3 Dec. 1904.

Het viel niet gemakkelijk, het besluit voor den terugtocht. Het

heerlijk klimaat van Californië ging ik verlaten met de wetenschap,

dat naarmate ik meer naar het oostelijk deel van Amerika trok, het

klimaat steeds meer begon te gelijken op het onze: koud, mistig,

vochtig. Toch was er een lichtzijde aan dat terugtrekken verbonden;

het vooruitzicht namelijk dat over dien langen weg van bijna 6000

kilometer zooveel belangrijks was te zien. De reis ging o.a. door

Arizona, Nieuw Mexico en Indiana naar Chicago en van daar langs het

Erie-meer naar Buffalo, ter bewondering van the Falls der Niagara en

vervolgens langs de Hudson-rivier naar het groot-Mokum van Amerika:

New-York City.

De afstand van San Francisco naar Chicago, die in vier etmalen

kan worden afgelegd, indien men zich onderweg niet ophoudt,

bedraagt ruim vierduizend kilometer, geheel onder beheer van één

spoorweg-maatschappij. En dit maakt slechts de kleinste helft harer

lijnen uit. Zij exploiteert in het geheel bijna dertien duizend

kilometer spoorlijn.

Wat dit wil zeggen kan men zich eenigszins voorstellen wanneer men

weet dat de afstand van Amsterdam naar Rome nog geen 1700 kilometer

bedraagt. Ik zeg "eenigszins", omdat de exploitatie hier zich niet

bepaalt tot vervoer van reizigers en goederen, maar zich uitbreidt

tot het bouwen en exploiteeren van hotels en restaurants onmiddellijk

aan den spoorweg gelegen; tot het verstrekken van maaltijden op 't

spoor in de dining-cars; tot het leveren van paarden en rijtuigen

op eindpunten van de zijlijnen; tot den verkoop van voorwerpen

door Indianen vervaardigd, waarvoor in Arizona en Nieuw Mexico bij

verschillende stations groote winkels, ware musea, in smaakvollen stijl

zijn gebouwd. Zóó en op nog verschillende andere wijzen, bevorderen

de groote spoorweg-maatschappijen hier het verkeer op haar lijnen en

niemand is daarmede beter gediend dan "het publiek". Want de wijze,

waarop zij haar taak als restaurateur of hotelier opvatten, is boven

allen lof verheven. Uitnemende maaltijden, tegen niet hoogen prijs,

worden in de spoorweg-restaurants en de eet-wagons verstrekt. Alles

is er zóó zindelijk als de properste Hollandsche huisvrouw maar kan

begeeren. En datzelfde is het geval in de spoorweg-hotels.

Ik ontmoette hier bij herhaling reizigers, van Australië of van China

komende--ook een groot gezelschap dat van Nederland de reis over

New-York en Chicago naar San Francisco en van daar naar Singapore en

Batavia maakte--die evenals ik, ingenomen waren met de wijze, waarop

de spoorweg-maatschappijen alhier haar taak opvatten en uitvoeren.

Men kan zich moeilijk een begrip vormen van de uitgebreidheid der

administratie bij zulk een onderneming met een jaarlijksche ontvangst

van honderd zestig millioen gulden. Wat men van de Amerikanen ook

moge zeggen, zeker niet dat zij, voor welke andere natie ook onder

doen in organiseerend en administreerend talent. Neen, laten wij het

gerust bekennen, in dit opzicht overtreffen zij ons, Europeanen,

ver. Maar ik dwaalde af. Het was mijn voornemen om mede te deelen

wat de bewondering en belangstelling wekt op dezen tocht. De reis,

voor zoover zij door Californië gaat, kent men eenigszins uit de

vorige opstellen. Heeft men de grens in Arizona bereikt, dan wordt

alles dadelijk anders. De wegen zijn slechter onderhouden, de huizen

zijn van geringer afmeting en zijn verfloos, er is minder water en

meer stof. Ook de wetgeving is er nog ver ten achter.

