgers van het kleine weeskind. Door dezelfde

verteedering verbonden, leefden zij voort, dachten aan en droomden

over niets anders dan het jonge meisje.

Voor haar waren zij ongetrouwd gebleven, het moet er bij verteld

worden: zonder eenig berouw; want zij behoorden tot die goedige wezens,

die geen andere rol op dit onderaardsche te vervullen hebben dan die

van voogd. En dat was nog niet genoeg gezegd: de oudste had zich tot

vader, de jongste tot moeder van het kind gesteld. Het gebeurde dan

ook, dat miss Campbell er toe kwam hen heel natuurlijk te groeten

met een:

»Dag papa Sam! hoe vaart mama Sib?"

Met wie zou men die beide ooms beter hebben kunnen vergelijken,

behoudens hunne geschiktheid voor de zaken, dan met die twee liefdadige

kooplieden, zoo goed, zoo eender van gedachten, zoo minzaam, als

de broeders Cheeryble uit de London-City, de twee meest volmaakte

wezens, die uit het vruchtbare brein van Dickens geboren werden. Het

zou onmogelijk geweest zijn, een meer nauwkeurige gelijkenis te

treffen, al moest men den schrijver ook beschuldigen, dat type aan

het meesterstuk: Nikolaas Nickleby geheeten, ontleend te hebben;

niemand zou zich over dit plagiaat te beklagen hebben.

Sam en Sib Melvill, door het huwelijk hunner zuster vermaagschapt aan

een zijtak van het oude stamhuis der Campbells, hadden elkander nooit

verlaten. Dezelfde opvoeding had hen zedelijk aan elkander gelijk doen

worden. Zij hadden te zamen hetzelfde onderwijs in hetzelfde college

en in dezelfde klas genoten. Daar zij over het algemeen dezelfde

denkbeelden over alle zaken verkondigden in geheel overeenkomstige

uitingen, zoo kon de een steeds den volzin van den anderen eindigen met

dezelfde uitdrukkingen, onderstreept en gezinteekend door dezelfde

gebaren. In 't kort, die twee wezens vormden slechts één, hoewel

er eenig onderscheid in hun lichamelijk gestel te bespeuren was. En

inderdaad, Sam was iets grooter dan Sib en Sib was iets dikker dan

Sam; maar overigens zouden zij hunne grijze haren hebben kunnen

verwisselen, zonder het grondkarakter van hun eerlijk gezicht aan

te tasten, waarop de geheele adeldom der afstammelingen van den Clan

der Melvill's geschreven stond.

Zal ook verteld moeten worden, dat in de snede hunner eenvoudige

en ouderwetsche kleeding, in de keus van de stoffen daarvoor van

goed engelsch laken, zij een gelijken smaak aan den dag legden,

behalve dat--wie zal die geringe afwijking kunnen verklaren?--Sam de

donkerblauwe en Sib donker kastanjekleur scheen te verkiezen.

Werkelijk, wie zou niet in een innigen omgang met die twee fatsoenlijke

lieden hebben willen leven? Gewoon als zij waren, met denzelfden pas

in het leven voort te stappen, zouden zij ongetwijfeld, op weinigen

afstand van elkander, stil blijven staan, wanneer het uur van de

groote levenshalte gekomen zou zijn. In ieder geval waren die twee

zuilen van het stamhuis der Melvill's nog stevig. Zij zouden nog langen

tijd het oude gebouw van hun ras schragen, dat van de veertiende eeuw

dagteekende, dat episch tijdperk van Robert Bruce en van Wallace,

heldentijdperk, waarin Schotland zijn onafhankelijkheid tegenover

Engeland betwistte.

Maar al hadden Sam en Sib ook al niet de gelegenheid gehad om voor het

welzijn van hun land te strijden, al vlood hun minder bewogen leven

ook al heen in de kalmte van dat onbekommerd bestaan, hetwelk door het

bezitten van een vermogen te weeg gebracht wordt, zoo moet men hen

daarvan geen verwijt maken of meenen, dat zij ontaard waren. Neen,

zij vervolgden, door wel te doen, de edelaardige overleveringen

hunner voorouders.

