2 Sept. 1904.

De indrukken door mij verkregen van het leven en van het volk in

Amerika ga ik melden. Doch vooraf een korte inleiding.

Ik zou voor het eerst Amerika bezoeken; voor het eerst een zeereis van

eenige dagen maken. Geen wonder dus dat ik, wetende hoe vatbaar ik ben

voor zeeziekte, tegen die reis heb opgezien. Toch is gelukkig gebleken

dat deze vrees ongegrond was. De bouw en de inrichting der groote

booten op Amerika geven dezen een vastheid die de kans op zeeziekte

tot een minimum reduceert, zoodat dan ook bij een tamelijk sterke

bries en beweeglijke zee, op de "Potsdam" weinig of geen schatting

aan de visschen werd betaald.

Welk oneindig genot biedt dan zulk een zeereis! De pracht der zee

met haar onophoudelijke veranderingen van kleur en beweging en haar

frissche bries soms afgewisseld door bijna volkomen afwezigheid van

wind, behoudens het koeltje dat de 15 mijlen vaart, waarmede het schip

zich voortbewoog, veroorzaakte, deed werkelijk niet naar het einde

der reis verlangen. Integendeel. Naarmate de dagen heensnelden werd

het verlangen naar het einde der reis minder. En dit was niet mijn

persoonlijk gevoelen, maar dat van nagenoeg de meesten der eerste

klas-reizigers.

Wij waren op een mooi schip: de "Potsdam" van de Holland-Amerika lijn;

het personeel van den hoogste tot den laagste in rang, putte zich

uit in voorkomendheid en goede zorgen voor de passagiers. En kaptein

Stenger was een voorbeeld van opgewektheid en jovialiteit. De tafel was

uitmuntend; van den eersten tot den laatsten dag werden wij onthaald

op de smakelijkste spijzen en op de fijnste vruchten. De Hollandsche

zindelijkheid werd overal betracht. Voeg bij dit alles een prettig

gezelschap, dat de dagen deed heenvliegen, en men kan denken welke

indruk mij van deze eerste zeereis is bijgebleven.

Aan boord heerschte algemeen een aangename opgewekte geest. Het gros

der bijna 200 eerste klas passagiers bestond uit Amerikanen, overigens

Hollanders en enkele Duitschers en Franschen--geen Engelschen. Het

bleek mij uit de gesprekken met Amerikanen aan boord en later ook hier

in Amerika dat de Holland-Amerikalijn, en in 't bijzonder kapitein

Stenger, zich mogen verheugen in eene bijzondere populariteit

bij de Amerikanen. Het trof al bijzonder gelukkig dat wij onzen

voortreffelijken consul-generaal, den heer Planten, die reeds meer

dan 25 jaar op zoo uitnemende wijze de belangen onzer Nederlanders

te New-York voorstaat, tot onze mede-passagiers mochten rekenen. Met

groote voorkomendheid interesseerde hij zich voor het doel van ieders

reis naar de Nieuwe Wereld en van den ochtend tot den avond was hij

voor de Nederlanders de welwillende vraagbaak, onvermoeid in het

geven van nuttige wenken en inlichtingen.

Met den heer Grevers, van Amsterdam, die als

regeerings-vertegenwoordiger het congres van tandheelkundigen te

St. Louis ging bijwonen, en den heer Martens, van 's-Hage, gedelegeerd

lid der Regeeringscommissie voor de schoone kunst, die als lid der

jury naar St. Louis trok, vormde hij het trio officieele personen

dat naast den kapitein van het schip bij de maaltijden aan het hoofd

van de tafel was gezeten. Hetzelfde trio dat met den kapitein een

verrukkelijken feestavond organiseerde.

Het toeval wilde namelijk dat eenige Hollandsche en Amerikaansche

artisten zich bevonden onder de passagiers.

