Waarin Passepartout de overtuiging erlangt, dat hij eindelijk
zijn ideaal gevonden heeft.
„Op mijn woord van eer,” sprak Passepartout bij zich zelven, toen hij
van zijne eerste verbazing een weinig bekomen was, „ik heb bij madame
Tussaud poppen gekend, die net zoo levend waren als mijn nieuwe
meester.”
Madame Tussaud, zooals de meeste lezers zullen weten, heeft te Londen
een museum van wassenbeelden, dat door alle Engelschen en vreemdelingen
wordt bezocht, en waarvan de poppen alleen de spraak missen om
wezenlijke menschen te schijnen.
In de weinige oogenblikken, die hij met Phileas Fogg had doorgebracht,
had Passepartout wel snel maar toch zeer zorgvuldig zijn aanstaanden
meester opgenomen. Deze was een man van omstreeks veertig jaar met een
edel, schoon gelaat, hooge gestalte, die door eene zekere gezetheid
niet werd ontsierd, blond van haar en baard met een effen rimpelloos
voorhoofd, eer bleek dan rood van kleur en met prachtige tanden. Hij
scheen in de hoogste mate te bezitten wat de beoefenaars der
gelaatkunde „de rust der beweging” noemen, eene uitdrukking eigen aan
allen, die meer handelen dan leven maken. Kalm, flegmatiek, met een
helderen blik, onbeweeglijke wenkbrauwen, was hij de volmaakte type van
die koelbloedige Engelschen, die men zoo vaak in hun vaderland aantreft
en waarvan Angelica Kauffman zoo treffend de schier academische figuur
door haar penseel heeft weergegeven. In zijne verschillende
levenstoestanden gezien, maakte die gentleman den indruk van een wezen,
wiens deelen allen in volmaakt evenwicht waren, zoo volmaakt als in een
chronometer van Leroy of Earnskow. Phileas Fogg was dan ook de
nauwgezetheid in persoon, wat duidelijk zichtbaar was in de
„uitdrukking van zijne handen en zijne voeten;” want bij den mensch
zoowel als het dier zijn de onderdeelen evenzeer organen, welke de
hartstochten en neigingen uitdrukken.
Phileas Fogg was een van die mathematisch nauwkeurige mannen, die nooit
gehaast en altijd gereed zijn en even spaarzaam met hunne schreden als
met hunne bewegingen. Hij deed geen stap te veel, omdat hij altijd den
kortsten weg nam. Hij veroorloofde zich zelven geen blik naar het
plafond, geene enkele overtollige beweging. Men had hem nog nooit
ontroerd of in verwarring gezien. Hij was de minst gejaagde man ter
wereld, maar hij kwam altoos bij tijds. Men zal intusschen begrijpen,
dat hij alleen leefde en, om zoo te zeggen, buiten eenige gemeenschap
met de wereld. Hij wist dat men in den omgang met de maatschappij in
wrijving kwam met de menschen en daar wrijving oponthoud veroorzaakt,
ging hij met niemand om.
Wat Jean, bijgenaamd Passepartout, betreft, deze was een echte
Parijzenaar uit Parijs; gedurende de vijf jaren, welke hij in Engeland
had doorgebracht, was hij kamerdienaar geweest, en vruchteloos had hij
naar een meester gezocht, aan wien hij zich hechten kon.
Passepartout was geen van die Frontins of Mascarillo’s met trotsche
houding en onbeschaamden blik. Hij was een goede kerel met vriendelijk
gelaat en eenigszins uitstekende lippen, altijd bereid om iets te
proeven of te glimlachen, een zachtaardig en gedienstig wezen met een
van die volle, bolle gezichten, die men gaarne op den hals van een
vriend ziet. Hij had blauwe oogen, eene gezonde kleur, wangen zoo rond
dat hij zelf ze zien kon, breede borst, krachtige gestalte, breede
spieren en bezat eene herculische kracht, die door de
lichaamsoefeningen in zijne jeugd bewonderenswaardig was ontwikkeld.
Zijne donkere haren waren altijd een weinig in wanorde. Zoo de
beeldhouwers der oudheid achttien verschillende manieren kenden, om het
haar van Minerva af te beelden, hij kende er slechts eene om het zijne
in orde te brengen; drie streken met de kam waren voldoende om zijn
toilet te voltooien.
