Van de Nederlandsche reederijen is het niet de Holland-Amerika-lijn
alleen, die door vreemden ondernemingsgeest, speciaal van Amerikanen,
tot groote waakzaamheid wordt aangezet. Andere reederijen, waarop wij
Nederlanders niet minder trotsch zijn dan op die van de eerstgenoemde
lijn, worden met zware concurrentie bedreigd. Ik bedoel die onzer
stoomvaart-lijnen op Ned.-Indië.
De "Northern Pacific Rail Road", een dier financieel zoo machtige
spoorwegmaatschappijen van Amerika, die bergen verzetten ter bereiking
van haar doel, heeft Seattle, de gunstig gelegen haven aan den Stillen
Oceaan, tot operatieplaats gekozen voor den aanvoer van goederen van
Japan. Een paar groote schepen van deze maatschappij zijn of komen
binnenkort in de vaart en zullen tot elken prijs de goederen over
die lijn vervoeren, ten einde daarmede weer het spoorwegverkeer op
de Northern Pacific te voeden. Wat zoo'n concurrentie zeggen wil,
weten wij maar al te goed. Desnoods vervoert men, om toch maar te
slagen, de goederen gratis en nog bovendien in Amerika tegen verlaagd
spoorwegtarief.
Welke weg zullen nu in de toekomst onze Nederl. Indische producten
nemen, voorzoover deze bestemd zijn of gekocht worden voor Amerika?
Ziedaar een zeer ernstige vraag, die onder de oogen moet worden
gezien, nu met de stoomvaartlijn van Java op Japan en van daar naar
Seattle, die producten wel eens heel wat goedkooper op hun plaats
van bestemming zouden kunnen worden gebracht, dan nu geschiedt
met de stoomvaartlijnen van Indië naar Europeesche havens en van
daar naar Amerika. En voor onze stad heeft deze quaestie nog meer
beteekenis, omdat het voornaamste stapelproduct haar wel eens kon
ontvallen. Indien toch te eeniger tijd de concurrentie in Amerika er
in slaagt, het vervoer der Indische producten over Japan en Seattle
te leiden, zal het niet lang duren of onze tabaksmarkt zal, evenals
weleer onze rietsuikermarkt, uit Amsterdam verdwijnen. De beteekenis
van dit vraagstuk voor ons land, werd door den wakkeren voorzitter
van de Nederlandsche Kamer van Koophandel hier te New-York, den heer
D. G. Boissevain, ingezien en maatregelen werden door hem genomen om
belanghebbenden bij den Nederlandschen handel in staat te stellen, uit
eigen waarneming den omvang van het dreigend gevaar te leeren kennen.
Hij trad in overleg met den voorzitter van de "Northern Pacific"
spoorwegmaatschappij en wist te bewerken, dat twee wagens (voor 60
personen) beschikbaar gesteld werden om belanghebbenden in Nederland
in staat te stellen, kosteloos--wat het vervoer betreft--de reis te
doen maken over haar lijn, dwars door Amerika naar den Stillen Oceaan
en terug. Door alle bladen in Nederland is dit enkele maanden geleden
bekend gemaakt, maar de deelneming van uit Nederland bleek zoo miniem,
dat van het royaal aanbod der maatschappij moest worden afgezien.
Ik betreur dit resultaat in hooge mate. Niet alleen om den ijverigen
voorzitter der Nederl. Kamer van Koophandel alhier, maar ook om onzen
handel in Nederland. Men behoeft hier slechts eenige dagen te hebben
rondgezien om te beseffen, met welke energie door het Amerikaansche
volk wordt gestreefd naar het commercieele en industrieele overwicht in
het wereldverkeer. Indien het jonger geslacht in Nederland niet goed
maakt wat zijn onmiddellijke voorgangers helaas verzuimden, dat het
namelijk de wereld ingaat om nieuwe wegen van het goederenverkeer te
leeren kennen en op te sporen, dan staat het te vreezen dat onze natie
eerder dan verwacht schijnt te worden, op dit gebied niet meer wordt
medegeteld. De Nederl. Kamer van Koophandel alhier, die blijkens haar
eerste jaarverslag, zoo gaarne wordt aangezocht om raad en bijstand
voor alles wat strekken kan tot grooter deelneming in Nederland aan
het goederenverkeer met en in Amerika, die Kamer geve men handen vol
werk en drale niet haar tusschenkomst in te roepen.
Is het echter wel goed gezien van onze Regeering, om het waken
over deze groote volksbelangen, die zoo voortdurende en zoo groote
persoonlijke toewijding eischen, over te laten aan personen, die
belangloos zich daarvoor beschikbaar stellen, maar van wie men dan ook
niet meer kan vergen, dan wat zij vrijwillig en naar eigen believen
wenschen te praesteeren? Het antwoord op die vraag kan m.i. niet
twijfelachtig zijn.
Voor ons land acht ik het onverantwoordelijk, dat men dit op een koopje
doet in de hoofdstad van Amerika, waar onze handel, onze nijverheid,
onze landbouw en onze scheepvaart zoo groote belangen heeft voor te
staan en te bevorderen. De verdienstelijke consul-generaal, waarvan
ik in mijn vorig schrijven gewaagde, vervult zijn betrekking reeds
jarenlang zonder daarvoor bezoldiging te ontvangen. De consul ontvangt
evenmin salaris. Voor een paar ambtenaren wordt een karig bureau-geld
vergoed. Is dat nu zooals het behoort, in onzen tijd van aanhoudenden
economischen strijd tusschen de volkeren en dan nog wel ter plaatse
van het brandpunt van dien strijd?