Zij waren dan ook met de goede gezondheid, die zij genoten, en zich

geen enkele levens-onregelmatigheid te verwijten hebbende, bestemd

om, zonder oud naar geest en lichaam te worden, een hoogen ouderdom

te bereiken.

Wellicht kon hun één gebrek ten laste gelegd worden,--wie toch is

volmaakt op deze aarde?--en dat was, dat zij hunne gesprekken tooiden

met beeldspraken en aanhalingen, aan den beroemden kasteelbewoner van

Abbotsford ontleend, en meer bepaaldelijk aan de epische gedichten van

Ossian, waarmee zij dweepten. Maar wie zou hun dat in het vaderland

van Fingal en van Walter Scott tot grief gemaakt hebben?

Om hunne schets met een laatsten potloodstreek te eindigen, moet

medegedeeld worden, dat zij groote snuifverbruikers waren. Nu is het

bij niemand onbekend, dat het uithangbord der tabaksverkoopers voor

het meerendeel een moedigen Schot voorstelt, die, in het nationaal

kostuum gekleed, met de snuifdoos in de hand afgebeeld is. Welnu, de

gebroeders Melvill zouden waardiglijk overgebracht hebben kunnen worden

op de met verf bekladde zinken platen, die boven de tabakswinkels in

den wind krassen. Zij snoven zooveel en zelfs meer dan iemand, wie ook,

aan deze of gene zijde van de Tweed. Maar, kenmerkende bijzonderheid,

zij bezaten slechts één snuifdoos, die evenwel bijzonder groot was. Dat

draagbaar voorwerp ging steeds uit den zak van den eenen in dien van

den anderen over. Dit was als een band tusschen hen beiden. Er zal

wel niet bijgevoegd behoeven te worden, dat zij minstens tien keeren

in het uur de behoefte gevoelden, het overheerlijke nikotiaansche

kruid, dat zij uit Frankrijk lieten komen, te gebruiken. Wanneer de

een de snuifdoos uit de diepte van zijn rok voor den dag haalde, dan

haakten beiden naar een goed snuifje, en wanneer zij moesten niezen,

dan zeiden zij beiden: »God zegene u!"

Overigens waren de broeders, Sam en Sib, waarlijk kinderen, wanneer

het de werkelijkheid des levens betrof. Zij waren zeer weinig op

de hoogte der wereldsche en geheel en al niet op het gebied van

nijverheids-, geld- of handelszaken. Zij beweerden dan ook niet,

er iets van te begrijpen. Op staatkundig gebied waren zij nog minder

thuis, hoewel zij wellicht Jakobus-Gezinden mochten heeten, die eenige

vooringenomenheid jegens het regeerend huis van Hannover koesterden

en een gedachte wijdden aan den laatsten der Stuarts, zooals een

Franschman aan den laatsten koning uit het huis van Valois zou kunnen

denken. Maar in gevoels-kwestiën waren zij geheel vreemdelingen.

En toch hadden de gebroeders Melvill slechts één gedachte namelijk

een helderen blik te slaan in het hart van miss Campbell, haar meest

geheime gedachten te ontraadselen, die gedachten te besturen als het

moest, die te ontwikkelen als het noodig was, om haar eindelijk aan

een braven jongen hunner keus uit te huwelijken, die niet anders doen

kon, dan haar gelukkig maken.

Moest men hen gelooven, wanneer men de zaak hoorde bepraten, dan

hadden zij juist zoo'n braven jongen gevonden, wien die aangename

taak op dit ondermaansche zou ten deel vallen.

»Helena is alzoo uit, broeder Sib?"

»Ja, broeder Sam, maar daar slaat het vijf uur, zij zal dus weldra

te huis komen."

»En zoodra zij te huis zal zijn...."

»Zal het zaak zijn, broeder Sam, een zeer ernstig gesprek met haar

te hebben."

