Het viel niet gemakkelijk, het besluit voor den terugtocht. Het
heerlijk klimaat van Californië ging ik verlaten met de wetenschap,
dat naarmate ik meer naar het oostelijk deel van Amerika trok, het
klimaat steeds meer begon te gelijken op het onze: koud, mistig,
vochtig. Toch was er een lichtzijde aan dat terugtrekken verbonden;
het vooruitzicht namelijk dat over dien langen weg van bijna 6000
kilometer zooveel belangrijks was te zien. De reis ging o.a. door
Arizona, Nieuw Mexico en Indiana naar Chicago en van daar langs het
Erie-meer naar Buffalo, ter bewondering van the Falls der Niagara en
vervolgens langs de Hudson-rivier naar het groot-Mokum van Amerika:
New-York City.
De afstand van San Francisco naar Chicago, die in vier etmalen
kan worden afgelegd, indien men zich onderweg niet ophoudt,
bedraagt ruim vierduizend kilometer, geheel onder beheer van één
spoorweg-maatschappij. En dit maakt slechts de kleinste helft harer
lijnen uit. Zij exploiteert in het geheel bijna dertien duizend
kilometer spoorlijn.
Wat dit wil zeggen kan men zich eenigszins voorstellen wanneer men
weet dat de afstand van Amsterdam naar Rome nog geen 1700 kilometer
bedraagt. Ik zeg "eenigszins", omdat de exploitatie hier zich niet
bepaalt tot vervoer van reizigers en goederen, maar zich uitbreidt
tot het bouwen en exploiteeren van hotels en restaurants onmiddellijk
aan den spoorweg gelegen; tot het verstrekken van maaltijden op 't
spoor in de dining-cars; tot het leveren van paarden en rijtuigen
op eindpunten van de zijlijnen; tot den verkoop van voorwerpen
door Indianen vervaardigd, waarvoor in Arizona en Nieuw Mexico bij
verschillende stations groote winkels, ware musea, in smaakvollen stijl
zijn gebouwd. Zóó en op nog verschillende andere wijzen, bevorderen
de groote spoorweg-maatschappijen hier het verkeer op haar lijnen en
niemand is daarmede beter gediend dan "het publiek". Want de wijze,
waarop zij haar taak als restaurateur of hotelier opvatten, is boven
allen lof verheven. Uitnemende maaltijden, tegen niet hoogen prijs,
worden in de spoorweg-restaurants en de eet-wagons verstrekt. Alles
is er zóó zindelijk als de properste Hollandsche huisvrouw maar kan
begeeren. En datzelfde is het geval in de spoorweg-hotels.
Ik ontmoette hier bij herhaling reizigers, van Australië of van China
komende--ook een groot gezelschap dat van Nederland de reis over
New-York en Chicago naar San Francisco en van daar naar Singapore en
Batavia maakte--die evenals ik, ingenomen waren met de wijze, waarop
de spoorweg-maatschappijen alhier haar taak opvatten en uitvoeren.
Men kan zich moeilijk een begrip vormen van de uitgebreidheid der
administratie bij zulk een onderneming met een jaarlijksche ontvangst
van honderd zestig millioen gulden. Wat men van de Amerikanen ook
moge zeggen, zeker niet dat zij, voor welke andere natie ook onder
doen in organiseerend en administreerend talent. Neen, laten wij het
gerust bekennen, in dit opzicht overtreffen zij ons, Europeanen,
ver. Maar ik dwaalde af. Het was mijn voornemen om mede te deelen
wat de bewondering en belangstelling wekt op dezen tocht. De reis,
voor zoover zij door Californië gaat, kent men eenigszins uit de
vorige opstellen. Heeft men de grens in Arizona bereikt, dan wordt
alles dadelijk anders. De wegen zijn slechter onderhouden, de huizen
zijn van geringer afmeting en zijn verfloos, er is minder water en
meer stof. Ook de wetgeving is er nog ver ten achter.
