De indrukken door mij verkregen van het leven en van het volk in
Amerika ga ik melden. Doch vooraf een korte inleiding.
Ik zou voor het eerst Amerika bezoeken; voor het eerst een zeereis van
eenige dagen maken. Geen wonder dus dat ik, wetende hoe vatbaar ik ben
voor zeeziekte, tegen die reis heb opgezien. Toch is gelukkig gebleken
dat deze vrees ongegrond was. De bouw en de inrichting der groote
booten op Amerika geven dezen een vastheid die de kans op zeeziekte
tot een minimum reduceert, zoodat dan ook bij een tamelijk sterke
bries en beweeglijke zee, op de "Potsdam" weinig of geen schatting
aan de visschen werd betaald.
Welk oneindig genot biedt dan zulk een zeereis! De pracht der zee
met haar onophoudelijke veranderingen van kleur en beweging en haar
frissche bries soms afgewisseld door bijna volkomen afwezigheid van
wind, behoudens het koeltje dat de 15 mijlen vaart, waarmede het schip
zich voortbewoog, veroorzaakte, deed werkelijk niet naar het einde
der reis verlangen. Integendeel. Naarmate de dagen heensnelden werd
het verlangen naar het einde der reis minder. En dit was niet mijn
persoonlijk gevoelen, maar dat van nagenoeg de meesten der eerste
klas-reizigers.
Wij waren op een mooi schip: de "Potsdam" van de Holland-Amerika lijn;
het personeel van den hoogste tot den laagste in rang, putte zich
uit in voorkomendheid en goede zorgen voor de passagiers. En kaptein
Stenger was een voorbeeld van opgewektheid en jovialiteit. De tafel was
uitmuntend; van den eersten tot den laatsten dag werden wij onthaald
op de smakelijkste spijzen en op de fijnste vruchten. De Hollandsche
zindelijkheid werd overal betracht. Voeg bij dit alles een prettig
gezelschap, dat de dagen deed heenvliegen, en men kan denken welke
indruk mij van deze eerste zeereis is bijgebleven.
Aan boord heerschte algemeen een aangename opgewekte geest. Het gros
der bijna 200 eerste klas passagiers bestond uit Amerikanen, overigens
Hollanders en enkele Duitschers en Franschen--geen Engelschen. Het
bleek mij uit de gesprekken met Amerikanen aan boord en later ook hier
in Amerika dat de Holland-Amerikalijn, en in 't bijzonder kapitein
Stenger, zich mogen verheugen in eene bijzondere populariteit
bij de Amerikanen. Het trof al bijzonder gelukkig dat wij onzen
voortreffelijken consul-generaal, den heer Planten, die reeds meer
dan 25 jaar op zoo uitnemende wijze de belangen onzer Nederlanders
te New-York voorstaat, tot onze mede-passagiers mochten rekenen. Met
groote voorkomendheid interesseerde hij zich voor het doel van ieders
reis naar de Nieuwe Wereld en van den ochtend tot den avond was hij
voor de Nederlanders de welwillende vraagbaak, onvermoeid in het
geven van nuttige wenken en inlichtingen.
Met den heer Grevers, van Amsterdam, die als
regeerings-vertegenwoordiger het congres van tandheelkundigen te
St. Louis ging bijwonen, en den heer Martens, van 's-Hage, gedelegeerd
lid der Regeeringscommissie voor de schoone kunst, die als lid der
jury naar St. Louis trok, vormde hij het trio officieele personen
dat naast den kapitein van het schip bij de maaltijden aan het hoofd
van de tafel was gezeten. Hetzelfde trio dat met den kapitein een
verrukkelijken feestavond organiseerde.
Het toeval wilde namelijk dat eenige Hollandsche en Amerikaansche
artisten zich bevonden onder de passagiers.