»Binnen weinige weken, broeder Sib, zal onze dochter den leeftijd

van achttien jaar bereikt hebben."

»Den leeftijd van Diana Vernon, broeder Sam. Is zij niet even

bekoorlijk als de aanbiddenswaardige heldin van Rob Roy?"

»Ja, broeder Sib, en door de bevalligheid harer manieren...."

»Door haar geestesgaven...."

»Door de oorspronkelijkheid harer denkbeelden...."

»Brengt zij meer Diana Vernon in herinnering dan Flora Mac Ivor,

de groote en indrukwekkende figuur van Waverley!"

De gebroeders Melvill, trotsch op hunnen nationalen romanschrijver,

haalden nog eenige andere heldinnennamen aan uit den Oudheidkundige,

uit Guy Mannering, uit den Abt, uit het Klooster, uit de Mooie Meid

van Perth, uit het Kasteel van Kenilworth enz.; maar alle moesten

volgens hunne meening den eerepalm aan miss Campbell laten.

»Het is een jonge rozenstruik, die wat snel opgeschoten is, broeder

Sib, en die...."

»Een steun gegeven moet worden, broeder Sam. Ik heb mij laten zeggen,

dat de beste steun voor een jong meisje...."

»Klaarblijkelijk een echtgenoot is, broeder Sib, want die schiet

wortel naast den rozenstruik...."

»En groeit natuurlijk met den struik voort, broeder, dien hij

beschermen moet!"

Met hun beiden hadden de gebroeders Melvill als ooms die beeldspraak

gevonden, die, goed bekeken, toch aan den Volmaakten Hovenier ontleend

was. Zij waren er ongetwijfeld tevreden over; want zij wekte een

zelfden glimlach van tevredenheid op hunne goedige gezichten. De

gemeenschappelijke snuifdoos werd door broeder Sib te voorschijn

gebracht, die er voorzichtig twee vingers in bracht, waarna hij ze aan

broeder Sam overreikte, die, na een flink snuifje genomen te hebben,

haar in den zak stak.

»Wij komen dus geheel en al overeen, broeder Sam?"

»Zooals altijd, broeder Sib."

»Zelfs bij de keus van een steun?"

»Zou men een meer met Helena overeenstemmend wezen vinden, een die

meer in haar smaak kan vallen dan die jeugdige geleerde, die ons

herhaaldelijk zulke waardige...."

»En zulke ernstige gevoelens jegens haar liet blijken?"

»Dat zou inderdaad moeilijk zijn. Hij is goed onderwezen, heeft zijn

graden op de Hooge Scholen van Oxford en Edinburg behaald...."

»Hij is knap natuurkundige als Tyndall...."

»Scheikundige als Faraday...."

»Hij kent het waarom van alle zaken op dit ondermaansche, broeder

Sam...."

»Hij zal niet betrapt worden op haperen, laat het welk moeilijk

vraagstuk ook zijn, broeder Sib...."

»Hij stamt af van een belangrijke familie uit het graafschap Fife en

is daarenboven bezitter van een voldoend vermogen...."

»Zonder van zijn uiterlijk te spreken, dat zelfs met zijn aluminiumbril

zeer aangenaam is!"

Al waren de brilleglazen van dien held ook in staal, nickel of goud

gevat geweest, dan zouden de gebroeders Melvill dat nog niet als

een koopvernietigend gebrek beschouwd hebben. Het is waar, dat die

gezichtkundige toestellen aan jeugdige geleerden goed staan en zij

hun ietwat ernstig uiterlijk naar wensch voltooien.

Maar zou die gegradueerde der bovengenoemde Hooge Scholen, die

natuur- en scheikundige, aan miss Campbell bevallen! Neen, wanneer

miss Campbell op Diana Vernon geleek. De lezer weet het toch. Diana

Vernon koesterde geen ander gevoel voor haren geleerden neef Raleigh,

dan dat eener bescheiden vriendschap. Zij trouwt hem dan ook niet op

het einde van den roman.