De bevolking is er minder gecultiveerd. Ruwheid en dronkenschap komen
veelvuldig voor. Arizona is, wat oppervlakte betreft, ongeveer 10
maal grooter dan Nederland, doch heeft slechts eene bevolking van
nog geen 150.000, terwijl Nieuw Mexico, met eene oppervlakte elf
maal grooter, nog geen 200.000 inwoners telt. Hieronder is niet
begrepen een ambulante mijnersbevolking, die van den eenen Staat
trekt naar den anderen om te werken. Vele mijnen liggen soms geruimen
tijd stil, omdat er geen kapitaal voorhanden is tot voortzetting der
exploitatie, of omdat de prijzen der gedolven mineralen tijdelijk te
laag zijn of om eenige andere reden. Doch in al die gevallen staan
de werklieden op straat, gewoonlijk met een goed gevulde beurs,
want in of bij de mijnen kunnen ze niet veel verteren. Dan trekken
zij eerst naar het naastbij gelegen stadje aan de spoorlijn en hier
vinden zij gewoonlijk gelegenheid om hun verdiend loon geheel of
gedeeltelijk kwijt te raken. In den regel zijn die arbeiders jonge
ongehuwde mannen, die in de mijnen werken of in de uitgestrekte
bosschen boomen vellen. Komen zij in de kleine spoorwegplaatsen,
dan is hun eerste en eenige aanloop de saloon, dat is de kroeg,
waar den geheelen dag wordt in- en uitgeloopen en aan de toonbank,
staande, de noodige borrels worden verschalkt. Doch wat erger is:
waar den geheelen dag de gelegenheid wordt gegeven tot dobbelen. Met
roulet, de dobbelsteenen, de kaarten wordt openlijk gespeeld en bij
onderzoek bleek mij dat in Arizona en Nieuw Mexico het dobbelen niet
verboden is bij de wet, en voorloopig ook nog niet zal verboden worden.
Er worden namelijk hooge rechten betaald voor de vergunning om een
roulet of speeltafel te houden.
De gemeentebesturen vinden het gemakkelijker op die wijze de kas te
vullen dan door het heffen van een hoofdelijken omslag. Daar komt
nog bij dat uit hun bedrijf groote voordeelen worden behaald door de
"saloon"-houders en de houders der "gambling-tables"; personen die
bij de verkiezing van leden voor den gemeenteraad een beduidende
rol spelen en er wel voor waken, dat geen raadsleden gekozen worden,
die bezwaar hebben tegen dobbelspel.
Wat dit laatste in sommige plaatsen allerbedenkelijkst maakt is
een bepaling, dat het recht verdubbeld wordt, indien vrouwen in
de "saloons" worden toegelaten. Ik heb een paar van die plaatsen
bezocht. In hun werkpakje zaten dáár Amerikanen, Mexicanen, Indianen,
Chineezen hun zuur verdiend loon te verdobbelen. En precies als te
Monte Carlo zat men berekeningen te maken, van het nummer van het
draaibord waarop de prijs een volgenden keer "moest" vallen. Het ging
hier natuurlijk slechts om kleine sommen; zilverstukken van 10 en 25
cents waren de voornaamste inzet. Maar ik zag ook een jongen Amerikaan,
die drie maanden in de bosschen werkzaam was geweest aan den houthak
en honderdvijftig dollar had bespaard, dit sommetje in twee uren tijds
verliezen met inzetten van één tot vijf dollar. En welke tooneelen
men daaromheen ziet in de "saloons" waar het verhoogde recht betaald
werd om ook vrouwen te kunnen toelaten, kan men zich voorstellen,
wanneer men die combinatie elders, vooral in Fransche badplaatsen,
wel eens heeft waargenomen.
Ik kan van dit onderwerp niet afstappen zonder de hoop uit te spreken,
dat de centrale regeering van Amerika spoedig tusschenbeide kome, om
een einde te maken aan een toestand die dit groote land tot schande is.
Van de gelegenheid om een Amerikaanschen zaagmolen te zien maakte
ik hier gretig gebruik, omdat ik van de groote besparing van
arbeidskrachten, en het vlug omzetten van boomen in planken zooveel
had gehoord. En inderdaad, de Amerikanen verrichten wonderen met hun
machines. De zaagmolen was aan het spoor gelegen, en de boomstammen
werden uit het ver afgelegen bosch aan een berg-helling vervoerd per
water, d.w.z. over een afstand van vele kilometers was een houten bak
op stutten gemaakt, van ongeveer een meter breed en een halven meter
diep. Een bergstroom liet men op een hoog punt in dien bak loopen en
door het aangebrachte verval stroomde dat water vrij vlug omlaag. De
boomstammen werden daarin geworpen en bereikten het eindpunt met een
snelheid van 15 kilometer per uur. Op één plaats zag ik zoo'n toestel,
primitief in elkaar gezet, ter lengte van 105 kilometer--de afstand
van Amsterdam naar Arnhem--en aan het eind van den afgelegden weg
werd het water aangewend voor irrigatie van den grond.