Op uitnoodiging van genoemd comité werden zij bereid bevonden, ten bate
van de Zuidhollandsche Maatschappij tot redding van schipbreukelingen,
hun talenten ten beste te geven. Verdienstelijk was o.a. een voordracht
van den bekenden Amerikaanschen komiek Edwards, maar het meeste
applaus, de grootste toejuiching viel Mevr. Coïni-Francisca ten deel,
onze bekende zangeres van de Nederlandsche Opera die, van Amerika
geboortig, naar haar vaderland terugkeert om daar als solo-zangeres
de lauweren en de dollars te oogsten, die haar zoo rechtmatig toekomen.
Te lang is mij de reis, die van Boulogne naar New-York 10 etmalen
duurde, niet gevallen, maar voor hen die, om welke reden ook, niet
gaarne zoo lang onderweg zijn, en dat zijn verreweg de meesten, duurt
zij te lang. Ik heb dat in de laatste dagen bij herhaling gehoord. Ik
heb Belgen, Zwitsers en Franschen gesproken, die mij verzekerden met
de Holland-Amerika-lijn niet te zijn overgekomen, omdat de booten er
te lang over doen.
De Amerikaansche bladen meldden de vorige week met veel ophef de
aankomst van de "Kaiser Wilhelm II" der Norddeutsche Lloyd na een
reis van Cherbourg naar New-York in 5 1/2 etmaal, dus bijna de helft
van den duur der "Potsdam"-reis.
Indien onze wakkere directie te Rotterdam, op den duur bij de
populariteit der lijn, ook het drukke passagiers-verkeer wil behouden,
zal zij m.i. op middelen bedacht moeten zijn om de "snelvaarders"
in den duur van de vaart zoo niet te overtroeven, dan toch minstens
nabij te komen.
En daarvoor biedt, als ik mij niet bedrieg, een nieuwe Amerikaansche
constructie der stoommachine de gelegenheid. Ik zal mij aan eene
beschrijving dezer nieuwe constructie, voor de aanwending van stoom en
electriciteit niet wagen, doch alleen vermelden tot welke conclusie
een vakblad na de bespreking der "Turbine" kwam. "De electrische
generatoren van zeer hooge spanning--zegt bedoeld blad--zijn zoo
omvangrijk geworden, dat zij de grens van mogelijke constructie en van
beschikbare ruimte nagenoeg bereikt hebben. En toch blijft de vraag
naar steeds krachtiger werktuigen aanhouden. Spoed en kracht gaan in
deze hand aan hand. De groote regeneratoren werden voortgedreven met
den spoed als de monstermachines ze konden drijven. Toen dit punt
bereikt was, was men met de geleidelijk zich ontwikkeld hebbende
turbine gereed. Met een turbine, die 750 wendingen maakt in de
minuut, is het mogelijk van een kleinen electrischen generator eene
hoeveelheid electrische energie te verkrijgen, als voorheen slechts
van een oneindig veel grootere machine kon verkregen worden."
Uit hetzelfde blad vernam ik dat hier "turbines" in werking zijn
van 6500 paardenkracht, maar voegt het er bij, dit is nog slechts
een begin.
Indien het nu waar is dat deze machines minder aan slijtage onderhevig
zijn, minder dan de helft van oppervlakte in een schip noodig hebben,
en minder aan brandstof kosten, voordeelen die wellicht alleen door de
ervaring zijn te constateeren, dan zullen toch zij die er het eerst
bij zijn om ze op hun schepen aan te brengen, hun concurrenten het
hoofd kunnen bieden en het passagiers-vervoer tot zich trekken.
De "Kaiser Wilhelm II", waarvan ik hierboven sprak, heeft machines
van 40.000 paardenkracht. De Cunard-line laat nu booten bouwen met
de nieuwe verticale turbines en zal dan met 60.000 paardenkracht
stoomen. Deze zullen de reis dan stellig in nog minder dan 5 1/2 dag
doen. En wat zeker het grootste voordeel van deze vinding kan genoemd
worden, is de afwezigheid van vibratie, waaraan de tegenwoordige
snelvaarders met de oude machineconstructie mank gaan.