Mooi! maar dat kon de twee broeders niet verontrusten. Zij waren

geheel en al behept met de onervarenheid van oude jongeheeren, die

geheel onbevoegd zijn in zulke zaken te oordeelen.

»Zij hebben elkander reeds dikwijls ontmoet, broeder Sib; en onze

jonge vriend scheen niet ongevoelig voor de schoonheid van Helena."

»Dat geloof ik wel, broeder Sam! Had de goddelijke Ossian hare

deugden, hare schoonheid en hare bevalligheid te verheerlijken gehad,

dan zou hij haar Moina genoemd hebben, dat wil zeggen: door iedereen

bemind...."

»Tenzij hij haar Fiona genoemd had, broeder Sib, dat wil zeggen:

de onvergetelijke schoone uit de gaëlische tijdperken."

»Had hij geen voorgevoel van het bestaan onzer Helena, broeder Sam,

toen hij schreef: »Zij verlaat hare schuilplaats, waar zij in het

geheim zuchtte en verschijnt, getooid met hare schoonheid, als de

maan in het oosten op den rand eener wolk...."

»En het schitterende harer bekoorlijkheden omgeeft haar als

lichtstralen, broeder Sib, en het geschuifel van haar lichten tred

is welgevallig voor het oor, evenals een heerlijke muziek!"

Gelukkig, dat de beide broeders daarbij hunne aanhalingen staakten

en uit den nevelachtigen hemel der barden tot het werkelijke leven

terugkeerden.

»Dat is zeker," zei de een, »wanneer Helena onzen jeugdigen geleerde

bevalt, hij hare genegenheid wel zal verwerven."

»En dat zij van haren kant, broeder Sib, hem nog niet al die

opmerkzaamheid geschonken heeft, die de verheven hoedanigheden,

waarmede hem de natuur zoo rijkelijk bedeeld heeft, verdienen...."

»Dat enkel daaraan te wijten is, broeder Sib, dat wij haar nog niet

hebben medegedeeld dat het tijd wordt voor haar om aan het huwelijk

te denken."

»Maar wanneer wij eenmaal haar denkbeelden op dat onderwerp zullen

gevestigd hebben, verondersteld dan ook al, dat zij eenigen tegenzin,

niet tegen den echtgenoot, maar tegen den echtelijken staat zou

hebben...."

»Dan zal zij toch dadelijk »ja" antwoorden, broeder Sam...."

»Zoo als die uitmuntende Benedictus, broeder Sib, die na lang weerstand

geboden te hebben...."

»In de ontknooping van »Veel geschreeuw en luttel wol" eindigt met

Beatrix te trouwen!"

Zoo bedisselden de goede ooms van miss Campbell die zaak, en die

aangegeven ontknooping scheen hun even natuurlijk toe als die uit

het komediestuk van Shakespeare.

Beiden waren als op een gegeven teeken tegelijkertijd opgestaan en

keken elkander met een fijn glimlachje aan. Zij wreven zich de handen

op de maat. Dat huwelijk was een geklonken zaak! Welke moeielijkheid

zou zich nog kunnen voordoen? De jonkman had hun de hand van het jonge

meisje gevraagd en deze zou wel haar antwoord geven, een antwoord,

waaromtrent zij zich niet te bekommeren hadden. Alle vormelijkheid

was in acht genomen, men had slechts den dag vast te stellen.

En waarlijk, dat zou een schoone dag en een fraaie plechtigheid

zijn. Zij zou te Glasgow voltrokken worden, maar niet in de kathedraal

van Sint Mungo, de eenige kerk van Schotland, die met Sint Magnus der

Orkaden in het hervormingstijdperk ongeschonden was gebleven. Neen! zij

was een te lomp gevaarte en bij gevolg niet vroolijk genoeg voor een

huwelijk, dat volgens de gebroeders Melvill een ontluiking der jeugd,

een uitstraling van liefde moet zijn. Men zou eerder Sint Andries

of Sint Enoch of zelfs Sint George kiezen, die tot bidplaats van het

meest fatsoenlijke kwartier der stad diende.

