TWEEDE HOOFDSTUK.

Waarin Passepartout de overtuiging erlangt, dat hij eindelijk

zijn ideaal gevonden heeft.

„Op mijn woord van eer,” sprak Passepartout bij zich zelven, toen hij

van zijne eerste verbazing een weinig bekomen was, „ik heb bij madame

Tussaud poppen gekend, die net zoo levend waren als mijn nieuwe

meester.”

Madame Tussaud, zooals de meeste lezers zullen weten, heeft te Londen

een museum van wassenbeelden, dat door alle Engelschen en vreemdelingen

wordt bezocht, en waarvan de poppen alleen de spraak missen om

wezenlijke menschen te schijnen.

In de weinige oogenblikken, die hij met Phileas Fogg had doorgebracht,

had Passepartout wel snel maar toch zeer zorgvuldig zijn aanstaanden

meester opgenomen. Deze was een man van omstreeks veertig jaar met een

edel, schoon gelaat, hooge gestalte, die door eene zekere gezetheid

niet werd ontsierd, blond van haar en baard met een effen rimpelloos

voorhoofd, eer bleek dan rood van kleur en met prachtige tanden. Hij

scheen in de hoogste mate te bezitten wat de beoefenaars der

gelaatkunde „de rust der beweging” noemen, eene uitdrukking eigen aan

allen, die meer handelen dan leven maken. Kalm, flegmatiek, met een

helderen blik, onbeweeglijke wenkbrauwen, was hij de volmaakte type van

die koelbloedige Engelschen, die men zoo vaak in hun vaderland aantreft

en waarvan Angelica Kauffman zoo treffend de schier academische figuur

door haar penseel heeft weergegeven. In zijne verschillende

levenstoestanden gezien, maakte die gentleman den indruk van een wezen,

wiens deelen allen in volmaakt evenwicht waren, zoo volmaakt als in een

chronometer van Leroy of Earnskow. Phileas Fogg was dan ook de

nauwgezetheid in persoon, wat duidelijk zichtbaar was in de

„uitdrukking van zijne handen en zijne voeten;” want bij den mensch

zoowel als het dier zijn de onderdeelen evenzeer organen, welke de

hartstochten en neigingen uitdrukken.

Phileas Fogg was een van die mathematisch nauwkeurige mannen, die nooit

gehaast en altijd gereed zijn en even spaarzaam met hunne schreden als

met hunne bewegingen. Hij deed geen stap te veel, omdat hij altijd den

kortsten weg nam. Hij veroorloofde zich zelven geen blik naar het

plafond, geene enkele overtollige beweging. Men had hem nog nooit

ontroerd of in verwarring gezien. Hij was de minst gejaagde man ter

wereld, maar hij kwam altoos bij tijds. Men zal intusschen begrijpen,

dat hij alleen leefde en, om zoo te zeggen, buiten eenige gemeenschap

met de wereld. Hij wist dat men in den omgang met de maatschappij in

wrijving kwam met de menschen en daar wrijving oponthoud veroorzaakt,

ging hij met niemand om.

Wat Jean, bijgenaamd Passepartout, betreft, deze was een echte

Parijzenaar uit Parijs; gedurende de vijf jaren, welke hij in Engeland

had doorgebracht, was hij kamerdienaar geweest, en vruchteloos had hij

naar een meester gezocht, aan wien hij zich hechten kon.

Passepartout was geen van die Frontins of Mascarillo’s met trotsche

houding en onbeschaamden blik. Hij was een goede kerel met vriendelijk

gelaat en eenigszins uitstekende lippen, altijd bereid om iets te

proeven of te glimlachen, een zachtaardig en gedienstig wezen met een

van die volle, bolle gezichten, die men gaarne op den hals van een

vriend ziet. Hij had blauwe oogen, eene gezonde kleur, wangen zoo rond

dat hij zelf ze zien kon, breede borst, krachtige gestalte, breede

spieren en bezat eene herculische kracht, die door de

lichaamsoefeningen in zijne jeugd bewonderenswaardig was ontwikkeld.

Zijne donkere haren waren altijd een weinig in wanorde. Zoo de

beeldhouwers der oudheid achttien verschillende manieren kenden, om het

haar van Minerva af te beelden, hij kende er slechts eene om het zijne

in orde te brengen; drie streken met de kam waren voldoende om zijn

toilet te voltooien.