Op uitnoodiging van genoemd comité werden zij bereid bevonden, ten bate

van de Zuidhollandsche Maatschappij tot redding van schipbreukelingen,

hun talenten ten beste te geven. Verdienstelijk was o.a. een voordracht

van den bekenden Amerikaanschen komiek Edwards, maar het meeste

applaus, de grootste toejuiching viel Mevr. Coïni-Francisca ten deel,

onze bekende zangeres van de Nederlandsche Opera die, van Amerika

geboortig, naar haar vaderland terugkeert om daar als solo-zangeres

de lauweren en de dollars te oogsten, die haar zoo rechtmatig toekomen.

Te lang is mij de reis, die van Boulogne naar New-York 10 etmalen

duurde, niet gevallen, maar voor hen die, om welke reden ook, niet

gaarne zoo lang onderweg zijn, en dat zijn verreweg de meesten, duurt

zij te lang. Ik heb dat in de laatste dagen bij herhaling gehoord. Ik

heb Belgen, Zwitsers en Franschen gesproken, die mij verzekerden met

de Holland-Amerika-lijn niet te zijn overgekomen, omdat de booten er

te lang over doen.

De Amerikaansche bladen meldden de vorige week met veel ophef de

aankomst van de "Kaiser Wilhelm II" der Norddeutsche Lloyd na een

reis van Cherbourg naar New-York in 5 1/2 etmaal, dus bijna de helft

van den duur der "Potsdam"-reis.

Indien onze wakkere directie te Rotterdam, op den duur bij de

populariteit der lijn, ook het drukke passagiers-verkeer wil behouden,

zal zij m.i. op middelen bedacht moeten zijn om de "snelvaarders"

in den duur van de vaart zoo niet te overtroeven, dan toch minstens

nabij te komen.

En daarvoor biedt, als ik mij niet bedrieg, een nieuwe Amerikaansche

constructie der stoommachine de gelegenheid. Ik zal mij aan eene

beschrijving dezer nieuwe constructie, voor de aanwending van stoom en

electriciteit niet wagen, doch alleen vermelden tot welke conclusie

een vakblad na de bespreking der "Turbine" kwam. "De electrische

generatoren van zeer hooge spanning--zegt bedoeld blad--zijn zoo

omvangrijk geworden, dat zij de grens van mogelijke constructie en van

beschikbare ruimte nagenoeg bereikt hebben. En toch blijft de vraag

naar steeds krachtiger werktuigen aanhouden. Spoed en kracht gaan in

deze hand aan hand. De groote regeneratoren werden voortgedreven met

den spoed als de monstermachines ze konden drijven. Toen dit punt

bereikt was, was men met de geleidelijk zich ontwikkeld hebbende

turbine gereed. Met een turbine, die 750 wendingen maakt in de

minuut, is het mogelijk van een kleinen electrischen generator eene

hoeveelheid electrische energie te verkrijgen, als voorheen slechts

van een oneindig veel grootere machine kon verkregen worden."

Uit hetzelfde blad vernam ik dat hier "turbines" in werking zijn

van 6500 paardenkracht, maar voegt het er bij, dit is nog slechts

een begin.

Indien het nu waar is dat deze machines minder aan slijtage onderhevig

zijn, minder dan de helft van oppervlakte in een schip noodig hebben,

en minder aan brandstof kosten, voordeelen die wellicht alleen door de

ervaring zijn te constateeren, dan zullen toch zij die er het eerst

bij zijn om ze op hun schepen aan te brengen, hun concurrenten het

hoofd kunnen bieden en het passagiers-vervoer tot zich trekken.

De "Kaiser Wilhelm II", waarvan ik hierboven sprak, heeft machines

van 40.000 paardenkracht. De Cunard-line laat nu booten bouwen met

de nieuwe verticale turbines en zal dan met 60.000 paardenkracht

stoomen. Deze zullen de reis dan stellig in nog minder dan 5 1/2 dag

doen. En wat zeker het grootste voordeel van deze vinding kan genoemd

worden, is de afwezigheid van vibratie, waaraan de tegenwoordige

snelvaarders met de oude machineconstructie mank gaan.