Te Flagstaff, (Arizona) waar ik den zaagmolen bezichtigde, eindigde de
kunstmatige beek, zooals ik zoo'n bak zou willen noemen, op tamelijk
grooten afstand van de fabriek, omdat er geen verval van water meer
te krijgen was. De stammen, alle van dezelfde lengte--daarop worden
ze reeds gemaakt bij 't vellen--werden aan het eindpunt op platte
spoorwagens vervoerd naar de fabriek. En hier begon de bewerking. In
den zaagmolen waren niet meer dan 5 mannen werkzaam om de boomstammen,
die aan den eenen kant binnenkwamen, zoodanig te plaatsen dat zij
op bepaalde dikte gezaagd worden en daarna als planken, gesorteerd
naar breedte en lengte, op hun plaats aan den anderen kant den molen
verlieten. De rest deden de verschillende werktuigen. In den tijd
van 20 minuten zag ik 10 boomen van vier en een halven meter lang en
bijna één meter middellijn in planken omzetten, dat was gemiddeld
twee minuten voor iederen boom. Hoe die vijf mannen den drukken,
inspannenden arbeid van den ochtend tot den avond kunnen volhouden
is mij een raadsel. Er wordt namelijk in die fabriek 10 uren daags
gewerkt. Van 7-12 en van 1-6 en als het druk is nog van 7-9 1/2,
waarvoor dan 1/4 van het loon extra wordt betaald. Dus geen verhoogd
loon voor de over-uren. Van pensioen, ziekengeld of uitkeering bij
ongeval is geen sprake. Was er geen werk (tijdelijk in den winter) dan
volgde onmiddellijk ontslag. Deze toestand is geen uitzondering, maar
regel voor den arbeid in Westelijk-Amerika. Wat de loonen betreft,
die waren er vrij hoog. De meesterknecht genoot vijf dollar per
dag; de overigen de helft of iets daarboven, terwijl het leven in
die kleine stad niet duur kon genoemd worden. Bieden de bosschen in
Arizona een rijke bron van inkomsten, nog meer is dit het geval met
de mijnen. Onder deze munten uit de kopermijnen van Mr. W. A. Clark,
een van de Amerikaansche milliardairs. Mij werd verzekerd, dat hij
alleen uit de mijnen van Arizona een jaarlijksche winst maakte van
tien millioen dollar. En nu overtrof de productie zijner mijnen in
Montana nog die van Arizona. Van eene zijde die geen twijfel toelaat,
vernam ik dat in de gezamenlijke mijnen van dezen groot-industrieel,
ruim twee derde werd voortgebracht van al het koper, dat jaarlijks
in de wereld wordt geproduceerd. Ook hier, bij de mijnwerkers,
bestaat er tusschen werkgever en arbeider niet de minste band. De
eerste betaalt een vrij hoog loon en bemoeit zich voor 't overige
met zijn werklieden niet. Dat dezen aan de onderneming zich niet
gehecht gevoelen, spreekt van zelf. Verbetering in dezen toestand is
alleen te verwachten van een nauwe aaneensluiting der werklieden in
vakvereenigingen. Daarvan zijn velen onder hen reeds doordrongen, doch
de meerderheid begrijpt blijkbaar nog niet, dat verbetering van eigen
lot, alleen verkrijgbaar is door organisatie en coöperatie. Ik spreek
ter loops slechts over een derde bron van rijkdom in beide staten:
de vee-fokkerij. Niet op den voet zooals bij ons, maar uitsluitend
tot het fokken van jonge stieren, die enkele jaren de prairie worden
ingejaagd, dáár hun voedsel zoeken om dan bij honderdtallen naar de
slachtbank te worden gevoerd. Hier zijn vee-fokkers, die het aantal
hunner ronddwalende stieren bij benadering slechts kennen. Het
bedraagt soms duizenden. Zij worden voor het grazen binnen zekere
grenzen gehouden door de cow-boys, te paard gezeten jonge mannen,
die dagen achtereen in de prairie vertoeven om afgedwaalde stieren
weer op den rechten weg te brengen. In zijn kleurig buis en leeren
broekspijpen met franjes van boven tot onder, zijn zware sporen naar
Spaansch model, zijn grijze flambard en losjes geknoopte roode das,
ziet hij er schilderachtig uit, wanneer men hem uit den spoorwagen door
de prairie ziet rennen op ongebaande wegen, met een vaart bijna gelijk
aan die van den trein. Aan den knop van 't zadel hangt de lazzo en
ieder der beide achterzakken van zijn pantalon herbergt een revolver.