Broeder Sam en broeder Sib gingen voort met het ontwikkelen van

hunne plannen en gebruikten daarbij een spreekwijze, die meer van een

alleenspraak dan van een gesprek had, omdat het steeds de opvolging

van dezelfde denkbeelden was, die op dezelfde wijze uitgedrukt

werden. Onderwijl zij zoo praatten, vestigden zich door de ramen

hunne blikken op het fraai geboomte, waaronder miss Campbell thans

wandelde, op de groene grasperken, door beekjes met ruischend water

omzoomd, op de lucht met haren lichtgevenden nevel, die in de Schotsche

Hooglanden schijnt te huis te behooren. Zij keken elkander niet aan,

dat was onnoodig; maar door een soort van hartelijk instinct gedreven,

grepen zij van tijd tot tijd elkanders arm, drukten elkander de hand,

alsof zij door de een of andere magnetische strooming, de mededeeling

hunner gedachten wilden bevorderen.

Ja! dat zou prachtig zijn! De zaken zouden grootsch en adellijk

behandeld worden. De arme lieden van West-George Street, die daar even

goed als elders te vinden zijn, zouden bij het feest niet vergeten

worden. Mocht miss Campbell, tegen ieders vermoeden in, wenschen,

dat het huwelijk meer eenvoudig zou voltrokken worden, dan zou zij

moeite hebben om hare ooms reden te doen verstaan, en die ooms zouden

het wel tegen haar opnemen en hunne plannen doordrijven, al was dat

ook voor den eersten keer in hun leven. Neen! zij zouden noch daarin,

noch in eenig ander geval toegeven. Met de grootste plechtigheid zouden

de genoodigden bij het verlovingsmaal volgens het oude gebruik »den

dronk op den dakbalk" uitbrengen. En de arm van broeder Sam rondde

zich even als die van broeder Sib, alsof zij reeds bezig waren,

dien beroemden Schotschen dronk in te stellen.

De deur der hall ging in dit oogenblik open, en een jong meisje

verscheen met roosjes op de wangen, het gevolg van een vluggen renloop

in het park. Hare hand zwaaide een opengeslagen dagblad. Zij wendde

zich tot de gebroeders Melvill en vereerde beiden met twee kussen.

»Goeden morgen, oom Sam," zei zij.

»Goeden morgen, lieve dochter."

»En hoe vaart oom Sib?"

»Opperbest!"

»Helena," zei broeder Sam, »wij hebben iets met je te bedisselen."

»Te bedisselen! Wat te bedisselen? Kom, welke samenzwering hebben

mijn oompjes gesmeed?" vroeg miss Campbell, wier blikken niet zonder

ondeugendheid van den een naar den anderen schoten.

»Ge kent dat jonge mensch, den heer Aristobulus Beerenkooi?"

»Dien ken ik."

»Mishaagt hij je?"

»Waarom zou hij mij mishagen, oom Sam?"

»Dan bevalt hij je?"

»Waarom zou hij mij bevallen, oom Sib?"

»Wel, omdat broeder Sam en ik, na rijpe overweging, hem je tot

echtgenoot voorstellen."

»Ik trouwen! ik!" riep miss Campbell met den meest welluidenden lach,

die ooit binnen de muren der hall weerklonken had.

»Je wilt niet trouwen?" vroeg broeder Sam.

»Neen!"

»Nooit?..." vroeg broeder Sib.

»Nooit!" antwoordde miss Campbell met een ernstig gezicht, dat wel in

tegenspraak met haar lachend mondje was. »Nooit! mijn lieve ooms... ten

minste zoo lang ik niet gezien heb..."

»Wat dan?" vroegen broeder Sam en broeder Sib als om strijd.

»Zoo lang ik den Groenen Straal niet zal gezien hebben."

De wonderstraal; gevolgd door Tien uren op jacht · 第 5 / 68 题