Dit alles zal, daarvan ben ik overtuigd, het bestuur der

Holland-Amerika-lijn wel weten; maar het Nederlandsche publiek moet het

ook weten, opdat het kan nagaan of de reederijen, waarop het terecht

trots gaat, wel steeds de voortvarendheid aan den dag leggen, noodig

om aan de spits te blijven van het bedrijf dat zij uitoefenen. Indien

te eeniger tijd, om redenen buiten het bedrijf gelegen, deze echt

Nederlandsche onderneming zou moeten worden opgegeven, laat het dan

toch vooral niet zijn, omdat de aartsvaderlijke voorzichtigheid die

o zoo gaarne "de kat uit den boom" kijkt, ons achteraan deed komen

in den wereld-strijd voor de verkeerswegen op zee. Hier, waar wij de

eerste plaats behoorden in te nemen!

En nu de eerste indrukken bij mijn aankomst in New-York. Eerlijk

gezegd heeft deze wereldstad op mij niet dien overweldigenden indruk

gemaakt als ik er van verwachtte. Zeker, New-York met zijn 3 1/2

millioen inwoners is een ontzaglijk groote stad, waar men zich

van boven- en ondergrondsche treinen en electrische trammen heeft

te bedienen om zich naar verschillende deelen der stad te begeven,

maar dat indrukwekkende verkeer dat men op sommige punten in de City

van Londen heeft, ziet men hier niet. Daarbij komt natuurlijk, dat

mijne verwachting na het lezen van de opgesmukte verhalen over deze

wereldstad, wel wat hoog gespannen was.

Aan de sporadisch opdoemende hooge gebouwen van 20 tot 30 verdiepingen,

raakt het oog spoedig gewend. Na eenige dagen moet men er op gewezen

worden, of men gaat ze voorbij zonder ze op te merken. En toch, wat

huist er niet in zoo'n kollossus! Er zijn hotels met meer dan duizend

kamers en in sommige dier steenblokken van de benedenstad--de plaats

der business-menschen--worden vier honderd kantoren van verschillende

firma's ondergebracht.

Nu bestaat bij de beoefenaars van hetzelfde of van een aanverwant vak

de gewoonte om hun kantoor in elkanders buurt zoo mogelijk in hetzelfde

gebouw te huren met het gevolg dat een deel van het personenverkeer,

dat anders in de straat zou terecht komen, nu zich afspeelt binnen

de muren van het groote gebouw. Wanneer men in zoo'n gebouw gebruik

maakt van een der vele liften, dan bemerkt men al dadelijk uit het

groote aantal personen dat blootshoofds en in kantoor-jas op alle

verdiepingen in en uit de liften vliegt, van hoe groote beteekenis

het verkeer in het gebouw zelf is.

Dat die gebouwen hooger zijn dan zij van de straat gezien lijken,

bemerkte ik bij een bezoek op 'n kantoor op de 23e verdieping. Ik kwam

naar boven met een lift in 3 seconden. Toen, van uit het kantoor, zag

men over de huizen en kerktorens heen, over de reuzen-stad zoo ver

het oog reikte. Het is verboden zachte steenkolen te stoken, zoodat

men in de hoogere sferen, van den rook uit de duizenden schoorsteenen

die men onder zich ziet, geen last heeft. Ieder stookt hier anthraciet,

dat witte wollige wolkjes uit de schoorsteenen doet stijgen en waarvan

men mij verklaarde, volstrekt geen last te hebben.