In het schieten met dit laatste wapen oefent hij zich gedurende den
tijd dat hij niet achter de stieren rent en de meesten brengen het
zoover, dat zij op 40 pas afstand een mikpunt van drie centimeter
middellijn nooit missen.
Ruw, kortaf en twistziek, ziedaar eenige minder aangename eigenschappen
van den cow-boy; daarentegen is hij ridderlijk tegenover vrouwen en
kent zijne goedhartigheid tegenover lijdenden geen grens. Daarover
zijn vele interessante verhalen in omloop. Zoolang de whiskey nog
in de kan is, valt er met den cow-boy te praten; is zij in den man
dan blijve men voorzichtigheidshalve op een afstand. In de genoemde
landen is het geen zeldzaamheid dat de revolver als argumenteerende
kracht wordt aangewend.
Laat het sociale leven in Arizona te wenschen over, niet aldus is het
gesteld met de natuur. Deze heeft hier wonderen verricht, zooals men ze
nergens in de wereld, en zóó dicht bij elkaar, te aanschouwen krijgt.
Men spoort van het station Williams in een paar uur naar de grand
canyon [2] of Arizona en honderd pas van het station staat men voor
een afgrond, die--behalve door zijn uitgebreidheid en diepte--een
wonder van kleurenpracht en grillige vormen te aanschouwen geeft; een
pracht die geen pen in staat is te beschrijven. In de diepte stroomt
de Colorado-rivier, doch men kan haar daarboven ternauwernood zien,
daar die diepte 1800 meter bedraagt. Eerst wanneer men afdaalt langs
een pad dat ruim 10 kilometer lang is--een weg die gewoonlijk op een
paard of muilezel wordt afgelegd--krijgt men menig denkbeeld van deze
meer dan 100 meter breede rivier en van de ontzaglijke rotsblokken die
de wanden van dezen afgrond vormen. De schitterende kleurenpracht,
telkens varieerende wanneer de zon haar licht op een ander deel der
uitstekende punten en gedrochtelijke vormen doet schijnen, doet het
oog in stille bewondering op dit ontzettend grootsche natuurtafereel
staren. Eindelijk na lang staren, zoekt het oog een grens, maar deze is
niet te vinden. Althans niet in de lengte. Deze scheur in de aarde is,
langs de rivier gemeten, driehonderdvijftig kilometer lang (meer dan
3 maal de afstand van Amsterdam naar Arnhem!) en twintig kilometer
breed (van Amsterdam tot Haarlem). Voor zoover mij bekend, bestaat
er geen ander natuurtafereel van dien aard: zóó groot en zóó schoon.
Een ander natuurwonder van Arizona, al wordt men er niet zoo door
getroffen als door den grand canyon, zijn de versteende bosschen. Op
geringen afstand van Holbrook vindt men boomen, een geheel bosch
vormende, uit vóórhistorischen tijd. Zij zijn òf verglaasd, òf
versteend, òf verkalkt en bieden nu, als de zon er op schijnt, een
heerlijk kleureffect. Zelfs zuivere kristallen zijn er bij. Er zijn er
ook onder die het prachtigste agaat leveren. De boomen zijn soms 70
meter lang en liggen half bedolven in het zand, half bloot. Sommige
boomen zijn geheel gaaf gebleven met alle takken eraan, gelijkende
op een boom van agaatsteen. Vóór eeuwen hebben wervelwinden, die
het zand opzweepten en in groote massa's verplaatsten, deze boomen,
naar men vermoedt, bloot gelegd. Doch de boomen zelven zijn dáár niet
gegroeid. In vóórhistorischen tijd moet de grond aldaar de bodem van
een zee geweest zijn en werden de boomen wellicht, ontelbare eeuwen
geleden, door een ontzettende natuurkracht ontworteld en naar de plaats
gespoeld, waar zij nu in zoo groot aantal gevonden worden. M.a.w.,
men weet er niets van hoe die boomen dáár zijn gekomen en op welke
wijze zij de versteende en verglaasde lichamen zijn geworden, die nu
met hun kleurenpracht ons oog bekooren.