De bevolking is er minder gecultiveerd. Ruwheid en dronkenschap komen

veelvuldig voor. Arizona is, wat oppervlakte betreft, ongeveer 10

maal grooter dan Nederland, doch heeft slechts eene bevolking van

nog geen 150.000, terwijl Nieuw Mexico, met eene oppervlakte elf

maal grooter, nog geen 200.000 inwoners telt. Hieronder is niet

begrepen een ambulante mijnersbevolking, die van den eenen Staat

trekt naar den anderen om te werken. Vele mijnen liggen soms geruimen

tijd stil, omdat er geen kapitaal voorhanden is tot voortzetting der

exploitatie, of omdat de prijzen der gedolven mineralen tijdelijk te

laag zijn of om eenige andere reden. Doch in al die gevallen staan

de werklieden op straat, gewoonlijk met een goed gevulde beurs,

want in of bij de mijnen kunnen ze niet veel verteren. Dan trekken

zij eerst naar het naastbij gelegen stadje aan de spoorlijn en hier

vinden zij gewoonlijk gelegenheid om hun verdiend loon geheel of

gedeeltelijk kwijt te raken. In den regel zijn die arbeiders jonge

ongehuwde mannen, die in de mijnen werken of in de uitgestrekte

bosschen boomen vellen. Komen zij in de kleine spoorwegplaatsen,

dan is hun eerste en eenige aanloop de saloon, dat is de kroeg,

waar den geheelen dag wordt in- en uitgeloopen en aan de toonbank,

staande, de noodige borrels worden verschalkt. Doch wat erger is:

waar den geheelen dag de gelegenheid wordt gegeven tot dobbelen. Met

roulet, de dobbelsteenen, de kaarten wordt openlijk gespeeld en bij

onderzoek bleek mij dat in Arizona en Nieuw Mexico het dobbelen niet

verboden is bij de wet, en voorloopig ook nog niet zal verboden worden.

Er worden namelijk hooge rechten betaald voor de vergunning om een

roulet of speeltafel te houden.

De gemeentebesturen vinden het gemakkelijker op die wijze de kas te

vullen dan door het heffen van een hoofdelijken omslag. Daar komt

nog bij dat uit hun bedrijf groote voordeelen worden behaald door de

"saloon"-houders en de houders der "gambling-tables"; personen die

bij de verkiezing van leden voor den gemeenteraad een beduidende

rol spelen en er wel voor waken, dat geen raadsleden gekozen worden,

die bezwaar hebben tegen dobbelspel.

Wat dit laatste in sommige plaatsen allerbedenkelijkst maakt is

een bepaling, dat het recht verdubbeld wordt, indien vrouwen in

de "saloons" worden toegelaten. Ik heb een paar van die plaatsen

bezocht. In hun werkpakje zaten dáár Amerikanen, Mexicanen, Indianen,

Chineezen hun zuur verdiend loon te verdobbelen. En precies als te

Monte Carlo zat men berekeningen te maken, van het nummer van het

draaibord waarop de prijs een volgenden keer "moest" vallen. Het ging

hier natuurlijk slechts om kleine sommen; zilverstukken van 10 en 25

cents waren de voornaamste inzet. Maar ik zag ook een jongen Amerikaan,

die drie maanden in de bosschen werkzaam was geweest aan den houthak

en honderdvijftig dollar had bespaard, dit sommetje in twee uren tijds

verliezen met inzetten van één tot vijf dollar. En welke tooneelen

men daaromheen ziet in de "saloons" waar het verhoogde recht betaald

werd om ook vrouwen te kunnen toelaten, kan men zich voorstellen,

wanneer men die combinatie elders, vooral in Fransche badplaatsen,

wel eens heeft waargenomen.

Ik kan van dit onderwerp niet afstappen zonder de hoop uit te spreken,

dat de centrale regeering van Amerika spoedig tusschenbeide kome, om

een einde te maken aan een toestand die dit groote land tot schande is.

Van de gelegenheid om een Amerikaanschen zaagmolen te zien maakte

ik hier gretig gebruik, omdat ik van de groote besparing van

arbeidskrachten, en het vlug omzetten van boomen in planken zooveel

had gehoord. En inderdaad, de Amerikanen verrichten wonderen met hun

machines. De zaagmolen was aan het spoor gelegen, en de boomstammen

werden uit het ver afgelegen bosch aan een berg-helling vervoerd per

water, d.w.z. over een afstand van vele kilometers was een houten bak

op stutten gemaakt, van ongeveer een meter breed en een halven meter

diep. Een bergstroom liet men op een hoog punt in dien bak loopen en

door het aangebrachte verval stroomde dat water vrij vlug omlaag. De

boomstammen werden daarin geworpen en bereikten het eindpunt met een

snelheid van 15 kilometer per uur. Op één plaats zag ik zoo'n toestel,

primitief in elkaar gezet, ter lengte van 105 kilometer--de afstand

van Amsterdam naar Arnhem--en aan het eind van den afgelegden weg

werd het water aangewend voor irrigatie van den grond.