Het spraakzame, openhartige karakter van den knecht was niet geheel in

overeenstemming met dat van Phileas Fogg; men zou de waarheid te kort

doen, zoo men dit beweerde. Maar was Passepartout de man, zoo stipt en

nauwgezet, als zijn meester vorderde? Dit zou uit de ondervinding

blijken. Na zijne min of meer onstuimige jeugd, verlangde hij bovenal

naar rust. Daar hij de stelselmatigheid van de Engelschen en hunne

spreekwoordelijke kalmte had hooren roemen, was hij naar Engeland

overgekomen om daar zijn fortuin te beproeven. Tot dusverre echter was

het lot hem niet bijzonder gunstig geweest. Nergens had hij zijn anker

voor goed kunnen neerleggen. Hij had wel tien meesters gehad. Overal

was men grillig, onbestendig, jaagde men de avonturen na of ging men

gedurig op reis, wat Passepartout volstrekt niet naar den zin was. Zijn

laatste meester, de jonge lord Longsferry, lid van het Parlement, kwam

vaak, na den nacht in de oester-huizen van Haymarket te hebben

doorgebracht, op de schouders van politie-agenten te huis. Daar

Passepartout in de eerste plaats achting voor zijn meester wilde

gevoelen, had hij eenige eerbiedige opmerkingen gewaagd, die slecht

werden opgenomen; het gevolg was, dat hij heenging. Toen vernam hij dat

de heer Phileas Fogg esq. een bediende zocht. Hij won inlichtingen

omtrent dezen in. Een man, wiens levenswijze zoo regelmatig was, die

altijd des nachts te huis sliep, die niet op reis ging, die nooit,

zelfs geen dag, afwezig was, moest wel in zijn geest vallen. Hij bood

zich dus aan en werd aangenomen op de wijze, als wij mededeelden.

Toen het half twaalf sloeg, was dus Passepartout alleen in het huis van

Saville Row. Hij begon thans alles eens op te nemen. Hij doorliep het

huis van den zolder tot den kelder. Overal was het netjes, ordelijk,

puriteinsch eenvoudig en goed ingericht voor den dienst. Dit beviel

hem. Het maakte op hem den indruk van een fraai slakkenhuis, maar een

slakkenhuis verlicht en verwarmd door gas, want gas voorzag in alle

eischen van verlichting en verwarming. Zonder moeite vond hij op de

tweede verdieping de kamer, die voor hem bestemd was. Deze was volkomen

naar zijn zin. Electrische klokken en spreekbuizen stelden haar in

gemeenschap met de kamers van zijn meester. Op den schoorsteen stond

eene pendule, die door een electrischen draad correspondeerde met de

pendule in de slaapkamer van Phileas Fogg en de twee uurwerken gaven

altijd dezelfde seconde aan.

„Dat bevalt me, dat bevalt me zeer goed,” sprak Passepartout bij zich

zelven.

Hij merkte in die kamer ook een lijstje op dat boven de pendule hing.

Dit behelsde het programma van hetgeen hij dagelijks had te doen. Het

bevatte, van des morgens acht ure af, op welk uur Phileas Fogg opstond,

tot half twaalf, wanneer hij zich naar de Reform-club begaf om te

ontbijten, alle bijzonderheden van den dienst: thee en geroosterd brood

ten acht ure drie en twintig minuten; scheerwater ten negen ure zeven

en dertig, het haar in orde brengen ten negen ure vijftig enz. Van half

twaalf des voormiddags tot twaalf ure ’s nachts, op welk uur de

stelselmatige Engelschman zich te rust begaf, was alles bepaald,

voorzien en geregeld. Passepartout had er pleizier in dit programma te

bestudeeren en de verschillende punten er van in zijn geheugen te

prenten.

Wat de garderobe van zijn meester betreft, deze was volmaakt in orde en

bewonderenswaardig gerangschikt. Elke broek, jas of vest had een

nummer, dat correspondeerde met een register, waarop de dagen waren

vermeld waarop de verschillende stukken waren ingekomen of uitgingen,

alsmede de tijd van het jaar, waarin zij op hunne beurt moesten worden

gedragen. Hetzelfde stelsel was gevolgd voor de schoenen en laarzen.

Kortom, dit huis in Saville Row, dat in de dagen van den beroemden maar

losbandigen Sheridan de tempel der wanorde moest zijn geweest, bevatte

thans de gemakkelijkste meubels, die van eene onbekommerde levenswijze

getuigden. Er was geen bibliotheek, er waren geene boeken, want deze

zouden voor den heer Fogg volkomen nutteloos zijn geweest, daar de

Reform-club twee bibliotheken tot zijne beschikking stelde, de een van

werken van smaak, de andere van wetenschap. In de slaapkamer stond eene

brandkast van gemiddelde grootte, die zoowel tegen de dieven als tegen

de vlammen bestand was. Wapens bevatte het huis niet, geen enkel

voorwerp voor den oorlog of de jacht. Alles bewees dat de bewoner zeer

vredelievend was.

Na de geheele woning tot in de geringste bijzonderheden te hebben

opgenomen, wreef Passepartout zich in de handen, zijn breed gelaat

begon te glinsteren en vroolijk herhaalde hij bij zich zelven:

„Het bevalt me; ’t is juist een kolfje naar mijne hand. Wij zijn het

volkomen eens, die mijnheer Fogg en ik. Een huiselijk en ordelijk man.

Een echte automaat. Nu, ik ben er niet rouwig om een mechaniek te

bedienen.”

De reis om de wereld in tachtig dagen · 第 2 / 39 题