Een ander wonder, op grooter afstand van de spoor doch door een
heerlijke natuur per rijtuig in één dag te bereiken is de natuurlijke
brug, waardoor de beide zijden van een bergkloof, 165 meter wijd
(zonder rustpunt) ruim 200 meter boven een vervaarlijken bergstroom,
verbonden worden.
Maar wat zeker voor velen het meest interessante van de reis is,
het zijn de cliff-dwellings, woningen van een menschenras dat sedert
lang van het aardrijk is verdwenen en van wier vroeger bestaan
slechts zeer zeldzaam de sporen worden gevonden. Er zijn namelijk
enkele skeletten opgedolven, waaruit blijkt dat het een klein soort
menschen moet geweest zijn. Wat evenwel zeer opmerkelijk is, dat is
dat hun wijze van behandeling der lijken geheel overeenkwam met die
der oude Egyptenaren. De gevonden skeletten waren geheel omwikkeld
door windselen van grof linnen.
De woningen dezer menschen zijn op sommige plaatsen in de rotsen
nog gaaf aanwezig. Ze zijn gebouwd in overhangende rotsspleten, een
paar honderd meter of meer boven den beganen weg, soms boven steile
afgronden. De bewoners hebben waarschijnlijk indertijd hun woning
van boven af bereikt maar moeten daarvoor een talent van klimmen en
klauteren bezeten hebben, zooals bij tegenwoordig levende menschen
niet wordt gevonden. En dáár, in de nabijheid dezer vóór-historische
woningen, vindt men nu nog oude stammen van Indianen wonen, heele
dorpen met eigen wetgeving en eigen bestuur, vast houdende aan
traditiën, door vele eeuwen heen tot hen gekomen.
Die stammen zijn aan het uitsterven, en zullen waarschijnlijk
over weinige eeuwen verdwenen zijn, evenals de cliff-bewoners van
weleer. Niet weken maar maanden zou men in dit merkwaardig deel van
Amerika willen vertoeven, om de wonderen der natuur gade te slaan en
in het verleden trachten door te dringen door bestudeering, van wat
daar nu nog gevonden wordt.
Hoe geheel anders wordt de omgeving als de trein ons brengt in Chicago,
met zijn twee millioen inwoners, saamgesteld uit de emigranten van
bijna alle natiën der wereld.
Hier vindt men, als in Londen, den grootsten rijkdom naast de
diepste armoede. Hier worden zaken gedaan, niet anders dan zaken. De
concurrentie heeft de grootst mogelijke inspanning gevorderd, zelfs
van de meest energieken onder deze business-men. Met 't gevolg dat
allen voortrennen in zenuwachtige haast, uit vrees van achterhaald
te worden door iemand, die nog vlugger, nog intenser weet zaken te
doen. Welke reusachtige ondernemingen aan dit inspannend werken het
aanzijn danken, kon ik ervaren bij een bezoek aan de slachtplaats
van Armour & Co., een naam over de geheele wereld bekend door de
"corned beef" en de "smoked tongue". Men kan zich moeilijk den omvang
dezer slachtersaffaire voorstellen. Er worden in den drukken tijd
dagelijks tienduizend varkens geslacht, vijf en twintig honderd
koeien en tienduizend schapen. De concurrentie gedoogt niet dat
een der onderdeelen, voor de uitoefening dezer zaak, door anderen
wordt uitgeoefend. De firma doet alles zelf. Voor het maken der
blikken, waarin het vleesch of het extract wordt verzonden, is een
groote fabriek opgericht, waar 200 man werkzaam is. Voor de boeken,
etiquetten, aanplakbiljetten en het overige benoodigde drukwerk is een
drukkerij met de nieuwste machines, waar 150 man werk vinden. Om ijs
te maken (voor de koelkamers), zijn machines aan 't werk, die 2000
ton ijs per dag afleveren. Voor opwekking van stroom zijn machines
van 4800 paardenkrachten aanwezig. Een groote fabriek is er voor het
maken van been-zwart. Een andere voor de bereiding van het haar der
varkens. Weer een andere voor het maken van lijm. Een zeepfabriek, een