Te Flagstaff, (Arizona) waar ik den zaagmolen bezichtigde, eindigde de

kunstmatige beek, zooals ik zoo'n bak zou willen noemen, op tamelijk

grooten afstand van de fabriek, omdat er geen verval van water meer

te krijgen was. De stammen, alle van dezelfde lengte--daarop worden

ze reeds gemaakt bij 't vellen--werden aan het eindpunt op platte

spoorwagens vervoerd naar de fabriek. En hier begon de bewerking. In

den zaagmolen waren niet meer dan 5 mannen werkzaam om de boomstammen,

die aan den eenen kant binnenkwamen, zoodanig te plaatsen dat zij

op bepaalde dikte gezaagd worden en daarna als planken, gesorteerd

naar breedte en lengte, op hun plaats aan den anderen kant den molen

verlieten. De rest deden de verschillende werktuigen. In den tijd

van 20 minuten zag ik 10 boomen van vier en een halven meter lang en

bijna één meter middellijn in planken omzetten, dat was gemiddeld

twee minuten voor iederen boom. Hoe die vijf mannen den drukken,

inspannenden arbeid van den ochtend tot den avond kunnen volhouden

is mij een raadsel. Er wordt namelijk in die fabriek 10 uren daags

gewerkt. Van 7-12 en van 1-6 en als het druk is nog van 7-9 1/2,

waarvoor dan 1/4 van het loon extra wordt betaald. Dus geen verhoogd

loon voor de over-uren. Van pensioen, ziekengeld of uitkeering bij

ongeval is geen sprake. Was er geen werk (tijdelijk in den winter) dan

volgde onmiddellijk ontslag. Deze toestand is geen uitzondering, maar

regel voor den arbeid in Westelijk-Amerika. Wat de loonen betreft,

die waren er vrij hoog. De meesterknecht genoot vijf dollar per

dag; de overigen de helft of iets daarboven, terwijl het leven in

die kleine stad niet duur kon genoemd worden. Bieden de bosschen in

Arizona een rijke bron van inkomsten, nog meer is dit het geval met

de mijnen. Onder deze munten uit de kopermijnen van Mr. W. A. Clark,

een van de Amerikaansche milliardairs. Mij werd verzekerd, dat hij

alleen uit de mijnen van Arizona een jaarlijksche winst maakte van

tien millioen dollar. En nu overtrof de productie zijner mijnen in

Montana nog die van Arizona. Van eene zijde die geen twijfel toelaat,

vernam ik dat in de gezamenlijke mijnen van dezen groot-industrieel,

ruim twee derde werd voortgebracht van al het koper, dat jaarlijks

in de wereld wordt geproduceerd. Ook hier, bij de mijnwerkers,

bestaat er tusschen werkgever en arbeider niet de minste band. De

eerste betaalt een vrij hoog loon en bemoeit zich voor 't overige

met zijn werklieden niet. Dat dezen aan de onderneming zich niet

gehecht gevoelen, spreekt van zelf. Verbetering in dezen toestand is

alleen te verwachten van een nauwe aaneensluiting der werklieden in

vakvereenigingen. Daarvan zijn velen onder hen reeds doordrongen, doch

de meerderheid begrijpt blijkbaar nog niet, dat verbetering van eigen

lot, alleen verkrijgbaar is door organisatie en coöperatie. Ik spreek

ter loops slechts over een derde bron van rijkdom in beide staten:

de vee-fokkerij. Niet op den voet zooals bij ons, maar uitsluitend

tot het fokken van jonge stieren, die enkele jaren de prairie worden

ingejaagd, dáár hun voedsel zoeken om dan bij honderdtallen naar de

slachtbank te worden gevoerd. Hier zijn vee-fokkers, die het aantal

hunner ronddwalende stieren bij benadering slechts kennen. Het

bedraagt soms duizenden. Zij worden voor het grazen binnen zekere

grenzen gehouden door de cow-boys, te paard gezeten jonge mannen,

die dagen achtereen in de prairie vertoeven om afgedwaalde stieren

weer op den rechten weg te brengen. In zijn kleurig buis en leeren

broekspijpen met franjes van boven tot onder, zijn zware sporen naar

Spaansch model, zijn grijze flambard en losjes geknoopte roode das,

ziet hij er schilderachtig uit, wanneer men hem uit den spoorwagen door

de prairie ziet rennen op ongebaande wegen, met een vaart bijna gelijk

aan die van den trein. Aan den knop van 't zadel hangt de lazzo en

ieder der beide achterzakken van zijn pantalon herbergt een revolver.