Behalve van de "elevated" trams--een 10 meter hoog gebouwde electrische

tramlijn--wordt hier ook van de gewone electrische tram die door de

straten loopt, ontzaglijk veel gebruik gemaakt. Het ondergrondsche

systeem is hier ook toegepast. In sommige voorsteden van New-York

heeft men ook het Trolly-systeem in gebruik. Het tarief is uniform

5 cents met overstapjes op de zijlijnen (niet voor retour) en de

trams loopen zoo menigvuldig, dat niemand er tegen opziet even

te wachten als de eerstkomende wagen wat overvol is, hetgeen niet

zelden gebeurt. Bij een verkeer als dat te New-York, blijkt de meest

doeltreffende exploitatie wel te zijn, een spoedig op elkander doen

volgen der wagens. De menschen willen niet wachten, tenminste niet

lang, en het schijnt mij dat in die richting ook de exploitatie te

Amsterdam dient te geschieden. Wanneer dan nog een zoo eenvoudig

mogelijk tarief, dat weinig controle vereischt, kan worden ingevoerd,

dan zullen onze Amsterdammers, als kinderen van hun tijd, evengoed

in de trams gelokt worden als dit hier en elders geschiedt.

Wat de bestrating aangaat, die is al evenals bij ons hier en daar goed,

maar volstrekt niet boven bedenking. Niettegenstaande New-York over

ruime middelen kan beschikken is niettemin de bestrating op sommige

plaatsen in deplorabelen toestand. In enkele voorname straten zelfs

vindt men in 't asphaltplaveisel kuilen, zooals ik zeker weet, dat

er in de Amsterdamsche bestrating nergens te vinden zijn. En de keien

liggen op sommige pleinen in 't midden der stad minstens even hobbelig

als bij ons in de buitenwijken. Laat dit mijn collega's van den Raad

tot troost dienen, die nu met de behandeling der begrooting voor 1905

in de afdeelingen zich onledig houden en de periodiek terugkeerende

jeremiaden over de bestrating, ongetwijfeld niet achterwege zullen

laten.

Er is mij nog iets opgevallen in de straten, dat er namelijk des avonds

talrijke menschenmassa's voor sommige groote hotels staan, die mij

bleken gasten van het hotel te zijn. Zij weten met hun avonden geen

raad. Het is te vroeg om naar bed te gaan en zoo men niet naar een

theater of tingel-tangel gaat, biedt New-York geen andere gelegenheid

voor den vreemdeling om z'n avond door te brengen, als de vestibule

van het hotel, of, als het daar zooals thans te warm is, den trottoir

vóór het hotel.

Voor een groot hotel in Broadway, de voornaamste straat van New-York,

wat het verkeer aangaat, waar gewoonlijk handelsreizigers logeeren,

stond 's avonds een paar honderd of meer gasten op den trottoir. Men

heeft hier niet, zooals in Europa, cafés waar men den avond kan

doorbrengen onder het lezen van couranten of illustraties en het

gebruik van een glas bier. Een agent van politie, wien ik vroeg

waarom al die menschen daar stonden, en die het mij meedeelde, voegde

er bij dat hij soms tegen die heeren moest optreden, omdat zij het

geregeld verkeer op de straat belemmerden. Het deed mij denken aan

onze Kalverstraat bij den Dam op Maandag. Echter met dit verschil,

dat men hier niet de trottoirs misbruikt om kringetjes te spuwen met

aftreksel van tabak. Hier is in alle openbare plaatsen het spuwen

streng verboden. Op de stoombooten, in de treinen, in de trams,

in openbare gebouwen, overal wordt er aan herinnerd, dat het spuwen

op den vloer strafbaar gesteld is en streng vervolgd wordt. Ik heb

dan ook nog niet gezien dat men het deed en ben stellig overtuigd,

dat hier de wetgever door een strenge bepaling er niet weinig toe

bijgedragen heeft om de Amerikanen, de onhygiënische gewoonte van

spuwen, althans in New-York, af te leeren.

Wanneer zal men er bij ons toe komen het spuwen op den vloer

in theaters, trams, booten, scholen enz. te verbieden en bij

politieverordering strafbaar te stellen? Ligt het niet op den weg

onzer gezondheidsraden daartoe het initiatief te nemen?

Ik wil de lezers niet afschrikken van het volgen mijner artikelen,

en zal dus hier afbreken met de belofte dat ik zal trachten in een

volgend opstel het wat korter te maken.

Brieven uit en over Amerika · 第 8 / 32 题