Ik denk aan Koning Karel XII en ik probeer te begrijpen hoe men hem
liefhad en vereerde.
Want ik weet, dat het eens gebeurde in de laatste jaren van zijn leven,
dat hij in de kerk van Karlstad kwam, midden onder de
godsdienstoefening.
Hij was naar de stad komen rijden, alleen en onverwacht; en omdat hij
wist, dat er godsdienstoefening was, liet hij het paard buiten de
kerkdeur staan en ging naar binnen langs het groote pad door het
wapenhuis, zooals ieder ander.
Zoodra hij de deur was binnen gekomen, zag hij intusschen, dat de
predikant al op den preekstoel stond, en om hem niet te storen bleef
hij staan, waar hij was. Hij zocht niet eens een plaats in een bank,
maar bleef met den rug tegen den deurpost geleund, staan luisteren.
Maar hoewel hij zoo ongemerkt gekomen was, en zich stil in het donker
onder de lantaren hield, was er iemand in de achterste bank, die hem
herkende. ’t Was misschien een oude soldaat, die een arm of been had
verloren op den veldtocht en die vóór den slag bij Pultawa naar huis
was gestuurd, en die meende, dat die man met het opgekamde haar en den
krommen neus, de koning moest wezen. En op hetzelfde oogenblik, dat hij
hem herkende, stond hij op.
De buren in de bank vroegen zich zeker verbaasd af, waarom hij dat
deed, en toen fluisterde hij hun toe, dat de Koning in de kerk was. En
onwillekeurig stonden allen in de bank op, zooals men gewoon was te
doen als Gods woord werd voorgelezen van het altaar of den preekstoel.
Daarop liep het gerucht van bank tot bank, en alle menschen, ouden en
jongen, rijken en armen, de zwakken, zoowel als de gezonden, allen
stonden op.
Dat was, zooals ik zei, in een van de laatste jaren van het leven van
Koning Karel, toen kommer en tegenspoed begonnen waren, en er was
misschien geen mensch in de kerk, die niet van lieve verwanten was
beroofd, of zijn vermogen had verloren onder het bestuur van den
Koning. Als toevallig iemand zelf niets te betreuren had, dan hoefde
hij er maar aan te denken hoe ’t land verarmd was, hoe provinciën
verloren waren gegaan en hoe het heele rijk door vijanden was omringd.
Maar toch.... maar toch: er was maar een gefluister noodig, dat die
man, dien men zoo dikwijls had vervloekt, daar in Gods huis stond, of
allen stonden op.
En ze bleven staan. Er was niemand, die er aan dacht te gaan zitten.
Dat konden ze niet. De Koning stond bij de kerkdeur en zoolang hij
stond, moesten ze blijven staan. Als iemand was gaan zitten, zou hij
tegenover den Koning te kort zijn gekomen in eerbied.
’t Zou misschien een lange preek worden; maar dat moesten zij
verdragen. Niemand wilde hem daar bij de kerkdeur ontrouw worden.
Hij was anders een soldatenkoning en hij was gewend, dat zijn soldaten
gaarne voor hem den dood tegemoet gingen. Maar hier in de kerk was hij
omringd door eenvoudige burgers en handwerkers, van gewone zweedsche
mannen en vrouwen, die nooit een commando hadden gehoorzaamd. Maar
alleen al dat hij zich vertoonde was genoeg om hen onder zijn invloed
te brengen. Zij zouden hem gevolgd hebben, waarheen hij wilde, ze
zouden hem alles hebben gegeven, wat hij vroeg, ze geloofden in hem, ze
aanbaden hem. In de heele kerk dankten allen God voor dien wonderbare,
die de Koning van Zweden was.
En zoo als ik zei, ik probeer mij daarin te denken om te begrijpen, dat
de liefde voor Koning Karel een menschenziel zóó geheel kon vullen, dat
die zóó vast kon groeien in een ruw en barsch oud hart, dat alle
menschen verwachtten, dat die zou voortduren tot na den dood.
Waarlijk, toen het ontdekt werd, dat de ring van den Generaal gestolen
was, verbaasde men er zich in Bro het meest over, dat iemand den moed
tot die daad had kunnen hebben.
Men vond, dat liefhebbende vrouwen, die begraven waren met haar
verlovingsring aan den vinger, die hadden de dieven zonder gevaar
kunnen plunderen. Of als een moeder in den doodsslaap gelegen had met
een lok haar van haar kind in de handen, dan had men zonder vrees die
van haar weg kunnen rukken; of als een priester in de kist was gelegd
met den bijbel als hoofdkussen, dan had die geroofd kunnen worden
zonder schade voor den misdadiger. Maar de ring van Karel XII, van den
vinger van den dooden Generaal van Hedeby te stelen, dat was een
onderneming, waarvan men niet begreep, dat iemand uit een vrouw
geboren, zich daaraan had gewaagd!
Natuurlijk werd er onderzocht, maar dat leidde niet tot de ontdekking
van den misdadiger. De dief was gekomen en gegaan in ’t duister van den
nacht, zonder eenig spoor achter te laten, dat de zoekenden op weg kon
helpen.
Weer verwonderden de menschen zich. Ze hadden immers gehoord, hoe er
nacht aan nacht gespookt was om den dader aan te wijzen bij veel
geringer misdrijven.
Maar toen men later hoorde hoe de Generaal den ring volstrekt niet aan
zijn lot had overgelaten, maar er voor had gestreden om hem terug te
krijgen met dezelfde barsche onbarmhartigheid, die hij betoond zou
hebben, wanneer hem bij levenden lijve de ring was afgestolen, was
niemand ook maar in ’t minst verwonderd.
Niemand twijfelde er ook maar een oogenblik aan. Dat was juist wat men
had verwacht.