In het schieten met dit laatste wapen oefent hij zich gedurende den

tijd dat hij niet achter de stieren rent en de meesten brengen het

zoover, dat zij op 40 pas afstand een mikpunt van drie centimeter

middellijn nooit missen.

Ruw, kortaf en twistziek, ziedaar eenige minder aangename eigenschappen

van den cow-boy; daarentegen is hij ridderlijk tegenover vrouwen en

kent zijne goedhartigheid tegenover lijdenden geen grens. Daarover

zijn vele interessante verhalen in omloop. Zoolang de whiskey nog

in de kan is, valt er met den cow-boy te praten; is zij in den man

dan blijve men voorzichtigheidshalve op een afstand. In de genoemde

landen is het geen zeldzaamheid dat de revolver als argumenteerende

kracht wordt aangewend.

Laat het sociale leven in Arizona te wenschen over, niet aldus is het

gesteld met de natuur. Deze heeft hier wonderen verricht, zooals men ze

nergens in de wereld, en zóó dicht bij elkaar, te aanschouwen krijgt.

Men spoort van het station Williams in een paar uur naar de grand

canyon [2] of Arizona en honderd pas van het station staat men voor

een afgrond, die--behalve door zijn uitgebreidheid en diepte--een

wonder van kleurenpracht en grillige vormen te aanschouwen geeft; een

pracht die geen pen in staat is te beschrijven. In de diepte stroomt

de Colorado-rivier, doch men kan haar daarboven ternauwernood zien,

daar die diepte 1800 meter bedraagt. Eerst wanneer men afdaalt langs

een pad dat ruim 10 kilometer lang is--een weg die gewoonlijk op een

paard of muilezel wordt afgelegd--krijgt men menig denkbeeld van deze

meer dan 100 meter breede rivier en van de ontzaglijke rotsblokken die

de wanden van dezen afgrond vormen. De schitterende kleurenpracht,

telkens varieerende wanneer de zon haar licht op een ander deel der

uitstekende punten en gedrochtelijke vormen doet schijnen, doet het

oog in stille bewondering op dit ontzettend grootsche natuurtafereel

staren. Eindelijk na lang staren, zoekt het oog een grens, maar deze is

niet te vinden. Althans niet in de lengte. Deze scheur in de aarde is,

langs de rivier gemeten, driehonderdvijftig kilometer lang (meer dan

3 maal de afstand van Amsterdam naar Arnhem!) en twintig kilometer

breed (van Amsterdam tot Haarlem). Voor zoover mij bekend, bestaat

er geen ander natuurtafereel van dien aard: zóó groot en zóó schoon.

Een ander natuurwonder van Arizona, al wordt men er niet zoo door

getroffen als door den grand canyon, zijn de versteende bosschen. Op

geringen afstand van Holbrook vindt men boomen, een geheel bosch

vormende, uit vóórhistorischen tijd. Zij zijn òf verglaasd, òf

versteend, òf verkalkt en bieden nu, als de zon er op schijnt, een

heerlijk kleureffect. Zelfs zuivere kristallen zijn er bij. Er zijn er

ook onder die het prachtigste agaat leveren. De boomen zijn soms 70

meter lang en liggen half bedolven in het zand, half bloot. Sommige

boomen zijn geheel gaaf gebleven met alle takken eraan, gelijkende

op een boom van agaatsteen. Vóór eeuwen hebben wervelwinden, die

het zand opzweepten en in groote massa's verplaatsten, deze boomen,

naar men vermoedt, bloot gelegd. Doch de boomen zelven zijn dáár niet

gegroeid. In vóórhistorischen tijd moet de grond aldaar de bodem van

een zee geweest zijn en werden de boomen wellicht, ontelbare eeuwen

geleden, door een ontzettende natuurkracht ontworteld en naar de plaats

gespoeld, waar zij nu in zoo groot aantal gevonden worden. M.a.w.,

men weet er niets van hoe die boomen dáár zijn gekomen en op welke

wijze zij de versteende en verglaasde lichamen zijn geworden, die nu

met hun kleurenpracht ons oog bekooren.