Het ligt immers voor de hand dat geen geld beter besteed wordt dan dat,
uitgegeven voor een staf goed-bezoldigde ambtenaren, op de hoogte van
hun taak en rusteloos werkzaam om onze handels-relatiën met Amerika
te bevorderen. Richtte men zóó ons consulaat alhier in, dan zou men
kunnen eischen, wat nu erkentelijk en met gratie door onze Regeering
wordt aanvaard. Wat echter aan onze fierheid noodzakelijkerwijze
afbreuk moet doen.
De wijze waarop in Amerika de handels- en nijverheidsbelangen
van overheidswege worden behandeld, moge onze regeering waarlijk
wel eens tot voorbeeld dienen. Zoo worden o.a. dagelijks door het
ministerie van Handel en Arbeid gedrukt en op ruime schaal verspreid,
de berichten die van de Consuls uit andere landen inkomen. Aan alle
clubs en vereenigingen en groote werkgevers, die er om vragen, worden
deze berichten gratis toegezonden, benevens aan de bladen die zich
willen verbinden, die berichten geheel of geëxcerpeerd over te nemen.
En men behoeft slechts een blik te werpen op die berichten,
om overtuigd te worden van het groote belang dat handels- en
nijverheidsondernemingen bij de spoedige kennisneming ervan hebben.
"Statistische gegevens omtrent het goederen-vervoer op Duitsche
spoorwegen"; "Aanbesteding van ijzeren bruggen in Mexico";
"Expositie van automobielen te Plymouth"; "Zijde-industrie in Japan";
"Productie van ijzer in Engeland"; "De oogst van citroenen op
Sicilië"; "Aanbesteding van stoomkranen te La Rochelle (Frankrijk)";
"Nieuwe wijze van staalfabrikatie in Australië"; "Bouw van een
melk-poeder-fabriek in Frankrijk"; "Buizen voor waterleiding gevraagd
te Victoria (Britsch Columbia)"; "De namaak van Amerikaansche schoenen
in Perzië"; "Meelfabrieken zullen worden opgericht in Abyssinië";
"Automobielen zullen voor de posterij in Denemarken worden
aangeschaft", enz. enz.
Men heeft hier niet maanden lang te wachten op de publicatie dezer
officieele berichten en de regeering onthoudt zich ook van een oordeel
over hetgeen dadelijk moet worden medegedeeld, en wat wel wachten
kan om te worden opgenomen in het jaarverslag. Alles wordt dadelijk
in de bekende officieele brochures van 1/2 à 1 vel druks weergegeven.
Tot de navolgenswaardige sociale maatregelen van Amerika behoort
ongetwijfeld het sluiten der kantoren en werkplaatsen des Zaterdags
om 12 uur.
De heilzame werking er van ziet men hier, wanneer men 's Zaterdags
in de groote menschenstroomen, zich laat meevoeren naar goedkoope
verblijfplaatsen aan 't water (de baai of de rivier), of naar parken
in de onmiddellijke nabijheid van de metropolis. Den werkman en den
beambte ziet men dan met het geheele gezin van dien vrijen middag
gebruik maken.
Zaterdag l.l. was ik er getuige van, hoe tienduizenden genoten van
den prachtigen uitgestrekten dierentuin, vlak bij de stad in een
heuvelachtige streek gelegen en voor ieder gratis toegankelijk. Het
verbod bij sommige dieren om ze te voeden enz., werd stipt
opgevolgd. In druk bezochte gebouwen, b.v. in dat der roofdieren en
der apen, was van gedrang geen sprake. Welwillend schoof de een voor
den ander wat opzij en als er geen plaats meer was, van waar wat te
zien viel, werd geduldig gewacht.
Het drukst was het voor de kooi van een Chimpansé en Orang Oetan,
die elkander daar reeds 3 jaren gezelschap houden en een opgewektheid
aan den dag legden, als ik nog nergens anders van die dieren heb
gezien. Zij speelden met elkaâr.... net als menschenkinderen!
In alle gebouwen weer het verbod om op den vloer te spuwen en op de
veelvuldige banken in het park het verbod om dit op de voetpaden--die
van asphalt zijn--te doen.
De prachtige groote dierentuin met park, behoort aan een door de stad
New-York gesubsidieerd wordend Zoölogisch Genootschap.
Ik moet hier weer afbreken, ofschoon ik nog zooveel dat mij hier
opviel, zou willen vermelden. De physionomie der bevolking, dat mengsel
van zoovele natiën en rassen. Het leelijker type der mannen dan van
de vrouwen. De dronkenschap. De nachtvlinders. De scherpe reuk der
paarden-excrementen in de geasphalteerde straten bij deze warmte. De
vele Hollandsche namen boven de winkels en op naam-platen der
kantoren. De zucht der Amerikanen om zich van Hollandschen oorsprong
te noemen. Het prachtige gebouw van "De Equitable" in Broadway met
z'n rijke versieringen en z'n eenige, voor een ieder toegankelijke,
bibliotheek. De overvolle trams en de galanterie der mannen, ook der
arbeiders, om zonder een woord te zeggen te gaan staan om plaats te
maken voor een dame. De dagbladen met hun sensatie-berichten. Al die
onderwerpen moet ik verder onaangeroerd laten, omdat anders de lezer
zijn geduld kon verliezen. En dat wil ik tot elken prijs trachten te
voorkomen, nu ik nog zooveel onder zijn aandacht wensch te brengen.