Het spraakzame, openhartige karakter van den knecht was niet geheel in
overeenstemming met dat van Phileas Fogg; men zou de waarheid te kort
doen, zoo men dit beweerde. Maar was Passepartout de man, zoo stipt en
nauwgezet, als zijn meester vorderde? Dit zou uit de ondervinding
blijken. Na zijne min of meer onstuimige jeugd, verlangde hij bovenal
naar rust. Daar hij de stelselmatigheid van de Engelschen en hunne
spreekwoordelijke kalmte had hooren roemen, was hij naar Engeland
overgekomen om daar zijn fortuin te beproeven. Tot dusverre echter was
het lot hem niet bijzonder gunstig geweest. Nergens had hij zijn anker
voor goed kunnen neerleggen. Hij had wel tien meesters gehad. Overal
was men grillig, onbestendig, jaagde men de avonturen na of ging men
gedurig op reis, wat Passepartout volstrekt niet naar den zin was. Zijn
laatste meester, de jonge lord Longsferry, lid van het Parlement, kwam
vaak, na den nacht in de oester-huizen van Haymarket te hebben
doorgebracht, op de schouders van politie-agenten te huis. Daar
Passepartout in de eerste plaats achting voor zijn meester wilde
gevoelen, had hij eenige eerbiedige opmerkingen gewaagd, die slecht
werden opgenomen; het gevolg was, dat hij heenging. Toen vernam hij dat
de heer Phileas Fogg esq. een bediende zocht. Hij won inlichtingen
omtrent dezen in. Een man, wiens levenswijze zoo regelmatig was, die
altijd des nachts te huis sliep, die niet op reis ging, die nooit,
zelfs geen dag, afwezig was, moest wel in zijn geest vallen. Hij bood
zich dus aan en werd aangenomen op de wijze, als wij mededeelden.
Toen het half twaalf sloeg, was dus Passepartout alleen in het huis van
Saville Row. Hij begon thans alles eens op te nemen. Hij doorliep het
huis van den zolder tot den kelder. Overal was het netjes, ordelijk,
puriteinsch eenvoudig en goed ingericht voor den dienst. Dit beviel
hem. Het maakte op hem den indruk van een fraai slakkenhuis, maar een
slakkenhuis verlicht en verwarmd door gas, want gas voorzag in alle
eischen van verlichting en verwarming. Zonder moeite vond hij op de
tweede verdieping de kamer, die voor hem bestemd was. Deze was volkomen
naar zijn zin. Electrische klokken en spreekbuizen stelden haar in
gemeenschap met de kamers van zijn meester. Op den schoorsteen stond
eene pendule, die door een electrischen draad correspondeerde met de
pendule in de slaapkamer van Phileas Fogg en de twee uurwerken gaven
altijd dezelfde seconde aan.
„Dat bevalt me, dat bevalt me zeer goed,” sprak Passepartout bij zich
zelven.
Hij merkte in die kamer ook een lijstje op dat boven de pendule hing.
Dit behelsde het programma van hetgeen hij dagelijks had te doen. Het
bevatte, van des morgens acht ure af, op welk uur Phileas Fogg opstond,
tot half twaalf, wanneer hij zich naar de Reform-club begaf om te
ontbijten, alle bijzonderheden van den dienst: thee en geroosterd brood
ten acht ure drie en twintig minuten; scheerwater ten negen ure zeven
en dertig, het haar in orde brengen ten negen ure vijftig enz. Van half
twaalf des voormiddags tot twaalf ure ’s nachts, op welk uur de
stelselmatige Engelschman zich te rust begaf, was alles bepaald,
voorzien en geregeld. Passepartout had er pleizier in dit programma te
bestudeeren en de verschillende punten er van in zijn geheugen te
prenten.
Wat de garderobe van zijn meester betreft, deze was volmaakt in orde en
bewonderenswaardig gerangschikt. Elke broek, jas of vest had een
nummer, dat correspondeerde met een register, waarop de dagen waren
vermeld waarop de verschillende stukken waren ingekomen of uitgingen,
alsmede de tijd van het jaar, waarin zij op hunne beurt moesten worden
gedragen. Hetzelfde stelsel was gevolgd voor de schoenen en laarzen.
Kortom, dit huis in Saville Row, dat in de dagen van den beroemden maar
losbandigen Sheridan de tempel der wanorde moest zijn geweest, bevatte
thans de gemakkelijkste meubels, die van eene onbekommerde levenswijze
getuigden. Er was geen bibliotheek, er waren geene boeken, want deze
zouden voor den heer Fogg volkomen nutteloos zijn geweest, daar de
Reform-club twee bibliotheken tot zijne beschikking stelde, de een van
werken van smaak, de andere van wetenschap. In de slaapkamer stond eene
brandkast van gemiddelde grootte, die zoowel tegen de dieven als tegen
de vlammen bestand was. Wapens bevatte het huis niet, geen enkel
voorwerp voor den oorlog of de jacht. Alles bewees dat de bewoner zeer
vredelievend was.
Na de geheele woning tot in de geringste bijzonderheden te hebben
opgenomen, wreef Passepartout zich in de handen, zijn breed gelaat
begon te glinsteren en vroolijk herhaalde hij bij zich zelven:
„Het bevalt me; ’t is juist een kolfje naar mijne hand. Wij zijn het
volkomen eens, die mijnheer Fogg en ik. Een huiselijk en ordelijk man.
Een echte automaat. Nu, ik ben er niet rouwig om een mechaniek te
bedienen.”