Een ander wonder, op grooter afstand van de spoor doch door een

heerlijke natuur per rijtuig in één dag te bereiken is de natuurlijke

brug, waardoor de beide zijden van een bergkloof, 165 meter wijd

(zonder rustpunt) ruim 200 meter boven een vervaarlijken bergstroom,

verbonden worden.

Maar wat zeker voor velen het meest interessante van de reis is,

het zijn de cliff-dwellings, woningen van een menschenras dat sedert

lang van het aardrijk is verdwenen en van wier vroeger bestaan

slechts zeer zeldzaam de sporen worden gevonden. Er zijn namelijk

enkele skeletten opgedolven, waaruit blijkt dat het een klein soort

menschen moet geweest zijn. Wat evenwel zeer opmerkelijk is, dat is

dat hun wijze van behandeling der lijken geheel overeenkwam met die

der oude Egyptenaren. De gevonden skeletten waren geheel omwikkeld

door windselen van grof linnen.

De woningen dezer menschen zijn op sommige plaatsen in de rotsen

nog gaaf aanwezig. Ze zijn gebouwd in overhangende rotsspleten, een

paar honderd meter of meer boven den beganen weg, soms boven steile

afgronden. De bewoners hebben waarschijnlijk indertijd hun woning

van boven af bereikt maar moeten daarvoor een talent van klimmen en

klauteren bezeten hebben, zooals bij tegenwoordig levende menschen

niet wordt gevonden. En dáár, in de nabijheid dezer vóór-historische

woningen, vindt men nu nog oude stammen van Indianen wonen, heele

dorpen met eigen wetgeving en eigen bestuur, vast houdende aan

traditiën, door vele eeuwen heen tot hen gekomen.

Die stammen zijn aan het uitsterven, en zullen waarschijnlijk

over weinige eeuwen verdwenen zijn, evenals de cliff-bewoners van

weleer. Niet weken maar maanden zou men in dit merkwaardig deel van

Amerika willen vertoeven, om de wonderen der natuur gade te slaan en

in het verleden trachten door te dringen door bestudeering, van wat

daar nu nog gevonden wordt.

Hoe geheel anders wordt de omgeving als de trein ons brengt in Chicago,

met zijn twee millioen inwoners, saamgesteld uit de emigranten van

bijna alle natiën der wereld.