Dit alles zal, daarvan ben ik overtuigd, het bestuur der
Holland-Amerika-lijn wel weten; maar het Nederlandsche publiek moet het
ook weten, opdat het kan nagaan of de reederijen, waarop het terecht
trots gaat, wel steeds de voortvarendheid aan den dag leggen, noodig
om aan de spits te blijven van het bedrijf dat zij uitoefenen. Indien
te eeniger tijd, om redenen buiten het bedrijf gelegen, deze echt
Nederlandsche onderneming zou moeten worden opgegeven, laat het dan
toch vooral niet zijn, omdat de aartsvaderlijke voorzichtigheid die
o zoo gaarne "de kat uit den boom" kijkt, ons achteraan deed komen
in den wereld-strijd voor de verkeerswegen op zee. Hier, waar wij de
eerste plaats behoorden in te nemen!
En nu de eerste indrukken bij mijn aankomst in New-York. Eerlijk
gezegd heeft deze wereldstad op mij niet dien overweldigenden indruk
gemaakt als ik er van verwachtte. Zeker, New-York met zijn 3 1/2
millioen inwoners is een ontzaglijk groote stad, waar men zich
van boven- en ondergrondsche treinen en electrische trammen heeft
te bedienen om zich naar verschillende deelen der stad te begeven,
maar dat indrukwekkende verkeer dat men op sommige punten in de City
van Londen heeft, ziet men hier niet. Daarbij komt natuurlijk, dat
mijne verwachting na het lezen van de opgesmukte verhalen over deze
wereldstad, wel wat hoog gespannen was.
Aan de sporadisch opdoemende hooge gebouwen van 20 tot 30 verdiepingen,
raakt het oog spoedig gewend. Na eenige dagen moet men er op gewezen
worden, of men gaat ze voorbij zonder ze op te merken. En toch, wat
huist er niet in zoo'n kollossus! Er zijn hotels met meer dan duizend
kamers en in sommige dier steenblokken van de benedenstad--de plaats
der business-menschen--worden vier honderd kantoren van verschillende
firma's ondergebracht.
Nu bestaat bij de beoefenaars van hetzelfde of van een aanverwant vak
de gewoonte om hun kantoor in elkanders buurt zoo mogelijk in hetzelfde
gebouw te huren met het gevolg dat een deel van het personenverkeer,
dat anders in de straat zou terecht komen, nu zich afspeelt binnen
de muren van het groote gebouw. Wanneer men in zoo'n gebouw gebruik
maakt van een der vele liften, dan bemerkt men al dadelijk uit het
groote aantal personen dat blootshoofds en in kantoor-jas op alle
verdiepingen in en uit de liften vliegt, van hoe groote beteekenis
het verkeer in het gebouw zelf is.
Dat die gebouwen hooger zijn dan zij van de straat gezien lijken,
bemerkte ik bij een bezoek op 'n kantoor op de 23e verdieping. Ik kwam
naar boven met een lift in 3 seconden. Toen, van uit het kantoor, zag
men over de huizen en kerktorens heen, over de reuzen-stad zoo ver
het oog reikte. Het is verboden zachte steenkolen te stoken, zoodat
men in de hoogere sferen, van den rook uit de duizenden schoorsteenen
die men onder zich ziet, geen last heeft. Ieder stookt hier anthraciet,
dat witte wollige wolkjes uit de schoorsteenen doet stijgen en waarvan
men mij verklaarde, volstrekt geen last te hebben.