knoopen- en kammenfabriek (van den horens en hoeven der koeien). Toen
ik ten slotte vroeg hoeveel menschen hier werkzaam waren, vernam ik dat
dit over de tienduizend bedroeg. Niet minder dan 83 telegrafisten zijn
in dienst der firma en doen niet anders dan telegrammen ontvangen en
verzenden voor dit huis. Een der chefs van de firma gaf mij als zijne
meening te kennen, dat de concurrentie, nog meer dan op dit oogenblik
het geval is, tot centralisatie in de bedrijven zal leiden en wel het
meest wegens de dringende behoefte aan afzet der producten buiten
Amerika. Door de beste (nieuwste) machines steeds aan te schaffen
en alle bij de onderneming betrokken bedrijven onder één beheer te
brengen, konden volgens hem de Amerikanen op den duur tegen Duitschland
en Engeland de concurrentie gemakkelijk volhouden. De belangrijke
besparing in productie-kosten zou hen daartoe in staat stellen. Op mijn
vraag, in welke verhouding hij zich voorstelde dat de werklieden zijner
fabrieken op den duur tot de firma als werkgeefster zouden komen,
was zijn antwoord erg onzeker. Hij was een voorstander van hooge
loonen voor geschoolden arbeid; van een aandeel in de voordeelen der
zaak wilde hij absoluut niets weten. Hij ontkende dat de werkman,
hoe goed ook zijn vak verstaande, iets hoegenaamd bijdroeg tot het
welslagen der onderneming. Alleen zij die leiding weten te geven,
niet degenen die leiding noodig hadden, kunnen aanspraak maken op
een aandeel in de behaalde voordeelen.
De skilled laborers ontvingen een loon van 4 tot 4 1/2 dollar per
dag. De unskilled $ 1.75.
Over de laatsten was hij slecht te spreken. Zij waren het die niet
wilden werken, tenzij de werkgever een arbeid-overeenkomst met
hen afsloot. De werkgevers echter wilden van onderhandelingen met
menschen, die geen enkel vak verstaan, niets weten. De geschoolde
arbeiders staakten alleen uit sympathie met de niet-geschoolden
en het gevolg is geweest dit voorjaar, een maanden-lange staking,
die ten slotte door de werklieden is verloren. Door die staking is
bij de patroons, zoowel als bij de werklieden heel wat kwaad bloed
gezet. Het is duidelijk dat er niet veel noodig is, om de vlam,
die thans nog verre van uitgedoofd is, opnieuw te doen uitslaan!
Een sterke uiting van zenuwachtige inspanning bij het zaken doen,
zag ik op de graan-beurs; zeker de grootste der wereld wat den omzet
aangaat.
In één jaar wordt te Chicago drie en een half millioen lasten tarwe
(meel in tarwe omgezet) aangevoerd. De elevators te Chicago kunnen een
half millioen lasten graan bergen. En welke reusachtige hoeveelheden
dagelijks worden omgezet op speculatie, valt natuurlijk niet te
schatten. De geheele wereld speculeert te Chicago. Onder oorverdoovend
geschreeuw en door het geven van teekenen met de hand en de vingers,
worden in één minuut soms duizenden lasten verhandeld. Hoe de drie
honderd makelaars in tarwe die hier de orders tot koop en verkoop
uitvoeren, wijs worden uit elkanders gegil en handgebaar, is voor een
buitenstander niet te begrijpen. En toch, zoo verzekerde mij een man
van 't vak, komen geschillen hoogst zelden voor.
Toen ik weinige dagen daarna langs den Hudson-rivier spoorde en bedacht
dat slechts 3 eeuwen geleden (1609) Hudson in dienst der Nederlandsche
Oost-Indische Compagnie die groote rivier met haar prachtige oevers
ontdekte, raakte ik onwillekeurig aan 't mijmeren over het verleden en
het heden van dit land en van het onze. Het kleine Nederland, destijds
het ondernemendste, het energiekste volk der aarde... en in Amerika,
althans in de noordelijke Staten, toen nog geen wit mensch te bekennen.
En nu, na 300 jaren?