Hier vindt men, als in Londen, den grootsten rijkdom naast de

diepste armoede. Hier worden zaken gedaan, niet anders dan zaken. De

concurrentie heeft de grootst mogelijke inspanning gevorderd, zelfs

van de meest energieken onder deze business-men. Met 't gevolg dat

allen voortrennen in zenuwachtige haast, uit vrees van achterhaald

te worden door iemand, die nog vlugger, nog intenser weet zaken te

doen. Welke reusachtige ondernemingen aan dit inspannend werken het

aanzijn danken, kon ik ervaren bij een bezoek aan de slachtplaats

van Armour & Co., een naam over de geheele wereld bekend door de

"corned beef" en de "smoked tongue". Men kan zich moeilijk den omvang

dezer slachtersaffaire voorstellen. Er worden in den drukken tijd

dagelijks tienduizend varkens geslacht, vijf en twintig honderd

koeien en tienduizend schapen. De concurrentie gedoogt niet dat

een der onderdeelen, voor de uitoefening dezer zaak, door anderen

wordt uitgeoefend. De firma doet alles zelf. Voor het maken der

blikken, waarin het vleesch of het extract wordt verzonden, is een

groote fabriek opgericht, waar 200 man werkzaam is. Voor de boeken,

etiquetten, aanplakbiljetten en het overige benoodigde drukwerk is een

drukkerij met de nieuwste machines, waar 150 man werk vinden. Om ijs

te maken (voor de koelkamers), zijn machines aan 't werk, die 2000

ton ijs per dag afleveren. Voor opwekking van stroom zijn machines

van 4800 paardenkrachten aanwezig. Een groote fabriek is er voor het

maken van been-zwart. Een andere voor de bereiding van het haar der

varkens. Weer een andere voor het maken van lijm. Een zeepfabriek, een

knoopen- en kammenfabriek (van den horens en hoeven der koeien). Toen

ik ten slotte vroeg hoeveel menschen hier werkzaam waren, vernam ik dat

dit over de tienduizend bedroeg. Niet minder dan 83 telegrafisten zijn

in dienst der firma en doen niet anders dan telegrammen ontvangen en

verzenden voor dit huis. Een der chefs van de firma gaf mij als zijne

meening te kennen, dat de concurrentie, nog meer dan op dit oogenblik

het geval is, tot centralisatie in de bedrijven zal leiden en wel het

meest wegens de dringende behoefte aan afzet der producten buiten

Amerika. Door de beste (nieuwste) machines steeds aan te schaffen

en alle bij de onderneming betrokken bedrijven onder één beheer te

brengen, konden volgens hem de Amerikanen op den duur tegen Duitschland

en Engeland de concurrentie gemakkelijk volhouden. De belangrijke

besparing in productie-kosten zou hen daartoe in staat stellen. Op mijn

vraag, in welke verhouding hij zich voorstelde dat de werklieden zijner

fabrieken op den duur tot de firma als werkgeefster zouden komen,

was zijn antwoord erg onzeker. Hij was een voorstander van hooge

loonen voor geschoolden arbeid; van een aandeel in de voordeelen der

zaak wilde hij absoluut niets weten. Hij ontkende dat de werkman,

hoe goed ook zijn vak verstaande, iets hoegenaamd bijdroeg tot het

welslagen der onderneming. Alleen zij die leiding weten te geven,

niet degenen die leiding noodig hadden, kunnen aanspraak maken op

een aandeel in de behaalde voordeelen.

De skilled laborers ontvingen een loon van 4 tot 4 1/2 dollar per

dag. De unskilled $ 1.75.

Over de laatsten was hij slecht te spreken. Zij waren het die niet

wilden werken, tenzij de werkgever een arbeid-overeenkomst met

hen afsloot. De werkgevers echter wilden van onderhandelingen met

menschen, die geen enkel vak verstaan, niets weten. De geschoolde

arbeiders staakten alleen uit sympathie met de niet-geschoolden

en het gevolg is geweest dit voorjaar, een maanden-lange staking,

die ten slotte door de werklieden is verloren. Door die staking is

bij de patroons, zoowel als bij de werklieden heel wat kwaad bloed

gezet. Het is duidelijk dat er niet veel noodig is, om de vlam,

die thans nog verre van uitgedoofd is, opnieuw te doen uitslaan!

Een sterke uiting van zenuwachtige inspanning bij het zaken doen,

zag ik op de graan-beurs; zeker de grootste der wereld wat den omzet

aangaat.

In één jaar wordt te Chicago drie en een half millioen lasten tarwe

(meel in tarwe omgezet) aangevoerd. De elevators te Chicago kunnen een

half millioen lasten graan bergen. En welke reusachtige hoeveelheden

dagelijks worden omgezet op speculatie, valt natuurlijk niet te

schatten. De geheele wereld speculeert te Chicago. Onder oorverdoovend

geschreeuw en door het geven van teekenen met de hand en de vingers,

worden in één minuut soms duizenden lasten verhandeld. Hoe de drie

honderd makelaars in tarwe die hier de orders tot koop en verkoop

uitvoeren, wijs worden uit elkanders gegil en handgebaar, is voor een

buitenstander niet te begrijpen. En toch, zoo verzekerde mij een man

van 't vak, komen geschillen hoogst zelden voor.

Toen ik weinige dagen daarna langs den Hudson-rivier spoorde en bedacht

dat slechts 3 eeuwen geleden (1609) Hudson in dienst der Nederlandsche

Oost-Indische Compagnie die groote rivier met haar prachtige oevers

ontdekte, raakte ik onwillekeurig aan 't mijmeren over het verleden en

het heden van dit land en van het onze. Het kleine Nederland, destijds

het ondernemendste, het energiekste volk der aarde... en in Amerika,

althans in de noordelijke Staten, toen nog geen wit mensch te bekennen.

En nu, na 300 jaren?

Brieven uit en over Amerika · 第 24 / 32 题