Behalve van de "elevated" trams--een 10 meter hoog gebouwde electrische
tramlijn--wordt hier ook van de gewone electrische tram die door de
straten loopt, ontzaglijk veel gebruik gemaakt. Het ondergrondsche
systeem is hier ook toegepast. In sommige voorsteden van New-York
heeft men ook het Trolly-systeem in gebruik. Het tarief is uniform
5 cents met overstapjes op de zijlijnen (niet voor retour) en de
trams loopen zoo menigvuldig, dat niemand er tegen opziet even
te wachten als de eerstkomende wagen wat overvol is, hetgeen niet
zelden gebeurt. Bij een verkeer als dat te New-York, blijkt de meest
doeltreffende exploitatie wel te zijn, een spoedig op elkander doen
volgen der wagens. De menschen willen niet wachten, tenminste niet
lang, en het schijnt mij dat in die richting ook de exploitatie te
Amsterdam dient te geschieden. Wanneer dan nog een zoo eenvoudig
mogelijk tarief, dat weinig controle vereischt, kan worden ingevoerd,
dan zullen onze Amsterdammers, als kinderen van hun tijd, evengoed
in de trams gelokt worden als dit hier en elders geschiedt.
Wat de bestrating aangaat, die is al evenals bij ons hier en daar goed,
maar volstrekt niet boven bedenking. Niettegenstaande New-York over
ruime middelen kan beschikken is niettemin de bestrating op sommige
plaatsen in deplorabelen toestand. In enkele voorname straten zelfs
vindt men in 't asphaltplaveisel kuilen, zooals ik zeker weet, dat
er in de Amsterdamsche bestrating nergens te vinden zijn. En de keien
liggen op sommige pleinen in 't midden der stad minstens even hobbelig
als bij ons in de buitenwijken. Laat dit mijn collega's van den Raad
tot troost dienen, die nu met de behandeling der begrooting voor 1905
in de afdeelingen zich onledig houden en de periodiek terugkeerende
jeremiaden over de bestrating, ongetwijfeld niet achterwege zullen
laten.
Er is mij nog iets opgevallen in de straten, dat er namelijk des avonds
talrijke menschenmassa's voor sommige groote hotels staan, die mij
bleken gasten van het hotel te zijn. Zij weten met hun avonden geen
raad. Het is te vroeg om naar bed te gaan en zoo men niet naar een
theater of tingel-tangel gaat, biedt New-York geen andere gelegenheid
voor den vreemdeling om z'n avond door te brengen, als de vestibule
van het hotel, of, als het daar zooals thans te warm is, den trottoir
vóór het hotel.
Voor een groot hotel in Broadway, de voornaamste straat van New-York,
wat het verkeer aangaat, waar gewoonlijk handelsreizigers logeeren,
stond 's avonds een paar honderd of meer gasten op den trottoir. Men
heeft hier niet, zooals in Europa, cafés waar men den avond kan
doorbrengen onder het lezen van couranten of illustraties en het
gebruik van een glas bier. Een agent van politie, wien ik vroeg
waarom al die menschen daar stonden, en die het mij meedeelde, voegde
er bij dat hij soms tegen die heeren moest optreden, omdat zij het
geregeld verkeer op de straat belemmerden. Het deed mij denken aan
onze Kalverstraat bij den Dam op Maandag. Echter met dit verschil,
dat men hier niet de trottoirs misbruikt om kringetjes te spuwen met
aftreksel van tabak. Hier is in alle openbare plaatsen het spuwen
streng verboden. Op de stoombooten, in de treinen, in de trams,
in openbare gebouwen, overal wordt er aan herinnerd, dat het spuwen
op den vloer strafbaar gesteld is en streng vervolgd wordt. Ik heb
dan ook nog niet gezien dat men het deed en ben stellig overtuigd,
dat hier de wetgever door een strenge bepaling er niet weinig toe
bijgedragen heeft om de Amerikanen, de onhygiënische gewoonte van
spuwen, althans in New-York, af te leeren.
Wanneer zal men er bij ons toe komen het spuwen op den vloer
in theaters, trams, booten, scholen enz. te verbieden en bij
politieverordering strafbaar te stellen? Ligt het niet op den weg
onzer gezondheidsraden daartoe het initiatief te nemen?
Ik wil de lezers niet afschrikken van het volgen mijner artikelen,
en zal dus hier afbreken met de belofte dat ik zal trachten in een
volgend opstel het wat korter te maken.