5. De steurvisscherij in de Oeral.

De rivier Oeral is bijzonder rijk aan visschen van het

steurengeslacht. Deze visschen gaan in het begin des jaars uit de

Kaspische Zee de Oeral op, om daar hunne kuit te schieten, waaruit

men de bekende kaviaar wint. Daar hun vleesch zeer smakelijk is,

staan de grootere soorten hoog in prijs en legt de vangst dezer

visschen den grondslag tot den rijkdom der Donsche Kozakken.

Daar wij vernamen, dat de jaarlijksche wintervisscherij op de rivier

over eenige dagen in de nabijheid zou plaats hebben, begaven wij ons

tijdig daarheen. Onderweg zagen wij reeds een aantal Kozakkensleden,

beladen met eene menigte deels korte, deels lange witte stokken, die

aan het dikste einde met eene sterke en spitse ijzeren punt gewapend

waren. Op de plaats zelve waren meer dan 4000 Kozakken bijeen, en op

den hoogen rivieroever had men een klein stuk geschut geplant. Te

negen uur 's morgens liet de commandeerende officier schoten doen

tot sein, dat de visscherij een begin zou nemen. Nu snelden de

Kozakken van alle kanten toe. Zij stelden zich op het ijs, juist op

eene plaats, waar men wist, dat de visschen zich verzamelden, dwars

over de rivier in vier gelederen op. Elk gelid drie- tot vierhonderd

passen van 't ander verwijderd. Ieder man was van eene bijl voorzien,

en hiermede werden nu, 't eene een paar meters van het andere, ronde

gaten van ongeveer een' voet in doorsnede in het ijs gekapt. Bij

elk gat stonden twee of drie Kozakken, en toen dit alles in weinig

minuten gereed was, werd in iedere bijt een haak tot op ongeveer een'

voet van den grond neergelaten. Daar de vele witte stokken, die als

't ware vier heiningen dwars door de rivier vormen, den visch schrik

aanjagen, zoekt deze naar eene der zijden te ontsnappen, of misschien

wordt hij ook door nieuwsgierigheid gelokt en stoot daarbij tegen den

een of anderen haak. Zoodra de Kozak dezen stoot voelt, beweegt hij

den haak op en neder en draait den stok langzaam in de handen rond,

om zoodoende met de spits van den weerhaak het lijf van den visch te

treften. Merkt hij, dat de weerhaak gevat heeft, dan roept hij zijne

kameraden te hulp. Deze verbreeden de bijt, die gewoonlijk niet wijd

genoeg is, om den zwaren visch er door te krijgen, terwijl hij zelf

al zijne krachten inspant, om den spartelenden visch onder water vast

te houden. Heeft de haak het dier dicht bij den kop of bij den staart

gegrepen, dan wordt het door de vereende krachten van drie mannen

opgetrokken; doch dit is niet mogelijk, als de haak in 't midden van

het lijf is vastgeraakt. Hij, die den visch houdt, haalt alsdan den

stok naar de eene zijde van de bijt, terwijl een handlanger met een

anderen haak op de tegenovergestelde zijde pogingen doet, om zijne

spits op eene andere plaats in het lichaam van den visch, nader bij

kop of staart, in te boren.

Zoo eindelijk wordt de visch door de opening en op het ijs

getrokken.--In minder dan twee uren tijds had men nu zoo, volgens

het zeggen van den officier, voor meer dan 400,000 roebels visch

gevangen. Vele Russische kooplieden en kramers stonden met hunne sleden

op het ijs en kochten de zwaarste steuren, om, zoodra zij hunne volle

lading hadden, terstond naar Moskou en Petersburg te vertrekken. De

Russen houden namelijk de kaviaar voor niet zoo fijn en goed meer,

als zij boven de acht dagen oud is. De losse eitjes zijn van de

grootte eener middelmatige erwt, helder en doorzichtig, doch met een

klein grauwachtig stipje op de eene zijde. De kuit wordt in een'

trog gelegd; een weinig fijn zout daarop gestrooid en voorzichtig

omgeroerd, waarna men haar na eenige dagen gebruiken kan. Zij is

aangenamer van smaak dan de fijnste en vetste groene haring, zoodat

men haar dan ook op de ontbijttafel van elken welgestelden Rus vindt.

De heele wereld rond Een leesboek ter bevordering van natuur-, landen- en volkenkennis, ten dienste der volksschool · 第 7 / 38 题